Als gevolg van de Tweede feministische golf – een term die wordt gebruikt ter onderscheiding van de Eerste feministische golf die in ons land in de periode 1870-1920 ‘woedde’ – zijn tal van groepen en organisaties ontstaan die alle op hun eigen manier met de behartiging van vrouwenbelangen bezig zijn. Er is sprake van versplintering binnen de vrouwenbeweging. Door de veelheid van projecten en organisatorische verbanden is zij steeds moeilijker te overzien. Omdat de vrouwenbeweging minder als eenheid naar buiten treedt, spreken sommigen zelfs van post-feminisme. In dit artikel wil ik nagaan wat de achtergronden zijn van de Tweede feministische golf in Nederland. Tevens ga ik na hoe de beweging zich ontwikkeld heeft en maak ik een balans op.
Ontstaan
De Tweede feministische golf is een internationaal verschijnsel en ontstond in de jaren zestig in de context van een groot aantal nieuwe bewegingen en stromingen, die mede het gezicht van de vrouwenbeweging hebben bepaald: onder andere de zwarte beweging voor burgerrechten in de Verenigde Staten, het internationale studentenprotest, de democratiseringsbeweging, de seksuele revolutie, enz. Vooral de vele protestbewegingen in de Verenigde Staten en tal van Westeuropese landen inspireerden vrouwen tot feministische activiteiten. Verschillende vrouwen die later actieve feministen zouden worden, waren ook in deze protestbewegingen actief.
De achtergronden van het ontstaan van de Tweede feministische golf moeten ook worden gezocht in de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog, zoals de economische groei, de democratisering en de secularisatie. Wetenschappelijke en technische ontwikkelingen brachten grote verschuivingen. Zo werd de huishouding vereenvoudigd door allerlei huishoudelijke apparatuur.
Vooral de secularisatie droeg ertoe bij dat veel geboden en verboden op het gebied van de omgang tussen man en vrouw minder strikt werden en dat de sociale controle van kerk en geloofsgemeenschap, die door de industrialisatie al sterk verminderd was, nagenoeg ophield te bestaan. Dit betekende een verruiming van gedragsmogelijkheden en een grotere nadruk op zelfontplooiing en onafhankelijkheid dan voorheen.
Vaak wordt ook het stijgende aandeel van (gehuwde) vrouwen aan de betaalde arbeid als een belangrijke oorzaak van de Tweede feministische golf aangeduid. De gespannen arbeidsmarkt deed in de jaren zestig namelijk een dringend beroep op getrouwde vrouwen. Bedrijven boden zelfs voorzieningen voor kinderopvang en parttime werk werd mogelijk gemaakt. Daardoor steeg het aantal buitenshuis werkende gehuwde vrouwen van 7% in 1960 naar 17% in 1971.
Anderen – bijvoorbeeld de Britse sociologe Olive Banks, die onderzoek heeft gedaan naar het feminisme als sociale beweging – wijzen er echter op dat feministische ideeën net zo goed een antwoord kunnen zijn op het buitensluiten van vrouwen uit de betaalde arbeid als op het in groten getale toetreden. Zij zien een mogelijke verklaring voor het ontstaan van de Tweede feministische golf in de tegenstrijdige eisen waarmee vrouwen werden geconfronteerd. Dit leidde bij veel vrouwen die zich toch al buitengesloten voelden tot een nog sterker gevoel van onvrede en achterstelling.
Aan de ene kant veroorzaakte de opbouw van de welvaartsstaat een stijging in de beroepsarbeid van gehuwde vrouwen en in de acceptatie daarvan. Aan de andere kant werd sedert de Tweede Wereldoorlog het belang van de huisvrouwen vooral het moederschap in versterkte mate beklemtoond. Met name in de hechtingstheorie van Bowlby werd het belang van de voortdurende aanwezigheid van de moeder voor het jonge kind benadrukt. De onvrede onder huisvrouwen en moeders kwam in de loop van de jaren zestig onder meer tot uiting in het zogenaamde huisvrouwensyndroom, een geheel van psychosomatische en emotionele klachten.
Ook het groeiend aantal hoger opgeleide vrouwen wordt nogal eens in verband gebracht met het ontstaan van de Tweede feministische golf. Deze vrouwen werden zich het scherpst bewust van de ongelijkheid tussen de seksen, die in schrille tegenstelling stond met de ideeën uit de jaren zestig over recht op ontplooiing en gelijke kansen voor iedereen.
Tenslotte moet ook de invloed van de seksuele revolutie, die onder andere een gevolg was van de secularisatie, worden genoemd, die normen en waarden deed schuiven en de onafhankelijkheid van het individu op seksueel terrein bevorderde. Het gebruik van voorbehoedmiddelen raakte in brede kring geworteld. De veranderingen in de jaren zestig waren dermate ingrijpend dat wel is gesproken van een morele revolutie. Vond in 1965 nog ruim 41% van de bevolking dat een meisje maagd moest blijven tot haar huwelijk, in 1970 was dit percentage gedaald tot ruim 17. De voortdurende daling van het kindertal en van de huwelijksleeftijd droegen ertoe bij dat de tijd die aan opvoeding besteed hoefde te worden, sterk verminderde en dat vrouwen steeds eerder ‘uit de kleine kinderen waren’.
Een nieuw verschijnsel dat in deze periode opkwam, was de vrijwillige kinderloosheid. Ook het aantal buitenechtelijke relaties en het aantal echtscheidingen namen sterk toe. Het normatieve karakter van huwelijk en gezin werd steeds meer aangevochten. Door dit alles zijn moederschap en huwelijk voor veel vrouwen minder levensvullend en bestaansbepalend geworden. Voor de ontwikkeling van gevoelens van eigenwaarde werden andere bezigheden nodig geacht dan de taken die de positie van echtgenote en moeder met zich meebrengt. Vrouwen gingen het beginsel van het recht op zelfbeschikking, dat van alle kanten werd bepleit, op zichzelf betrekken. De vraag om een zelfstandig zelfbeschikkingsrecht voor vrouwen inzake abortus is hier een duidelijk voorbeeld van.
De constatering dat de vrouw een tweederangsburger is en dat zij zich van deze positie bewust moet worden, werd in 1967 voor het eerst verwoord door Joke Smit in een artikel in De Gids, getiteld ‘Het onbehagen van de vrouw’. In dit artikel, waarin Joke Smit haar eigen ervaringen als vrouw en als werkende moeder met jonge kinderen verwerkte, bepleitte zij het belang van arbeid buitenshuis en van bewustwording door vrouwen van hun rechten en plichten. "Wie getaxeerd wordt op eigen merites in plaats van op de positie van een echtgenoot hoeft zich geen aanhangsel meer te voelen. (...) Als vrouwen het zover brengen dat zij in de eerste plaats een mens zijn en pas in de tweede plaats een vrouw, zou dat positieve gevolgen kunnen hebben voor de relatie tussen moeders en hun kinderen."
Met dit artikel, dat eindigde met de woorden: "Zou het niet goed zijn als moeders hun kinderen meer te bieden hadden dan enkel zorgzaamheid?", gaf Joke Smit de stoot tot het ontstaan van de Tweede feministische golf in Nederland. De onmogelijkheid om moederschap en werk buitenshuis te combineren was voor haar aanleiding om samen met Hedy d’Ancona de actiegroep Man-Vrouw-Maatschappij op te richten.
Organisaties
Man-Vrouw-Maatschappij (MVM) was de eerste organisatie in Nederland van de Tweede feministische golf. Het langetermijndoel van MVM was het slechten van de scheidsmuren tussen mannen- en vrouwenrollen door deze verwisselbaar te maken. Deze verwisselbaarheid diende onder meer tot uitdrukking te komen in de opvoeding, het onderwijs en de materiële organisatie van het bestaan. Man en vrouw moesten volgens MVM zich gelijkwaardig en in volle vrijheid kunnen ontwikkelen tot zelfredzame mensen en niet een door hun sekse bepaald gedragspatroon opgelegd krijgen. Op korte termijn wilde MVM discriminerende praktijken signaleren en morele en materiële steun bieden aan buitenshuis werkende gehuwde vrouwen of vrouwen die wilden werken.
Over het algemeen hield de organisatie zich vooral met de intellectuele kant van het feminisme bezig. Ze werkte hard aan analyse en theorievorming en stopte veel tijd in studie, onderlinge ondersteuning en voorlichting aan een breed publiek. MVM bestond voor een groot deel uit vrouwen met een betere opleiding. De kloof tussen hun beroepsmogelijkheden en het huisvrouwenbestaan thuis was voor hen aanleiding om zich met de positie van de vrouw bezig te houden.
Seksegelijkheid, mentaliteitsverandering, roldoorbreking en zelfontplooiing waren de sleutelwoorden van MVM. Ze richtte zich als actiegroep vooral tot de overheid met eisen als gelijk loon voor gelijke arbeid, gelijke kansen in het onderwijs en kinderopvang. MVM stond ook open voor mannen, omdat emancipatie als belang van beide seksen werd gezien. Zowel mannen als vrouwen moesten zich emanciperen door zich los te maken van vanzelfsprekende rolpatronen.
Dolle Mina werd eind 1969 opgericht. Ze kwam voort uit de Socialistische Jeugd en de linkse studentenbeweging. Dolle Mina had een socialistische en marxistische maatschappijvisie: de tegenstelling tussen man en vrouw was voor de beweging een onderdeel van de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Volgens Dolle Mina was niet de westerse cultuur debet aan de verschillende rollen van mannen en vrouwen, maar de economische productiewijze. Omdat de achtergestelde positie van vrouwen zo’n essentieel onderdeel van het kapitalisme was, zou een verbetering van de positie van vrouwen alleen gerealiseerd kunnen worden via klassenstrijd en het socialisme, aldus de in 1970 gepubliceerde Dolle Mina brochure Een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd.
Dolle Mina werd de bakermat van het marxisme dat de feministische theorievorming via de feministisch-socialistische beweging in de jaren zeventig in belangrijke mate zou bepalen. De groep werd vooral bekend door haar spectaculaire acties waarmee ze uitgebreid de media haalde, bijvoorbeeld door roze linten om urinoirs te binden ter ondersteuning van de eis op ‘openbaar plasrecht’. Dolle Mina’s floten mannen na, verstoorden miss-verkiezingen en spraken pasgetrouwde bruiden aan met de vraag ‘Wie haalt het haardotje uit de gootsteen?’ Ze pleitten ook voor gelijke seksuele vrijheid voor mannen en vrouwen en voor legalisering van abortus (‘Baas in eigen buik’). Dolle Mina werd binnen korte tijd een nationaal begrip, hetgeen mooi geïllustreerd wordt door een advertentie in een krant uit 1970: ‘Badjuffrouw gevraagd. Dolle Mina’s komen niet in aanmerking.’
Dolle Mina kende geen lidmaatschap, maar door het hele land ontstonden afdelingen en werkgroepen. In eerste instantie stond ze ook open voor mannen. Maar toen steeds meer Mina’s zich ergerden aan de dominantie van mannen, verdwenen de mannen. Dolle Mina is in 1977 uiteengevallen door ideologische meningsverschillen. Zo hadden de regionale afdelingen niet zo veel op met de Amsterdamse ludieke methoden.
Hoewel de ideologische uitgangspunten en de strategieën van MVM en Dolle Mina zeer verschillend waren, lagen doelstellingen van beide in de praktijk niet zo ver uit elkaar. Beide actiegroepen richtten zich vooral op het realiseren van eisen in de sfeer van de arbeid, wetgeving en voorzieningen om de combinatie van moederschap en betaalde arbeid mogelijk te maken, met name kinderopvang. Beide groepen waren ook typerend voor de eerste fase in het na-oorlogse feminisme, die gericht was op de integratie in de mannenwereld, het inhalen van achterstanden en verkleining van de maatschappelijke sekseverschillen. Vrouwen moesten in dezelfde mate als mannen toegang krijgen tot een in linkse richting veranderde samenleving.
Stromingen
Begin jaren zeventig gingen veel vrouwen, die afknapten op de politieke discussies, zich organiseren in praatgroepen of bewustmakingsgroepen, waar persoonlijke ervaringen centraal stonden en waar geen plaats was voor mannen. Dit wordt wel het kenmerk genoemd van de tweede fase in het feminisme. Steeds meer vrouwen waren van mening dat het bij emancipatie niet om het inhalen van achterstanden ging, maar om het beëindigen van de onderdrukking van vrouwen door de mannenheerschappij. Het feministisch antwoord was separatisme. Dit stoelt op het principe dat onderdrukte groepen zich het beste kunnen organiseren op basis van hun eigen specifieke onderdrukking.
Ook in MVM kende men al vanaf 1971 de discussies rond de mannelijke onderdrukker. De radicale feministen binnen MVM keerden zich tegen het uitgangspunt van seksegelijkheid. Voor hen was het sekseverschil juist van het grootste belang. De ‘gelijkheidsfeministen’ en de ‘vrouwelijke waardenfeministen’ kwamen steeds meer tegenover elkaar te staan. Sommigen keerden zich ook tegen de samenwerking met mannen, die toch strikt genomen ‘onze vijanden zijn’. Als gevolg hiervan verdwenen er veel mannen uit deze organisatie, die overigens nooit haar basisprincipe van samenwerking met mannen heeft laten varen.
De vrouwenbeweging raakte in de jaren zeventig steeds meer verdeeld in groepen die alle op hun eigen manier met de behartiging van uiteenlopende vrouwenbelangen bezig waren. Naast Dolle Mina en MVM ontstonden nieuwe groepen die zich autonoom noemden. Hiermee werd bedoeld dat men wilde werken zonder mannen, zonder een hiërarchische structuur en zonder binding aan een politieke partij of vakbond.
Een belangrijke discussie in de vrouwenbeweging ging over de vraag: moeten we eerst de maatschappelijke structuren veranderen of moeten we eerst onszelf veranderen? Richten we onze aandacht vooral op machtsvorming of op mentaliteitsverandering? De meeste vrouwen die tot de feministisch-socialistische stroming behoorden, vonden het eerste en probeerden individueel ook actief te worden in de vakbeweging en in politieke partijen. De vrouwen die tot het radicaal-feminisme behoorden, vonden al dat geploeter in de mannenwereld maar verlies van energie en streefden naar vrouwelijke vrijplaatsen. Binnen de autonome vrouwenbeweging waren het feministisch socialisme en het radicaal-feminisme de belangrijkste stromingen.
De radicaal-feministische stroming
In Nederland ontstonden de eerste radicaal-feministische groepen begin jaren zeventig uit een aantal praatgroepen die waren geconcentreerd rond het Amsterdamse vrouwenhuis. Deze praatgroepen waren opgezet naar het voorbeeld van de Amerikaanse ‘consciousness raising groups’. Groepjes van zo’n acht tot tien vrouwen kwamen regelmatig bij elkaar om te praten over hun ervaringen als meisje, als echtgenote, als vriendin, enz. In de praatgroepen werden vrouwen zich ervan bewust dat hun eigen ervaringen en problemen niet los stonden van die van anderen. Het leidde tot de gevleugelde uitspraak ‘het persoonlijke is politiek’, waarmee door feministen werd bedoeld dat persoonlijke onderdrukkingservaringen gemeenschappelijk met andere vrouwen werden gedeeld en hun oorsprong vonden in maatschappelijke opvattingen en structuren.
In deze praatgroepen, waar vrouwen gezamenlijk hun onderdrukking bespraken en analyseerden, was geen plaats voor mannen. Vrouwen waren door hun jarenlange onderdrukking hun zelfvertrouwen en identiteit kwijtgeraakt en zouden hun ware gevoelens en gedachten slechts kunnen terugvinden als ze daarbij niet gestoord werden door mannen, zo luidde de redenering. Het radicaal-feminisme gaat uit van de sociale en economische overheersing van vrouwen door mannen. De tegenstelling tussen man en vrouw wordt als de meest essentiële gezien: de onderdrukking van de vrouw door de man zou de basis van allerlei andere vormen van onderdrukking zijn. Grote nadruk wordt gelegd op het patriarchaat als belangrijkste systeem van vrouwenonderdrukking. Vrouwenonderdrukking, een internationaal verschijnsel, zou alleen ongedaan gemaakt kunnen worden door een opstand van vrouwen.
De radicaal-feministische stroming heeft nooit een vaste organisatiestructuur gehad. Behalve met acties hield de beweging zich vooral bezig met het ontwikkelen van een tegencultuur. De vorming van een eigen vrouwencultuur werd gezien als de enige manier om los te komen van het patriarchaat. Het ‘gelijkheidsfeminisme’ had over het algemeen een nogal negatieve visie verwoord op de traditionele vrouwelijke identiteit; de mannenstatus en ‘mannelijke’ normen werden hoger gewaardeerd. Dit vroeg om een reactie. Deze kwam er ook in de vorm van de herwaardering van vrouwelijke waarden, die onder invloed van de herbezinning in de praatgroepen plaatsvond. Vooral vanaf halverwege de jaren zeventig werd deze herwaardering een duidelijke trend. Bij sommigen ging deze herwaardering zelfs over in een geloof in de superioriteit der vrouwelijke waarden. Er ontstond een nieuwe vrouwelijkheidsnorm en een anti-machthouding. Ook de feministische theologie, die vanuit Amerika naar ons land overwaaide, is op dit radicaal-feminisme gebaseerd.
Met name vanaf 1974 breidde de feministische tegencultuur zich snel uit. Er kwam een netwerk van vrouwenhuizen, vrouwencafés, vrouwenuitgeverijen en -boekhandels en feministische vormen van hulpverlening en van opbouwen welzijnswerk. Centraal uitgangspunt bij de werkwijze van het radicaal-feminisme was dat alle arbeid gelijk verdeeld en gewaardeerd moest worden: de vloer vegen was even belangrijk als een boek schrijven.
In eerste instantie was het radicaal-feminisme vooral gericht op wat later ‘lijfpolitiek’ zou heten. Vooral het seksuele geweld tegen vrouwen werd beschouwd als fundamentele component van het feit dat mannen als groep macht uitoefenen over vrouwen als groep. Het radicaal-feminisme heeft daarnaast aandacht besteed aan het moederschap en het gezin als onderdrukkende instituties voor vrouwen. Tevens heeft men zich altijd sterk afgezet tegen subsidiëring van feministische activiteiten: de vrouwenbeweging zou op die manier worden ingekapseld. Bovendien zou het de verschillen tussen vrouwen onnodig vergroten.
Sommige radicaal-feministen voegden hieraan toe de strijd tegen heteroseksualiteit en voor een lesbische levensstijl. Feministe zijn en een verhouding met een man hebben, ging in deze gedachtegang niet samen. ‘Je gaat toch niet met je onderdrukker naar bed,’ werd er gezegd. Vanaf begin jaren tachtig is de nadruk in het radicaal-feminisme meer komen te liggen op economische aspecten en andere vormen van onderdrukking, zoals racisme.
Vanuit de radicaal-feministische beweging werd in 1974 de eerste feministische uitgeverij, De Bonte Was, opgericht, die onder andere De geschiedenis van de vrouwentoekomst van Anneke van Baalen en Marijke Ekelschot publiceerde. Andere initiatieven van het radicaal-feminisme waren de Vrouwenkrant, Blijf van m’n Lijfhuizen, en actiegroepen als Vrouwen tegen seksueel geweld en de Vrouwenvakbond.
De feministisch-socialistische stroming
Vanaf ongeveer 1973 kwam de feministisch-socialistische stroming op. Zij heeft tot eind jaren zeventig in belangrijke mate het gezicht van de autonome vrouwenbeweging gevormd. De stroming is ontstaan uit de vrouwenpraatgroepen waarin veel ex-Dolle Mina’s actief waren. Op een landelijk congres van praatgroepen in 1972 werd het initiatief genomen om te starten met studie en analyse van de maatschappelijke positie van vrouwen. Er werden studiedagen opgezet voor vrouwen met ervaringen in praatgroepen en naar aanleiding daarvan begonnen vrouwen op plaatselijk niveau met het opzetten van feministisch-socialistische groepen, al snel kortweg fem-soc-groepen genoemd. Deze groepen functioneerden zelfstandig, maar hadden hun socialistische oriëntatie en behoefte aan studie gemeen.
In 1975 werd het Fem-soc Platform opgericht, een organisatie die de activiteiten van de regionale afdelingen, honderden praatgroepen en linkse vrouwenclubs coördineerde. Vanwege onenigheid over de organisatiestructuur werd het Platform in 1979 opgeheven. De fem-soc-visie bleef echter levend. Na opheffing van het Platform is door een aantal fem-soc-vrouwen vormgegeven aan een breder discussieplatform door het socialistisch-feministisch tijdschrift Katijf op te richten. Andere vrouwen die voorstandster waren van een duidelijke organisatiestructuur om tot een buitenparlementaire tegenmacht van de bestaande politieke partijen te komen, richtten in 1982 de Links-Feministische Organisatie (LFO) op, maar deze is nooit tot een echte organisatie uitgegroeid.
Hoewel de meeste fem-soc-vrouwen een autonome vrouwenbeweging bepleitten, sloten ze samenwerking met anderen op concrete punten niet uit. Vooral in de aanvangsjaren wilde fem-soc de bewustwording inde praatgroepen gebruiken als basis voor machtsvorming in mannenorganisaties.
Het feministisch-socialisme verbond inzichten van het radicaal-feminisme met het marxisme en legde alle nadruk op de economische onafhankelijkheid van de vrouw. Terwijl de radicaal-feministen de nadruk legden op het patriarchaat, wezen de feministisch-socialistische vrouwen op het belang van de sociaal-economische structuren in de onderdrukking van de vrouw. Uitgangspunt was dat de bevrijding van de vrouw binnen een kapitalistische maatschappij niet mogelijk is. Er werd geprobeerd een verbinding te leggen tussen vrouwenonderdrukking en andere vormen van onderdrukking in een kapitalistische maatschappij. De centrale leus was: ‘Geen feminisme zonder socialisme, geen socialisme zonder feminisme’. Het socialisme werd gezien als een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor de bevrijding van de vrouw. Hoewel de fem-soc-beweging aansloot bij het marxisme, werd daarop ook fundamentele kritiek geformuleerd.
Dat betrof vooral de eenzijdige aandacht voor de loonafhankelijke arbeid in het marxisme. Fem-soc-vrouwen wezen erop dat huishoudelijke arbeid een wezenlijke bijdrage levert aan de productie, maar onder kapitalistische verhoudingen bijdraagt aan de onderdrukte positie van vrouwen. De zogenaamde reproductie van de arbeidskracht – de verzorging van loonafhankelijken, de opvoeding van kinderen – wordt door vrouwen verricht. Fem-soc-vrouwen probeerden de huishoudelijke arbeid in het marxisme te integreren, maar zagen betaalde arbeid niettemin als het middel bij uitstek voor de zelfverwerkelijking van de vrouw. Omdat huwelijk en gezin de productieve arbeid van de vrouw onmogelijk maken en daarmee de economische afhankelijkheid van de vrouw bestendigen, dienden de structuren van huwelijk en gezin volgens veel fem-soc-vrouwen te worden opgeheven. Juist in huwelijk en gezin zou zich de ongelijke machtsverhouding tussen man en vrouw weerspiegelen. Arbeidstijdverkorting en collectieve voorzieningen als kinderopvang moeten het buitenshuis werken van vrouwen mogelijk maken.
Vanuit de feministisch-socialistische beweging ontstond in 1977 de feministische uitgeverij Sara, die onder meer de tijdschriften Serpentine (1979-1983) en Katijf (1980-1989) uitgaf en de Socialisties-Feministiese Teksten, een jaarlijks verschijnende bundel.
Pragmatischer
In de praktijk waren bovengenoemde stromingen lang niet altijd zo duidelijk van elkaar te onderscheiden en liepen ze vaak door elkaar heen. Er bestonden vele dwarsverbanden en ook werd er soms samengewerkt. Bovendien hebben de beide stromingen hun eigen ontwikkeling doorgemaakt en zijn ze in de loop van de tijd veranderd. De term ‘onderdrukking’ heeft bij velen plaats gemaakt voor ‘machtsongelijkheid’. In het algemeen kunnen we stellen dat de interne tegenstellingen van de jaren zeventig aan scherpte verloren hebben. De beweging werd in de jaren tachtig pragmatischer. Ook radicaal-feministen houden zich tegenwoordig bezig met kwesties als economische zelfstandigheid, individualisering en herverdeling van arbeid.
Met name de praatgroepen zijn voor beide stromingen van belang geweest. De leus: ‘Het persoonlijke is politiek’, kreeg daar bij hen vorm in de ontdekking dat wat doorgaans als persoonlijk of privé wordt betiteld, politiek bepaald is. In de jaren tachtig is binnen het feminisme, zelfs binnen de femsoc-beweging onder invloed van het Franse differentie- of verschildenken (Kristeva, Irigaray) en Amerikaanse theorieën (Rich, Friday, Chodorow) ook meer waardering gekomen voor het moederschap. Er kwam weer aandacht voor de vreugdevolle en emotioneel bevredigende aspecten van de moeder-kindrelatie.
Belangrijke inspiratiebron voor deze ‘lijfpolitiek’ was het boek Uit vrouwen geboren van Adrienne Rich, die het moederschap ziet als basis van macht, erotiek en seksualiteit van vrouwen, waarbij ze verwijst naar oergodinnen en de vrouwelijke verbondenheid met de aarde.
Vanaf het begin van de jaren zeventig waren ook verschillende lesbisch-feministische groeperingen actief zoals Paarse September en Purperen Mien, die zich later verenigden in het Lesbisch Netwerk. Zij vormden niet zozeer een stroming – lesbische feministen waren ook actief in de eerder genoemde stromingen – maar zij bekritiseerden de ‘normen van het heteroseksisme’. Vooral binnen de lesbische beweging is overigens ook een groep actief die de androgyne maatschappij tot doel heeft, waarin het beste van man en vrouw samengaat, de synthese van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen.
Diversificatie
Terwijl de beginperiode van de Eerste feministische golf gekenmerkt werd door gezamenlijk optreden en solidariteit en de verschillende feministische stromingen ondanks hun verschillende doelen en strategieën vooral naar overeenkomsten zochten, is de diversiteit binnen de beweging sinds het einde van de jaren zeventig enorm toegenomen en is er zelfs sprake van versplintering en uitwaaiering.
De vele subdoelen werden duidelijker, de verschillen in belangen tussen diverse groepen traden meer naar voren, de meningsverschillen over de vraag hoe het grote doel te bereiken, leidden tot interne verdeeldheid. Niet alleen bleek dat er grote verschillen waren onder vrouwen. Er ontstonden ook in toenemende mate groepen, groepjes, actiecomités en one-issue-organisaties die zich gingen inzetten voor bepaalde deelbelangen: onder andere Vrouwen tegen verkrachting, Vrouwen tegen Seksueel geweld, Vrouwen bellen vrouwen, Landelijk Platform Kinderopvang, Vrouwen in de Overgang (VIDO), Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving (VOS), Feministische Oefengroepen Radicale Therapie (FORT), Landelijk Steunpunt Vrouwen Werk, en het Vrouwennetwerk, dat vrouwen in leidinggevende functies een informeel circuit wil bieden waarin zij elkaar steun voor hun carrière kunnen geven.
Al met al is de vrouwenbeweging verbreed, maar heeft ze ook een sterk verbrokkeld karakter gekregen, zowel in doelen als in organisatievormen. Voor een vereniging als MVM, die zich altijd heeft beziggehouden met het totale emancipatiebeleid, was geen plaats meer. In oktober 1988 werd MVM zelfs opgeheven, omdat het model van de actiegroep niet meer werkbaar bleek en tal van leden hadden opgezegd. Wel werden op concrete punten soms coalities tussen vrouwengroepen gesloten, zoals het Breed Platform Vrouwen voor Economische Zelfstandigheid, een samenwerkingsverband en overlegorgaan van veertig grote en kleine vrouwenorganisaties. Dit Platform, dat in 1982 werd opgericht, stelt zich ten doel door gezamenlijke activiteiten en gezamenlijke stellingname de politieke en maatschappelijke organisaties te overtuigen van de noodzaak van economische zelfstandigheid van vrouwen.
Het ontbreken van gemeenschappelijke strijdpunten en van een dominante stroming binnen de huidige vrouwenbeweging heeft ertoe geleid dat regelmatig de vraag wordt gesteld of het feminisme nog bestaat. Weliswaar is er een toenemende verbreding van het feminisme, maar ook een vervaging van feministische doelen en actievormen. Het elan uit de jaren zeventig lijkt verdwenen. Het lijkt erop dat de feministische beweging minder radicaal is geworden. Grote acties worden niet meer gehouden en de standpunten lijken minder extreem. Het spectaculaire karakter van weleer is afgezwakt. Emma Brunt: "Er wordt niet meer gedemonstreerd, de praatgroepjes zijn uiteengevallen, omdat langzamerhand alles wel gezegd was, en de ruzies over de juiste ideologische lijn, die in de beginfase zo hartstochtelijk werden uitgevochten, hebben plaats gemaakt voor een sfeer van verzoening, redelijkheid en nieuw realisme." 1
Vooral door de veelheid van groepen en initiatieven wordt de beweging ongrijpbaar en minder zichtbaar. Een breed gedragen conceptie over hoe de maatschappij veranderd moet worden, ontbreekt. Marijke Prins: "Het lijkt erop dat er een tendens ontstaat in de vrouwenbeweging dat ieder voor zich (individuele vrouwen en groepen vrouwen) bezig is met het verwerkelijken van eigen doelstellingen en belangen. Wat de vrouwenbeweging voorheen tot een ‘beweging’ maakte, een gemeenschappelijke behoefte aan emancipatie en het inzicht een gezamenlijk doel te dienen, is aan het veranderen." 2
Toch kunnen we niet stellen dat de aandacht voor emancipatie wegebt. Door de veelheid van initiatieven is de samenhang van de vrouwenbeweging weliswaar niet sterk, maar er is hierdoor wel een breder draagvlak ontstaan. De feministische beweging was in de beginperiode actiever, maar had vanwege haar radicale wensen slechts een kleine aanhang. Dat is nu veranderd. Bovendien is in de afgelopen twintig jaar bereikt dat er tal van institutionele voorzieningen zijn gerealiseerd zoals vrouwenemancipatiebureaus, emancipatiewerksters, landelijke steunpunten, netwerken en platforms voor vrouwen.
Er is sprake van een toenemende institutionalisering van de vrouwenbeweging en van integratie in tal van maatschappelijke en bestuurlijke organisaties. Ook de invloed op het overheidsbeleid is toegenomen. Zo werd economische zelfstandigheid in de jaren tachtig de centrale doelstelling van het overheidsbeleid. Verder werden op universiteiten vrouwenstudies opgezet, en binnen politieke partijen en vakbonden kwamen vrouwengroepen die probeerden de positie van vrouwen te verbeteren langs parlementaire weg. Zelfs traditionele vrouwenorganisaties als de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen ontwikkelden een emancipatiebeleid. Twintig protestants-christelijke en rooms-katholieke vrouwenorganisaties besloten om meer samen naar buiten te treden, met de bedoeling een convent van christelijke vrouwenorganisaties op te richten dat invloed wil uitoefenen op de beleidsmakers van de samenleving, ook op het gebied van emancipatie.
Slot
De spanning tussen gelijkheid van mannen en vrouwen enerzijds en vrouwelijkheid anderzijds, tussen gelijkheid en verschil, vormt een centraal vraagstuk in het tweedegolf-feminisme. In de jaren zeventig wisten feministen zich ondanks hun onderlinge controversen verenigd door een gemeenschappelijke woede over de vrouwenonderdrukking. De jaren tachtig staan in het teken van de onderlinge verschillen, waarbij de gemeenschappelijkheid steeds meer een vraag dan een uitgangspunt vormt.
Eén van de belangrijkste woordvoersters van de tweede emancipatiegolf, Anja Meulenbelt, heeft in 1988 in een door het feministisch maandblad Opzij georganiseerde Joke Smit-lezing zelfs scherpe kritiek geleverd op het geforceerde gelijkheidsstreven. Het is volgens haar "niet voorbehouden aan de ene groep vrouwen om voor de andere groep vrouwen vast te stellen wat hun prioriteiten zijn, hoe hun emancipatie er uit zou moeten zien." We moeten volgens haar meer oog hebben voor het feit dat de weg naar zelfstandigheid en zelfbeschikking voor veel vrouwen heel verschillend kan zijn. "Waar we de gelijkheid tussen vrouwen proberen af te dwingen, belemmeren we de ander in haar vrijheid. Elke poging om een eenheid te forceren, sluit per definitie vrouwen uit en daarmee verspelen we ons belangrijkste ideaal: dat de vrouwenbeweging er in principe is voor alle vrouwen," aldus Anja Meulenbelt, die meer pleit voor een pluriforme en veelkleurige dan voor een eensgezinde vrouwenbeweging.
In een interview met het Reformatorisch Dagblad (19 maart, 2 en 16 april 1982) had mevrouw dr. mr. F.T. Diemer-Lindeboom al eerder, maar vanuit andere motieven, soortgelijke kritiek laten horen: "Een sterke sturing in de richting van een eenheidsrol zal ongetwijfeld tot allerlei frustraties leiden. Kan zelfs werken als een nieuwe vorm van onderdrukking, die binnengehaald wordt onder het vaandel van juist afwijzing van elke vorm daarvan. De verrijking van de eigenheid van zowel de man als de vrouw dreigt zo teloor te gaan." Met dit laatste bedoelde dr. Diemer niet het verschildenken te bepleiten, maar een wederzijds oog hebben als man en vrouw voor elkaars behoeften, een respecteren van elkaars eigenheid. In hetzelfde interview merkt ze op dat de emancipatiebeweging ten dele een – zij het veel te ver doorgeschoten – reactie is op een bepaalde scheefgroei in de verhouding van de gezinsverantwoordelijkheden van man en vrouw, in die zin dat de vrouw vaak werd ingekapseld binnen huwelijk en gezin en de taken van man en vrouw te veel gescheiden waren.
Beperking van de taak van de vrouw tot echtgenote en moeder heeft vaak aanleiding gegeven tot het onvoldoende ontwikkelen van andere gaven en het laten liggen van maatschappelijke taken. De beperking van de taak van de man tot zijn arbeid heeft vaak geleid tot een verwaarlozing van zijn plichten en taken als vader en echtgenoot. Maar de in Genesis 1 gegeven opdracht geeft God aan man en vrouw samen. Het is een opdracht waar ze samen verantwoordelijk voor zijn. Samen moeten man en vrouw hun gaven dienstbaar maken in huwelijk, gezin, kerk en maatschappij. Dr. Diemer verdedigt terecht de stelling dat wanneer de christenheid de vrouw die plaats had gegeven die haar bijbels en dan vooral nieuwtestamentisch toekomt, er nooit enige sprake behoefde te zijn geweest van emancipatiebewegingen.
Wel moeten we stellen dat de huidige emancipatie- en feministische stromingen zijn doorgeslagen en een verandering van waarden nastreven, waarbij we grote vraagtekens kunnen plaatsen. Duidelijk is dat er een verzet is tegen de door God gegeven scheppingsordening met betrekking tot seksualiteit, huwelijk en gezin. Zowel de gelijkheidsideologie als de individualiseringsideologie, waarin begrippen als zelfbeschikking, zelfverwerkelijking en onafhankelijkheid centraal staan, zijn in strijd met wat de Bijbel ons leert. Man en vrouw zijn volgens de Bijbel immers mensen die elkaars hulp nodig hebben en binnen het huwelijk een twee-eenheid vormen. Ze zijn wederzijds van elkaar afhankelijk en samen verantwoordelijk.
Noten
- E. Brunt, ‘Haalt de vrouwenbeweging het jaar 2001?’ in Is het werk gedaan? De vrouwenbeweging in 2001 (bundel Vereniging van Vrouwen met Academische Opleiding) (Utrecht 1988), 63-68, hieruit 63.
- M.C.J. Prins, Emancipatie van vrouwen in beweging. Emancipatie als (be)sturingsvraagstuk (1974-1989) (Groningen 1989) 31.
Literatuur
- H. d’Ancona (red.), Vrouwenlexicon, Tweehonderd jaar emancipatie van A tot Z (Utrecht 1989).
- A. van Baalen en M. Ekelschot, De geschiedenis van de vrouwentoekomst (Amsterdam 1980).
- E. Blok, Loonarbeid voor vrouwen 1954-1955 (Nijmegen 1978).
- C. Brinkgeve en M. Korzec, ‘Margriet weet raad’ in Gevoel, gedrag, moraal in Nederland, 1938-1978 (Utrecht/Antwerpen 1978).
- E. Brunt, ‘Haalt de vrouwenbeweging het jaar 2001?’ in Is het werk gedaan? De vrouwenbeweging in 2001 (bundel Vereniging van Vrouwen met Academische Opleiding) (Utrecht 1988) 63-68.
- A. Meulenbelt, Feminisme en socialisme (Amsterdam 1978).
- A. Meulenbelt, ‘Wat is er met de vrouwenbeweging gebeurd?’ in Wat is er met de vrouwenbeweging gebeurd. De Joke Smit-lezingen (Amsterdam 1989).
- C. Oudijk, Sociale atlas van de vrouw (Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag 1983).
- T. van der Poel, ‘’t Is maar een naamkaartje. De geschiedenis van de fem-soc beweging’ in Marge (april 1985) 35-41.
- M.C.J. Prins, Emancipatie van vrouwen in beweging. Emancipatie als (be)sturingsvraagstuk (1974-1989) (Groningen 1989).
- A. Ribberink, ‘Het onbehagen verklaard. Oorzaken van de tweede feministische golf’ in Intermediair 22 (1986) 39-43.
- A. Ribberink, ‘De spanning tussen gelijkheid en verschil. Twintig jaar feminisme in Nederland’ in Socialisme en democratie 45 (1988) 5, 145-155.
- J. Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen. Teksten 1967-1981 (Amsterdam 1984).
- M. Verkerk, ‘Tussen produktie en reproduktie, Achtergronden van de socialistisch-feministische beweging’ in Radix 11 (1985) 69-103.
- P. de Vries, ‘Het persoonlijke is politiek en het ontstaan van de tweede golf in Nederland 1968-1973,’ in Socialisties-Feministiese Teksten 10 (Baarn 1987) 15-35.
- Gedwongen gelijk te zijn? Emancipatie en overheidsbeleid (Groen van Prinsterer Stichting, Groningen 1985).