"Aldus leden der kerk, nuttige burgers van de staat"
De opvattingen van Groen van Prinsterer over burgerschap
Meulen, G. van der
De negentiende eeuw wordt ook wel de 'eeuw van de burger' genoemd. Eén van de redenen daarvan is dat burgerschapsvorming in deze periode een grote rol speelde. Ook in de huidige tijd is er veel aandacht voor burgerschap en het onderwijs is verplicht daar tijd aan te besteden. In de negentiende eeuw waren het vooral de liberalen die het zogenaamde deugdzame burgerschap propageerden. In dat kader is de vraag interessant welke opvatting Groen van Prinsterer (1801–1876) als tegenstander van de liberalen over burgerschap had.
Hoewel zijn opvattingen over burgerschap en vaderlanderschap regelmatig doorklinken in zijn werken, heeft Groen geen van zijn publicaties expliciet gewijd aan burgerschap. Tot nu toe hebben de vele historici voor wie Groen onderwerp van studie is geweest, dat ook niet gedaan. Daarom wordt in dit artikel een poging gedaan om uit een verzameling van gegevens de opvattingen van Groen hierover te destilleren en te analyseren. Daarbij zullen ook de internationale invloeden op het denken van Groen van Prinsterer aan de orde komen. Ook wordt besproken op welke manieren hij het burgerschap wilde bevorderen en welke taak hij in dat opzicht zag weggelegd voor het onderwijs.
Als uitgangspunt wordt burgerschap gedefinieerd als het (leren) deelnemen aan en verantwoordelijkheid dragen voor de publieke zaak. In dit artikel wordt gebruikt gemaakt van vier dimensies die Evelien Tonkens (bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam en betrokken bij de stichting Actief Burgerschap) hanteert: emancipatie, maatschappelijke verbanden, deelname aan het openbaar debat en/of maatschappelijke zorg en oriëntatie op algemeen belang. Hoewel dit begrippen zijn die gehanteerd worden om het burgerschap in de eenentwintigste eeuw te definiëren, kunnen deze dimensies ook worden gebruikt om Groens denkbeelden over burgerschap te beschrijven en te analyseren.
Emancipatie
De dimensie emancipatie is te onderscheiden in het ontwikkelen van rechten van de burger en de eigenschappen die mensen tot burgers maken. Wat betreft de rechten voor burgers was Groen geen voorstander van het algemeen kiesrecht. Wel was hij voor directe verkiezingen, zoals in de grondwet van 1848 was vastgelegd. Hij vond het belangrijk dat een natie meeleefde met de gang van zaken in de politiek. Ook andere grondrechten, zoals vrijheid van godsdienst en onderwijs, waren dierbaar voor Groen. De verworven gewetensvrijheid was volgens hem één van de oorzaken van de voorspoed van Nederland. Bovendien koesterde hij sympathie voor het principe van volksinvloed, die door hem werd gezien als een Nederlands beginsel. Demonstraties tijdens de Aprilbeweging in 1853 zag hij als "nog niet uitgedoofde beginselen van godsdienst en nationaliteit". In dit verband gebruikte Groen een aantal keren het woord 'emancipatie' en dan had hij vooral het oog op gelijke rechten voor katholieken, gereformeerden en hervormden.Over het recht van petitie is hij steeds positiever gaan denken. Zo stimuleerde hij de petitieacties tegen de onderwijswet van Van Reenen (van 1853-1856 minister van Binnenlandse Zaken), die betrekking had op een gemengde maar godsdienstloze openbare school. Hij noemde de petities "een ontwaken der politieke consciëntie van een grotendeels christelijke bevolking". Uiteraard vond Groen het wel nodig dat er sprake was van een bewuste daad, dat er in persoonlijke verantwoordelijkheid een handtekening werd gezet onder een petitie.
Competenties
De competenties die een burger diende te bezitten, moesten volgens Groen worden gezocht bij het protestants-christelijke geloof zoals dat ten tijde van de Reformatie werd beleden. In de Reformatie lag volgens Groen de levensadem van onze nationaliteit. Thorbecke was hierin de tegenstander van Groen omdat hij het fixeren op de Reformatie zag als een rem op de verdere ontwikkeling van het christendom en Nederland. Maar volgens Groen moest er een besef komen dat mensen van nature zondig zijn. Door te luisteren naar de prediking zoals Groen die voorstond kon een christen zijn persoonlijkheid ontwikkelen om zo zijn verantwoordelijkheid in de maatschappij te nemen.
Deze houding, de echte nationale trekken – zoals Groen het noemde – of een christelijk-nationale geest, was volgens hem te vinden bij het gewone volk. De conservatieven en liberalen betoonden volgens Groen vergaande minachting ten aanzien van de volksmassa, terwijl hij juist aandacht vroeg voor het geloof en de "pligtbetrachting van het gewone volk". Hij vroeg om eerbied voor de denkbeelden "van den geringen man". Groen ging uit van een omgekeerd burgerschap. Waar de liberalen van mening waren dat het gewone volk de waarden en normen van de hogere burgerij moesten overnemen, was Groen van oordeel dat de hogere klassen bij de lagere klassen in de leer moesten gaan. Hij geloofde dat er op die manier zelfbewuste burgers zouden komen die handelden vanuit een christelijk geweten.
Het complete artikel lees je op de website van de Gereformeerde Hogeschool of in Transparant 22.3 (2011).
Jaargang 22 (2011) No 3
Trefwoorden: Groen van Prinsterer, 19e eeuw, Onderwijs.
