WebfeedRSS
Loading

Tweede ronde in het Wilhelmus-debat

Maljaars, A.

Op het symposium van 26 oktober jl. had ik niet de gelegenheid op de tegen mijn visie ingebrachte bezwaren te reageren. De bijdrage van Den Besten van toen is nu in Transparant (8.2) tot bijna het dubbele uitgedijd, terwijl zij tevens verscheen in het blad Literatuur. Voeg daar nog aan toe de uitgebreide recensie van mijn dissertatie door Duijzer in hetzelfde nummer van Transparant, en ziedaar, redenen genoeg voor een repliek. Ik beperk me tot de bijdragen van Van der Klooster en Den Besten, omdat die direct mijn opvattingen bestrijden; op de theorie van Hofman hoop ik elders kritisch in te gaan. Omdat Den Besten niet op het door mij op het symposium naar voren gebrachte reageert, maar op mijn boek, ontkom ik er niet aan dat af en toe ter sprake te brengen.

Misverstanden

Het begin met een aantal misverstanden. Kennelijk is het in de discussie om het auteurschap van het Wilhelmus soms moeilijk om goed te lezen en werkt de suggestie van Marnix als dichter zo sterk, dat men zich daar niet van los kan maken. Zo althans verklaar ik de uitspraak van Van der Schans in het Redactioneel dat ik niet zo'n hoge dichterlijke pet van Marnix op zou hebben, in tegenstelling tot Den Besten. Integendeel, ik heb juist wél een hoge dichterlijke pet op van Marnix en het is onder andere om die reden dat ik hem het dichterschap van het W betwist. Het is de maker van ons volkslied die ik dichterlijk niet hoog aansla, gemeten dan aan 16e-eeuwse poëtische maatstaven. Dat laatste is van groot belang. Immers, Den Besten suggereert – en hij is de enige niet – dat ik het W geen groot of mooi gedicht zou vinden. Ik zou in het signaleren van dichterlijke zwakheid daarin "veel verder" gaan dan de dichter Van Eyck, die het ondanks veel vormkritiek toch als "een mooi, een eenig dichtstuk" kwalificeerde. Hij gaf er tenminste nog hoog van op; de suggestie die daarin besloten ligt, is deze: ik doe dat niet. Het W is voor mij als gedicht minderwaardig.

Ongelofelijk! Alsof ik in mijn boek niet expliciet betoogd heb dat iets afdoen aan de schoonheid die het lied in onze 20e-eeuwse ogen bezit, bijkans heiligschennis is (p. 259) en impliciet dat ik een haast mystieke band ermee heb (p. 252). Ik betuig hier nogmaals openlijk dat ik het W een magistraal gedicht vind, van grote, bijna niet te evenaren schoonheid, en dat mij daarbij een stel onzuivere rijmen noch een kreupele syntaxis noch taal- en woordarmoede ook maar één ogenblik hindert. Of, om woorden van mijn opponent over te nemen: al van mijn vroegste jeugd dringt het zich telkens weer met een vreemd gezag aan mij op. Alleen, wil men iets zinnigs kunnen zeggen over de 16e-eeuwse auteur, dan dienen we ons van de 'Wirkungsgeschichte' van onze nationale hymne los te maken en het als gedicht te bezien in het kader van de toenmalige poëticale conventies. Dat is het wat ik in mijn boek bepleitte en wat Den Besten blijkbaar niet op kan brengen. Wat hij trouwens over het hoofd ziet, is het feit dat Van Eyck de 'armoede' in het W naar voren bracht als argument voor zijn afwijzing van het auteurschap van Marnix. Ik kom daar nog op terug.

Ik noem nog een staaltje van onnauwkeurig lezen. Het is waar, ik heb gesuggereerd dat het W wel eens met het oog op de Duitse vorsten geschreven zou kunnen zijn, maar juist niet "als een poging om geld bij hen los te maken", want dat zou het tot een activerend propagandalied maken, en dat het dat zou zijn, heb ik juist in allerlei toonaarden menen te moeten bestrijden, vooral op grond van een vergelijking met contemporaine stukken die hun karakter als zodanig onmiddellijk prijsgeven.

Verheiden

Jacobus Verheiden berichtte in zijn boek over bestrijders van de roomse antichrist van 1602 niet dat Marnix de auteur van het W is, zoals Van der Klooster (en daardoor mede het Redactioneel) suggereert. Na een biografie van Marnix, een opsomming van diens werken, de vermelding dat ook nogal wat anonieme lectuur op zijn naam gezet moet worden, schrijft Verheiden woordelijk het volgende: "Ab hoc Viro etiam profecta dicitur decantata illa Cantilena composita in laudem Principis Gvilielmi Nassavii". Letterlijk vertaald: Er wordt gezegd dat door deze man..., enz. In mijn dissertatie heb ik omstandig betoogd dat dit dicitur niet geïnterpreteerd kan en mag worden als betrekking hebbend op een zaak van al gemene bekendheid, dus als getuigen van zekerheid, maar dat men het moet laten staan zoals het er staat. Van der Klooster heeft mij erin het eerste deel van zijn betoog - het tweede deel gaat mijns inziens al te veel van de veronderstelling uit dat Marnix de dichter is - van overtuigd dat Verheiden om zo te zeggen in het Marnix-circuit zat. Ik trek alleen precies de tegenovergestelde conclusie. Want als Verheiden dan, evenals zijn vertaler De Kempenaer, o.a. door contacten met Marnix' secretaris, Bonaventura Vulcanius, zo goed op de hoogte kon zijn, waarom heeft hij dan niet met meer zekerheid gesproken? Waarom dan niet meer dan een: er wordt beweerd? Inderdaad, Verheiden kon het weten, Maar hij wist het blijkbaar niet. Met andere woorden, Van der Kloosters betoog versterkt mij alleen maar meer in mijn taxatie van Verheidens vermelding: dat het een kwestie van wishful thinking is. Het feit dat koud een decennium later in een ander circuit de naam van Coornhert als maker van het W circuleert, is nog een verdere relativering van Verheidens opmerking.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)

 Lees andere artikelen over het auteurschap van het Wilhelmus


 Laatst gewijzigd: 24-07-11 - Geplaatst: 22-05-11