WebfeedRSS
Loading

Nieuwe inleiding tot de geschiedenis

Recensie

Paul, H.

n.a.v. Ger Harmsen, Nieuwe inleiding tot de geschiedenis (Nijmegen: SUN 1998) 190 blz., prijs fl. 29,50.

Ger Harmsen moet aan zijn Inleiding tot de geschiedenis een klein kapitaal hebben verdiend. Tussen 1968 en 1986 gingen niet minder dan 40.000 exemplaren van dit werk over de toonbank. Deze populariteit was ongetwijfeld te danken aan de heldere wijze waarop Harmsen het werk van de historicus wist te analyseren. Als een betrouwbare gids voerde hij zijn lezer door het landschap van de geschiedbeoefening, legde hij de vinger bij verradelijke voetangels en kruidde hij zijn betoog met aansprekende voorbeelden.



Historici laten hun landschap echter voortdurend veranderen. Omdat een gids hierop dient in te spelen, heeft Harmsen zijn Inleiding uit 1968 geactualiseerd. Hij voegde enkele passages toe – zodat nu zelfs de VCH ter sprake komt (115) – en herzag de delen die te nadrukkelijk uit de jaren zestig stamden. Ongewijzigd bleven de passages over het marxisme, waarvoor de auteur een bovengemiddelde belangstelling koestert. Hoewel historici zich gedurende de afgelopen decennia steeds minder op Marx hebben georiënteerd, houdt Harmsen vol dat sociaal-economische structuren fundamenteler en omvattender zijn dan culturele en wetenschappelijke 'evenementen' (105).

Ook ten aanzien van de huidige ontwikkelingen in de geschiedfilosofie schroomt de auteur niet tussen de regels door zijn eigen voorkeuren op tafel te leggen. Het verleden is tenminste voor een deel objectief kenbaar, stelt hij, en is geen tictie, '...zoals sommige 'postmodernistische' filosofen ons willen doen geloven...' (150). Hij hekelt voorts de louter theoretische discussies, waarin het 'handwerk' van de historicus nauwelijks een rol speelt (176). Het is in dit verband veelzeggend dat de naam van Hayden White, die al een kwart eeuw het geschiedfilosofische debat domineert, in het gehele boek niet voorkomt. Harmsen verwijst terloops naar Narrative logic van Frank Ankersmit, maar wekt niet de indruk dat hij deze invloedrijke dissertatie heeft gelezen. Hiermee stuiten we op een belangrijk manco in Harmsens werk. De geschiedfilosofische ontwikkelingen van de laatste tijd zijn vrijwel geheel aan de auteur voorbijgegaan. Harmsen is nog in discussie met Heinrich Rickert en Arnold Toynbee, waardoor hij het postmoderne denken en het narrativisme nauwelijks een blik kan waardig keuren. Weliswaar vallen geschiedfilosofie en historiografie enigszins buiten de opzet van de Inleiding (172), maar Harmsen vergeet dat het debat op deze terreinen belangrijke consequenties heeft voor de wijze waarop een historicus in zijn alledaagse werk tegen het verleden aankijkt. Een voorbeeld hiervan is de opkomst van micro-storie als Il formaggio e i vermi van Carlo Ginzburg. Harmsen heeft dit boek gelezen (29), maar schijnt zich niet te realiseren dat het geheel andere vooronderstellingen omtrent representativiteit hanteert dan de traditionele geschiedbeoefening.


 Download de complete recensie (pdf)

 Download de complete recensie (Word)


 Laatst gewijzigd: 26-05-11 - Geplaatst: 26-05-11