Tijdfilosofie en geschiedbeschouwing
Stellingwerf, J.
Op 14 september 1996 staat in mijn agenda: 'Israëlisch Nieuwjaar (5757)'. Dat doet denken aan oude berekeningen van dag en uur van de schepping. Maar volgens het standaardmodel van de natuurkunde bestaat het heelal sinds de oerknal al 10 tot 20 miljard jaar. En volgens het standaardmodel van de biologie is de mens reeds een paar miljoen jaar geleden uit chimpanseeachtigen geëvolueerd. De informatie in onze agenda en de rubriek wetenschappen van enkele dagbladen plaatst ons voor vragen inzake de lange aanloop tot de geschiedenis.
Inleiding
De jonge kerk kreeg te maken met de vragen inzake de lange uitloop van de geschiedenis. In haar verwachting van een spoedige wederkomst van de opgestane Christa; werd ze door de voortgang van de geschiedenis beproefd. Petrus had het over de spot van hen, die vroegen: 'Waar blijft de belofte van zijn komst?' (2 Petr. 3:4). En na de kruisiging van Petrus schreef de evangelist Johannes over het gerucht onder de broeders, dat hijzelf niet zou sterven voor de wederkomst (Joh. 21:23). Maar de verwachting van de wederkomst belette Lucas niet om na zijn evangelie de geschiedenis te vervolgen met de Handelingen der Apostelen, want 'het is niet onze zaak de tijdperken of tijdstippen te weten, waarover de Vader de beschikking aan zich heeft gehouden' (Hand. 1:7).
Wie de evolutiewerkelijkheid van de kosmos en de aarde onder ogen ziet, ontdekt dat de Schepper en Vader van Jezus Christus toch nog veel grootser plannen had, dan wij vaak met de Joden en eerste Christenen menen. Onze kennis van de aanloop en de uitloop van de geschiedenis is evenzeer toegenomen als die van de uitgebreidheid en ingewikkeldheid van de schepping.
De Handelingen eindigen met het verblijf van Paulus in de hoofdstad van het Romeinse Rijk. Daarop volgde de dood van Petrus en Paulus, terwijl de bijbel eindigt met een kosmisch visioen. Zoals Abraham het met de belofte moest doen, eerst van een zoon, die pas in zijn ouderdom kwam, en toen van een volk en de verlosser ver na zijn dood, zo is ook nu de toekomst nog geheel open. In onze beperkte levenstijd moeten we het alleen met een belofte doen. Maar wel kunnen we het verleden onderzoeken. De toekomst is open, maar het verleden ligt vast. Wat voorbij is, gaat mee en heeft een zekere toegankelijkheid voor historisch onderzoek.
Ik meen dat het beoefenen van de geschiedenis om inzicht vraagt van de structuur van de tijd, waarmee de geschiedenis innig is verbonden. Omdat het probleem van de tijd een zenuw raakt van de wijsbegeerte en de wetenschappen, is het verstandig om de geschiedenis van het tijdsprobleem langs te gaan. Om een goed inzicht in ons onderwerp te krijgen wil ik een paar hoofdlijnen en kernelementen van die geschiedenis der wijsbegeerte en van geloofsinzichten schetsen.
De mythe van de onsterfelijke ziel
De mythe betreft een verhaal over goden en mensen, dat berust op geloofsfantasie. De mythe is een poging door taal het geheimzinnige, beangstigende, noodlottige en overmachtige van de natuur, de zee, de bergen, de wouden, het onweer en ongedierte te bedwingen. De mythe wordt daarin opgevolgd door de filosofie en de wetenschap in samenhang met het werk van de jager, de veehouder, de landbouwer en de zeevaarders, de stedenbouwers en leiders van clans, steden en staten. Ook woorden maken de natuur overzichtelijk en behandelbaar.
In de filosofie en de wetenschap blijft de mythe als element van geloofsfantasie voortbestaan omdat het ook daarin gaat om de relatie tot God en de natuur. In de filosofie en wetenschappen hebben zich, veelal verborgen, mythische elementen genesteld, terwijl D.H. Th. Vollenhoven terecht een traditie van mythologiserend denken onderscheidt. Bij die traditie kan men denken aan de Romantiek en aan auteurs als Nietzsche, Freud en in zekere zin ook Heidegger, aan denkers rondom Hitler evenals aan de gnostiek, antroposofie en New Age.
Wie Homerus en Hesiodus leest, bemerkt dat de huiver voor het heilige en goddelijke al vervangen wordt door het verhaal over de goden, over hun mensgelijke twisten en machtsstrijd. De vertelling ordent het goddelijke en geheime, zoals de boer zijn akker van stenen zuivert, ommuurt en bewerkt. In de filosofie zoekt men naar de natuurlijke elementen: water, aarde, vuur en lucht, naar de wiskundige regelmaat verwant aan de muziek (Pythagoras), naar een oplossing voor de blijvende logos in het veranderlijke (Heraclitus), naar een overwinning op hetvergankelijke in het eeuwige zijn (Parmenides). Het bedwingen van de natuur met haar jaarlijkse afsterven, het noodlot en de vergankelijkheid is de aandrift tot de filosofie. Het zoeken naar onvergankelijkheid noemt K. Kuypers daarom 'het religieuze grondmotief, waaraan zowel Plato als Aristoteles uitdrukking hebben gegeven'.
Als het religieuze grondmotief het zoeken naar onvergankelijkheid is, dan heeft tijd een negatieve betekenis. In het volgende citaat merkt Kuypers daarover in kort bestek veel op:
'Wanneer aan de wiskunde zulk een belangrijke plaats wordt toegekend in Plato's theorie van het zijn en van de ideeën, moet dit vooral ook hieraan toegeschreven worden, dat de wiskundige objecten geen deel hebben aan de tijd. Deze behoren derhalve ook tot het altijd zijnde, dat is dus de sfeer, waar de noodwendigheid heerst. Hoewel Aristoteles een nauw verband ziet tussen beweging, getal en tijd, heeft hij zich toch niet kunnen onttrekken aan de mythische gedachte, volgens welke de tijd een vernietigende werking heeft en alles door de tijd oud wordt en in vergetelheid geraakt. De tijd behoort nu eenmaal zowel bij Plato als bij Aristoteles tot de bewegelijke wereld. Terwijl deze niet anders dan als vergankelijk gedacht kan worden, wordt de oorsprong van deze vergankelijkheid gezocht in de tijd. Deze mythische voorstelling heeft een tegenhanger in de moderne leer, die aan de tijd een creatieve functie toekent'.
In dit citaat wordt de tijd tot tweemaal toe betrokken bij de mythe en gesteld tegenover het altijd zijnde.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Lees hier over Augustinus' niet-lineaire tijdbegrip
Jaargang 07 (1996) No 3
Trefwoorden: Augustinus, Evolutietheorie, Schepping.
