Calvinist tussen ontkerstende collega's
A.Th. van Deursen laat zich niet annexeren door het klein-rechtse gereformeerde wereldje. Hij is gereformeerd, maar geen gereformeerde mannenbroeder. Hij schreef over thema's die in de gereformeerde traditie de harten sneller deed kloppen, maar zijn invalshoeken werden er soms betreurd. Ook daarbuiten incasseerde hij kritiek, maar dan juist omdat hij een gedateerd verzuild historicus zou zijn.
Als een onvermoeid voorvechter voor eerlijke en ontzuilde geschiedschrijving bleef Van Deursen echter dezelfde calvinist tussen ontkerstende collega’s, betoogt prof. Gerrit Schutte. Hij sprak deze lezing vorig jaar november uit bij de boekpresentatie De geest is meer dan het lichaam, een bundel essays van Van Deursen, verzameld door drs. Ton van der Schans.
Een nieuwe bundel van Van Deursen – dat is de moeite waard om ervoor bijeen te komen. Want ieder erkent het: Van Deursen is uniek, een historicus met een geheel eigen stijl. Kenner van de geschiedenis van de Republiek bij uitstek en van zoveel andere terreinen. Een nauwgezet onderzoeker en begenadigd auteur: leesbaar, verrassend, amusant en scherp. Hij bezit stijl: hij brengt de mensen van vroeger tot leven. Zijn geschiedschrijving is leerzaam, literatuur, een genot om te lezen. Zijn uitgever vult de flaptekst van zijn boeken met waardering, die van wijlen Kees Fens vooraan: "Ik vind Van Deursen groot."
De geschiedschrijver Van Deursen is een scherp cultuurcriticus. Schrijver van vervaarlijke columns, opzienbarende essays en dodelijk-kritische studies. Even prachtig geschreven, en daarom de moeite waard om te lezen, al is zijn cultuurkritiek wel erg gereformeerd en teveel klein-rechts. Aldus veel critici. Die kritiek sluipt intussen ook de waardering voor zijn geschiedschrijving binnen. De Leidse hoogleraar P.W. Klein verwoordde ze in 1992 nog heel vriendelijk: Van Deursen 'lijdt soms aan eenzijdige dwingende logica' en 'vraagt zich herhaaldelijk met licht gekwetste verbazing af hoe het toch komt dat de calvinisten telkens weer te boek staan als steil en star.' Maar naar aanleiding van de Huizinga-lezing (1994) was het oordeel geveld: de fundamentalistische gelovige overvleugelt steeds meer de historicus Van Deursen. Teleurstelling, ontevredenheid en zelfs boosheid was te horen op de Vrije Universiteit over zijn studie over het ontstaan van deze universiteit. Men vond het boek Een hoeksteen in het verzuild bestel een bekrompen verhaal, bevooroordeeld en eenzijdig, met alleen belangstelling voor achterhaalde opvattingen, het steile gereformeerdendom en mannenbroeders als Kuyper, Colijn, Dooijeweerd en De Gaay Fortman ‘grote mannen geschiedenis’ dus, zonder enig oog voor de terechte eisen van de studenten. In 2006 vatte Wim Berkelaar, medewerker van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit, dat soort oordelen samen in boude uitspraken als: Van Deursen is een polemist voor eigen parochie, een fundamentalist, een man van de verzuiling: "De orthodox-gereformeerde Van Deursen geniet ook onder seculiere lezers grote waardering. Maar het is vaak meer zijn stijl dan zijn argumentatie die overtuigt. Wetenschap en verzuiling gaan slecht samen. Als historicus heeft hij zich dan ook vertild aan de geschiedenis van zijn eigen universiteit."
Dit is niet de plaats om te vragen wat nu de precieze betekenis is van zo’n opmerking van Berkelaar, dat wetenschap en verzuiling slecht samengaan. In ieder geval wordt met deze opmerking ontkend dat Van Deursen een ware wetenschapper is. Hij is auteur van een verzuilde en niet overtuigende historiografie, een preker voor eigen parochie en verdediger van achterhaalde groepsopvattingen. Maar is dat beeld levensecht? Is Van Deursen de laatste der mannenbroeders?
Geen gereformeerd studiegezelschap
Van Deursen is opgegroeid in de gereformeerde zuil. "Het was een gezegende tijd", noteerde hij eens ietwat treiterig. Want de invulling die eraan vervolgens werd gegeven, vormt het tegendeel van het populaire denkbeeld van de verzuilde wereld: "Verzuiling dwong mensen van verschillende levensovertuigingen met elkaar samen te werken. Ze droeg bij tot het onderlinge begrip en de wederzijdse verdraagzaamheid." Het is ook zinvol, naast de stelling van Berkelaar een zinnetje uit De geest is meer dan het lichaam aan te halen: "Confessioneel engagement zonder wetenschappelijke integriteit doet meer schade dan nut, terwijl omgekeerd wetenschappelijke integriteit bestaanbaar is zonder confessioneel engagement." Gecombineerd met de bekentenis, dat de student Van Deursen tegen de verwachting van zijn leermeester P.J. van Winter in geen gereformeerd studiegezelschap oprichtte, mogen deze uitingen doen aarzelen omtrent Van Deursens verzuilde identiteit.
Die aarzeling wordt versterkt als men denkt aan de wereld die hij een kleine halve eeuw geleden instapte als historicus en hoogleraar aan de Vrije Universiteit. De universiteit was ook jaren na de Tweede Wereldoorlog nog steeds duidelijk een hoeksteen van de gereformeerde zuil en de hoogleraren waren nog steeds voormannen, leiding gevend aan het gereformeerde volksdeel – intellectueel, organisatorisch, politiek. De historiografische traditie (zowel bij de dominante kerkhistorici als bij die van de faculteiten letteren) was neocalvinistisch, antirevolutionair, christelijk-nationaal, gestempeld door Groen en Kuyper. De geschiedenis op de Vrije Universiteit was beperkt tot zuil-eigen onderwerpen als de Reformatie, de gereformeerde kerk in de zeventiende eeuw, de Franse Revolutie, Afscheiding en Doleantie, schoolstrijd en de gereformeerde emancipatie, minutieus bestudeerd en goed gekend – maar de kerkhistorici F.L. Rutgers, H.H. Kuyper en D. Nauta, de literatuur-historicus J. Wille en de hoogleraar geschiedenis A. Goslinga waren geen schrijvers van leesbare studies.
Na 1960 begon de groei en verbreding van de Vrije Universiteit. Er kwamen nieuwe faculteiten, vakken en studierichtingen. Ook begonnen theologen de vastigheden van vroeger te bevragen, de oecumene en wereldkerk werden verkend, er ontstond belangstelling voor de derde wereld en voor kritiek op de eigen wereld. Kortom, er klonk twijfel of meer dan dat over de kuyperiaanse denkwereld. Maar die nieuwe inzichten en kritiek op die traditie werden weloverwegend binnenshuis gehouden. De Vrije Universiteit en de hoogleraren vormden nog steeds een hoeksteen vol voormannen, ook van een geradicaliseerd of oecumenisch neocalvinisme.
Heilige huisjes terzijde
Wie Van Deursen en zijn werk zelfs maar een klein beetje kent, weet dat hij een ietwat vreemde eend was in die verzuilde, neocalvinistische omgeving van 1967. Hij stamde niet uit een VU-familie, had er niet gestudeerd, was geen lid van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een goed onderzoeker en productief auteur, dat wel, maar over onderwerpen die tamelijk vreemd waren aan de VU-geschiedschrijving: over verre van orthodoxe achttiende-eeuwse verlichte geschiedschrijving, over Nederlandse staatsinrichting en Franse geschiedenis. Niets paste hem bovendien slechter dan de rol van voorman die toen van een VU-hoogleraar nog steeds verwacht werd. Hij was en is geen mannenbroeder, geen man voor toogdagen, voor de politiek, zelfs niet voor bestuurder van christelijke organisaties. Hij vervulde zijn bestuurlijke verplichtingen binnen de VU en in de academische wereld, omdat die tot zijn functie behoorden, zijn analytisch vermogen is scherp genoeg, maar zijn afschuw van zaken als politiek, onderwijsmanagement, vechten en duwen is genoegzaam bekend, en samengevat in de herhaaldelijk door hem geuite wens, dat in Zoetermeer (toen de vestigingsplaats van het ministerie van Onderwijs) weer alleen melk en kaas werd geproduceerd.
Geen voorman dus, geen mannenbroeder, niet iemand die zich identificeerde met de neocalvinistische elite. Maar wel iemand die onbekommerd heilige huisjes en gevestigde posities uit de traditie terzijde zette. Voor hem hadden Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper niet het laatste woord.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 22 (2011) No 3
Trefwoorden: A.Th. van Deursen, Christenhistoricus, Geschiedfilosofie.
