Schuld en boete na Hitler
De West-Duitse evangelisch-lutherse kerk in de naoorlogse jaren
Graaf, B. de
Moeten wij boete doen voor ons verleden? Over die vraag wordt de laatste tijd behoorlijk gediscussieerd. De behoefte aan historische schuldbelijdenissen lijkt te zijn gegroeid. De slavernij, het kolonialisme in Indonesië, de kruistochten uit de twaalfde en dertiende eeuw: het is allemaal verleden tijd en toch trekt men er nu nog het boetekleed voor aan. Vergeving vragen voor wat je verre voorouders hebben misdaan is echter gemakkelijker dan schuld te belijden die dicht bij huis ligt en die je zelf mede veroorzaakt hebt. Het voorbaeld van de Duitse christenen na de Tweede Wereldoorlog bewijst hoe zwaar zo'n daad kan zijn en hoe complex schuld verwerkt en beleefd kan worden.
Hoewel er over de zogenaamde 'Stuttgarter Schuldbekenntis', waarin de EKD in 1945 haar eigen schuld aan de misdaden van het Derde Rijk beleed, in het herdenkingsjaar 1985 van de hand van kerkhistorici veel literatuur verschenen is, is er nadien weinig meer gepubliceerd over de 'Vergangenheitsbewaltigung' – het niet te vertalen en omstreden Duitse begrip voor omgang met de last van het verleden – binnen de kerkmuren. Wel zijn de officiële 'Vergangenheitspolitik' van de Duitse regering en de verschillen de vormen van 'Vergangenheitsbewaltigung' in de samenleving in de jaren tachtig en negentig door historici uitgebreid beschreven. De nieuwe inzichten over de omgang met het verleden wil ik toepassen op de rol van de kerk in het debat over schuld, verzoening en 'Wiedergutmachung' in de eerste naoorlogse jaren.
In dit artikel zal worden stilgestaan hoe duidelijk die schuldbelijdenis was en welke werkingskracht ze had. Over de oprechtheid valt niet te oordelen, maar we kunnen ons afvragen in hoeverre de schuld echt concreet ter sprake kwam en of de belijdenis ook consequenties had voor de zuivering van het kerkelijk apparaat en voor de houding ten opzichte van het volk Israël. Eerst zal de context beschreven worden waarin de belijdenis tot stand kwam. Hoe 'schuldig' was de kerk na de Tweede Wereldoorlog en hoe stond de evangelischlutherse kerk er na de jaren van het naziregime voor? Was in 1945 het rad van de geschiedenis teruggedraaid en beheerste de lutherse kerk als vanuds de Duitse samenleving of was er sprake van een 'Stunde Null', een nieuw begin voor de kerk? Daarna zal worden ingegaan op de totstandkoming van de verklaring en op de consequenties daarvan voor de denazificatie en de 'Wiedergutmachung'.
'Stunde Null' voor de kerken?
Na de onvoorwaardelijke capitulatie op 8 mei 1945 was Duitsland een verslagen en verwoest land. Weinig was heel gebleven, maar op de puinhopen stonden hier en daar nog kerken overeind. Ook de kerkelijke tradities leken de oorlog overleefd te hebben. Te midden van de chaos schenen de kerken garant te staan voor continuïteit en orde. Zij behoorden tot de instanties (net als de Wehrmacht en de bureaucratie) die er in geslaagd waren om ondanks de totalitaire aanspraken die er van de nationaal-socialistische ideologie uitgingen, hun relatieve onafhankelijkheid te handhaven. Hitler besefte dat openlijke uitspraken voor vernietiging van de kerken grote onrust onder de bevolking zou veroorzaken. Een open confrontatie zou de vestiging van een dictatuur en het oorlogvoeren ernstig belemmeren. Na de oorlog stelde hij zich een 'grote afrekening' in het vooruitzicht. Natuurlijk betekende het voortbestaan van religieuze instanties die een fundamenteel andere wereldbeschouwing dan het nationaal-socialisme verkondigden, een doorn in het oog van de nazi's. Kerken en gelovigen werden consequent gehinderd, tegengewerkt en in individuele gevallen vervolgd. Maar de kerk als instituut en de godsdienst vrijheid verdwenen niet uit de Duitse samenleving.
Opvallend genoeg bleek de nazi-propaganda die de Duitse samenleving jarenlang overspoelde met haar gedachtegoed ook de traditionele (klasse)loyaliteiten nauwelijks te kunnen breken. Gedurende de jaren dertig liep het aantal kerkleden nauwelijks terug, integendeel, religieuze beleving en kerkbezoek namen in de laatste oorlogsjaren juist toe. De greep van de kerk op de bevolking, vooral in landelijke gebieden, werd door die strijd eerder sterker dan zwakker. Volgens de Britse historicus Ian Kershaw slaagden de nazi's er uiteindelijk slechts beperkt in om het Duitse volk van hun raciale, eugenetische en sociaal-darwinistische waarden – de kern van hun ideologie – te overtuigen. De kerk had de fakkel van het evangelie brandend gehouden.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 10 (1999) No 4 - themanummer Kerk en religie in Duitsland
Trefwoorden: Duitsland, Kerkelijke geschiedenis, Adolf Hitler.
