“Duister overwint niet door moordpartij in 1944”

Een boek schrijven is moeilijk. Maar een boek over de Tweede Wereldoorlog schrijven is de overtreffende trap daarvan. Historicus en docent Constant van den Heuvel (46) merkte dat zijn boek Het kruis op de berg. De fusillade van 20 november 1944 tussen Rhenen en Veenendaal (uitgeverij Matrijs, Utrecht), over de moord op zes verzetsmensen, door zijn ziel is gegaan. “Deze zes mannen, “Todeskandidate” uit de gevangenissen Weteringschans in Amsterdam en Wolvenplein in Utrecht, zijn bruut mishandeld. Vervolgens kwamen ze op 20 november 1944 voor het vuurpeloton te staan, onderaan de berg, langs de weg van Veenendaal naar Elst. Ik heb door mijn bronnen meer gruwelijks gelezen en gehoord dan in het boek staat. Normaal moet je als historicus kritisch afstand houden tot je onderwerp. Maar hier kon dat niet altijd. Deze gebeurtenissen schieten door je dekking heen.”

Jan Grisnich en Ardjan Logmans

Constant van den Heuvel, schrijver van het boek Het kruis op de berg, met de Bijbel van ds. Ader. Beeld Peter Siebe, EO

Constant van den Heuvel, schrijver van het boek Het kruis op de berg, met de Bijbel van ds. Ader. Beeld Peter Siebe, EO

Van den Heuvel ondersteunt zijn verhaal met brede armgebaren. In zijn prachtige hoekhuis in Veenendaal nodigt de bank in de woonkamer tot onderuitzakken. Maar Van den Heuvel kan dat niet. In zijn enthousiasme en betrokkenheid kan hij niet anders vertellen dan op het puntje van de bank. Vaak neemt hij een lange aanloop tot zijn antwoord. Geen probleem voor deze woordenwaterval, zoals hij zichzelf noemt. Net voordat je als interviewer wilt ingrijpen, smeedt hij alle zojuist vertelde details met enkele slotzinnen aaneen tot een antwoord.

Nog elke dag krijgt Van den Heuvel mails binnen naar aanleiding van de publicatie van zijn boek, in mei van dit jaar. Als represaille werden de zes zonder vorm van proces neergeschoten. “Door mijn onderzoek kreeg ik toegang tot netwerken van hoogbejaarde Nederlanders, Joodse Nederlanders, Indische Nederlanders, en geprofessionaliseerde onderzoekers zoals wetenschappers van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Allen hadden wat met de zes personen. Bovendien ontdekte ik rondom de zes nieuw oorlogsmateriaal, zoals de bevrijdingspoging van kamp Westerbork in 1944. Dat lokt weer nieuw onderzoek uit.” (Zie kader).

De fascinatie voor de oorlog draagt Van den Heuvel al van kindsbeen af bij zich. Hij bevroeg zijn ouders en grootouders erover. Maar omdat hij de verhalen uitde tweede hand hoorde, bleef de oorlog voor hem op afstand. Totdat zijn vader hem tijdens een ritje in de auto attendeerde op een kruis langs de weg, net buiten Veenendaal. “Daar zijn in de oorlog mensen vermoord,” wees hij. “Opeens werd de geschiedenis tastbaar en kon ik de verhalen verbinden aan een concrete plek. Dat heeft me niet meer losgelaten.”

Om de zoveel tijd kruiste het monument zijn weg, wat ertoe leidde dat Van den Heuvel op onderzoek uitging. Als eerste vond hij informatie over de hervormde predikant Bas Ader. Over zijn leven verscheen in 1947 Een Groninger pastorie in de storm. En een van de gemeenteleden van de Christelijke Gereformeerde Pniëlkerk, waar hij toen kerkte, had belijdeniscatechisatie van hem gehad. Ook Philip de Leeuw was vindbaar. Diens weduwe, Betty Bausch-Polak (inmiddels 96 jaar) schreef in 2004 een boekje over haar vermoorde echtgenoot. “Zij was het die als het ware uit de geschiedenis mijn leven en mijn onderzoek binnenstapte. Dat deed ze door me te mailen, haar archief uit te lenen en me in contact te brengen met mensen rond het verzet in de oorlog.” Ze spreekt inmiddels regelmatig in Veenendaal, na het eerste contact in 2012 per e-mail:

“Ondanks mijn hoge leeftijd, bijna 93, treed ik nog steeds op, in het bijzonder voor jongeren, scholieren, studenten om over die tijd te spreken en over de gevolgen van discriminatie. Het geeft mij veel voldoening, want de interesse en de openheid van jongeren is iedere keer verbazingwekkend en ontroerend (…). Van 14 april tot 7 mei as ben ik in Nederland en ik ben bereid naar uw school te komen om er zelf over te vertellen. De Meidagen breng ik altijd in Nederland door om de herdenkingen bij te wonen.”

Over de beoogde doelgroep van het boek blijft Van den Heuvel wat vaag. Hij geeft aan dat er niet één bepaalde doelgroep is, maar dat er meerdere zijn. Door het wetenschappelijke bronnenonderzoek is het boek voor collega-historici interessant, schat hij in. Inwoners uit Veenendaal en het omliggende gebied lezen in het boek meer over het verhaal achter het monument op de Veenendaalse berg. En scholieren leren meer over hun regionale geschiedenis, zodat het verleden voor hen tastbaar wordt. “Ik schreef het ook voor de nabestaanden, zodat hun geschiedenis is geboekstaafd. Zo interviewde ik Wilma Meissner-Gerlach, zij was destijds als tiener koerierster in het verzet. Ze zei: “het is nog altijd een trauma voor me.” Anderen zagen de zwarte auto’s met de soldaten en de zes gevangenen wegrijden naar het Schupse Bos; hebben de mannen zien uitstappen, hoorden de schoten, vervolgens de genadeschoten en hebben soms ook nog de verminkte lichamen gezien. Maar vooral waren er veel dingen niet duidelijk voor de nabestaanden. Veel vragen bleven decennia onopgelost. Ik hoop dat dit boek verhelderend en therapeutisch werkt.”

Aan de persoonlijke verwerking van het boek is Van den Heuvel nog niet toegekomen. Tijdens zijn onderzoek sliep hij soms slecht. Toen hij zich bezighield met het lot van het peutertje Bas Jan Ader, werd hij emotioneel.

“De kleine Bas Jan heeft landwachters op zijn kamertje moeten dulden, de dreiging gevoeld en maakt een overhaaste vlucht mee, waarbij hij in twee dagen in vier verschillende bedjes slaapt. Kinderen kunnen om minder hun leven lang belast blijven. Hoe het ook zij, op een nieuw logeeradres, komt het er allemaal uit. Mentaal en fysiek: ‘Moete na huis toe, Mamma, moete na huis toe.’ Het mannetje begint vervolgens te braken en alles zit eronder. Mamma verschoont alles. ‘In Mamma’s bed. Ik ben Mamma’s lieve diertje.’”

“Dat raakte me, omdat ik zelf een dochtertje heb van drie jaar. Ik zag haar opeens in diezelfde situatie geplaatst. Voor mijzelf heb ik nog geen tijd gehad het onderzoek te verwerken, om al dat onrecht, geweld en de dood te laten landen in mijn leven en er ook een persoonlijk geloofsantwoord op te vinden. Het lijkt wel een beetje op Job. Zijn vrouw en zijn vrienden begonnen over God, maar hijzelf kon dat nog niet. Wel was het schrijven van het boek natuurlijk ook voor mijzelf goed, na alle bronnen met verschrikkingen te hebben doorgenomen.”

U hebt zowel slachtoffers als daders met naam en toenaam genoemd. Past dat wel?

Bas-Jan Ader en zijn moeder. Beeld Uitgeverij Matrijs

Bas-Jan Ader en zijn moeder. Beeld Uitgeverij Matrijs

“Ik vind dat de nabestaanden van de slachtoffers zeventig jaar na dato alles mogen weten. Dat is geen ‘naming and shaming’. Tenslotte komen de namen toch boven water. Ze hebben recht op maximale openheid en ik hoop dat daarvan een helende werking uitgaat. Bovendien noemt de Bijbel mensen ook met naam en toenaam, ook al levert dat imagoschade op. Daarbij is het ook voor de nabestaanden van de daders beter. Zij leven min of meer in de slagschaduw van de oorlogsmisdaden van hun ouders. Dan kun je je alleen verstoppen. En dat hoeft niet. Ik heb letterlijk in het voorwoord geschreven dat de nabestaanden van de slachtoffers deze kinderen niets kwalijk nemen. Hopelijk stimuleert het boek om een ander mens te zijn.”

U bent in het boek begaan met de zes slachtoffers. Botst dat niet met de neutrale houding van de historicus?

“In de bronnen lees ik waarom deze mensen en anderen zich verzet hebben tegen de nazi’s. De bronnen geven weer hoe ze soms twijfelden aan hun eigen veiligheid en aan die van hun gezinsleden. Toch hielpen ze anderen die hen nodig hadden. Soms ontdek ik en détail hoe ze werden gemarteld en zichzelf opofferden voor anderen. Tegelijkertijd zie ik de wandaden van de nazi’s en pro-Duitse Nederlanders. Neem SD-man Co van Joolen, die zeer vijandig stond tegenover het christelijk geloof. Van Joolen roofde de bezittingen van anderen, liet toe dat een Christusbeeld kapot werd gegooid en spotte openlijk met God.”

“Van Joolen had zich ook al eens in het hart laten kijken in brieven aan zijn broer. Zo doet hij in februari 1943 verslag van een kerkdienst, die hij als provocateur bijwoonde. Aan zijn broer Jaap schrijft hij: ‘Heb 7 psalmen gegild en daverende preek (…). Voel me nu schoon en zondenvrij en een broeder in den Heere.’ Schijnbaar botsen er in dit hele drama ook andere krachten.”

Wat bedoelt u met die laatste zin?

“Ik heb vroeger binnen de Vereniging van Christen-Historici veel nagedacht over de hand van God in de geschiedenis. Voorzichtig probeer ik met die laatste zin daarnaar te verwijzen.”

Is een historicus wel bij machte de hand van God te ontwaren?

“Ik geloof in goddelijke leiding, maar in het waarnemen ervan geloof ik dat we slechts lichtflitsen kunnen zien, waardoor we eventjes meer zien dan ons eigen beperkte blikveld. Van de hervormde predikant en historicus ds. Cock Blenk heb ik geleerd om niet zozeer God direct te zoeken in de geschiedenis, maar naar getuigenissen over Hem. “Ga eerst maar eens zoeken hoe historische personen God hebben ervaren,” zei hij.”

En hoe werkte u dat uit in uw boek?

De moord op de zes mannen wordt jaarlijks herdacht. Beeld Uitgeverij Matrijs

De moord op de zes mannen wordt jaarlijks herdacht. Beeld Uitgeverij Matrijs

“Als dominee Ader of zijn vrouw schrijven dat ze God hebben ervaren, dan laat ik dat staan. Ik schrijf niet: Ader had veel steun aan zijn religieuze denkbeelden. Nee, hij had steun aan God. Daar ging het Ader om. Ik kan niet tegen besmuikt praten over God. En ook niet tegen het wegpoetsen van zulke geloofsopvattingen in het historisch onderzoek. Alsof geloof geen motief kan zijn voor het handelen van mensen. Te lang had het geloof in de geschiedwetenschap die status van onbetrouwbaarheid. En ja, lezers mogen weten dat ook ik in die God geloof. Als iemand iets goeds over Hem te melden had, heb ik dat met vreugde doorgegeven.”

Vormt u het verhaal dan naar uw eigen geloofsopvattingen?

“Nee, absoluut niet. Want het meest indrukwekkende verhaal heb ik laten lopen. Er zijn twee bronnen die melden dat dominee Ader het Onze Vader heeft uitgesproken, vlak voordat het moordpeloton zijn werk zou doen. Maar wie van deze personen heeft het gebed echt gezien of gehoord? Omstanders stonden op afstand. Het verhaal zou me geweldig van pas zijn gekomen. Ik had het een indrukwekkend geloofsgetuigenis gevonden. Maar ik kan het niet hardmaken. Daarom heb ik slechts in een noot vermeld dat dit verhaal de ronde doet. Het is ook de taak van een christelijke historicus, en natuurlijk van elke historicus, om zuiver met de bronnen om te gaan.”

Hebt u voor de volledigheid ook de innerlijke verwerking door Joodse en niet-christelijke slachtoffers en nabestaanden opgenomen?

“Daar zijn helaas geen bronnen van. Wat ik niet weet, kan ik niet melden. En psychologiseren wil ik niet. Noch van de Joodse Philip de Leeuw, noch van de anderen heb ik zoiets gevonden. Ik weet wel dat Crébas in Nieuw-Beerta, een kennis van Ader, het er geweldig moeilijk mee heeft gehad. En Pauline Broekema laat dat ook zien in haar boek Het Boschhuis, over de geschiedenis van de familie van slachtoffer Pieter ter Beek. Dat was een christelijke familie en Broekema heeft oog voor hun vragen en worstelingen. Bij anderen merkte ik een enorme zwijgzaamheid. Nabestaanden van Victor van den Bergh gingen uit wraak op zoek naar de daders. Misschien is dat ook een diepe drijfveer geweest. Ik heb de slachtoffers en de omstanders niet christelijker gemaakt dan ze waren. Bij de jaarlijkse herdenking wordt daarom ook niet gebeden. Dat lijkt op het claimen van de gebeurtenissen en van de nabestaanden, die vaak niets meer met het geloof hebben.”

Soms geeft u inkleuring aan de gebeurtenissen, bijvoorbeeld door de prijs van het verraad te vergelijken met de dertig zilverlingen bij de arrestatie van Jezus.

Het in 2015 verschenen boek van Van den Heuvel. Beeld Uitgeverij Matrijs

Het in 2015 verschenen boek van Van den Heuvel. Beeld Uitgeverij Matrijs

“Je proeft hier en daar mijn bitterheid, mijn pijn. Dan heb ik die woorden, soms ook bittere humor, nodig. Ik ben een historicus, maar ook een mens. Dat laatste moet je niet weglaten. Soms loop je ook tegen heel bijzondere dingen aan. Binnen de vierkante kilometer, waar de zes zijn gefusilleerd, is het Juliana Ziekenhuis verrezen, inmiddels opgegaan in Ziekenhuis Gelderse Vallei, waar ik ben geboren. De plek van hun dood werd daarmee voor mij en veel anderen een plek van leven.”

“Het is alsof de bemoedigende woorden van 21 november 1944 aan de toen al overleden predikant Bas Ader een profetie hebben bevat: ‘God heeft de hoop dus nog niet opgegeven. Daar Hij steeds maar weer kinderen geboren laat worden. Laten wij dien hoop dan ook steeds blijven hanteren.’ (…) Merkwaardig… ik wilde iets weten over de dood van zes anderen en dwars daar doorheen kom ik uit bij mijn eigen geboorte. En bij de geboorte van heel veel mensen om mij heen. ‘Een moord kan nooit het laatste woord zijn, is nooit het einde, eerder het begin.’ Na de herfst, de lente. Na de dood, het leven. Na de nacht, de dag. Na gevangenschap, Exodus. Na Golgotha, toch Pasen. Na het requiem, toch de juichtoon. ‘Laten wij dien hoop dan ook steeds blijven hanteren’, schrijft die zekere Joop de dag na de fusillade. Hij had gelijk. Nog altijd.”

“Dat briefje aan Ader heeft hem nooit meer bereikt, want op 20 november stierf hij. Eigenlijk is het daarmee geschreven voor ons. Hier heb je zo’n getuigenis hoe iemand God ervaart en daardoor bemoedigd wordt. Het is ragfijn. Als je het briefje te feitelijk onderzoekt, maak je het heilige kapot. Ik beschouw het als een bemoediging dat God het verkeerde omdraait in iets nieuws. Als je vraagt wat de boodschap van het boek is, dan is het dit: de dood, het duister, het demonische heeft niet het laatste woord. Toch niet.”


PERSONALIA

Constant van den Heuvel (1969) haalde zijn doctoraal Geschiedenis en eerstegraads bevoegdheid aan de R.U. Utrecht. In de periode 1996-2003 gaf hij les aan de Christelijke Scholengemeenschap Prins Maurits in Middelharnis en Stellendam. Sinds 2003 is hij docent geschiedenis en staatsinrichting aan het Ichthus College in Veenendaal. Hij was bestuurslid van de VCH met de portefeuille Onderwijs en schreef regelmatig voor Transparant. Op de site www.hetkruisopdeberg.nl geeft hij actuele informatie omtrent zijn onderzoek en het monument.


Dit interview verscheen in het septembernummer van Transparant (nr. 26.3).