Historisch besef en de Gereformeerde Gezindte
Lezing eerste lustrum VCH (10-09-1994)
Graaf, J. van der
Voor de viering van het eerste lustrum van de VCH werd als thema vastgesteld: het geestelijk leven in kringen van het gereformeerd protestantisme in verband met de ervaring van de 'geschichtslosigkeit' in onze tijd. Letterlijk werd in de toelichting op het verzoek gezegd: "Immers, steeds minder wordt bewust geleefd en gedacht vanuit een verbondenheid met het verleden; tradities raken bedreigd of beschadigd; de geschiedenis is leeg geworden, ze reikt geen argumenten (meer) ter bepaling van houdingen, daden, gedragingen van mensen en groepen mensen. Is gedenken nog mogelijk?"
Door deze opdracht voelde ik mij aan gesproken. Nadruk op historisch besef - zo bleek nog reeent bij de verschijning van een Hervormd Pleidooi – wordt al spoedig als romantisch afgedaan. Soms krijgt men de indruk, zowel in de samenleving als in de kerk, alsof de geschiedenis pas vandaag, met ons, mensen van vandaag, begint. Zelfs binnen één generatie kan de vergetelheid al toeslaan. We leven snel en na enkele jaren wordt soms al vergeten wat initiatiefnemers van allerlei kerkelijke en maatschappelijke verbanden nog slechts kort geleden beoogden.
Veel wat aan het verleden herinnert wordt vandaag ook opgeruimd. Te denken valt aan kerken, die onder de slopershamer komen, door bulldozers – ironie van de geschiedenis! – van het merk Liebherr. We moeten niet zover gaan als in Engeland, waar vrijwel iedere steen van iedere ruïne wordt bewaard, maar laat alstublieft de stenen blijven spreken. En laten we derhalve ook blijven gedenken. Gedenken levert, bij eerlijke benadering, vaak ontdekkende, om niet te zeggen pijnlijke resultaten op. Want te gedenken valt alleen wanneer het inhoudelijk nog relevant is wat herdacht wordt. Daarom blijven herdenkingen soms ook achterwege of worden met een zekere gène of verontschuldiging doorgevoerd. Dat geldt zowel herdenkingen in de wereld als in de kerk. Bij de viering van 100 jaar SDAP op 11 augustus laatstleden werd, om een voorbeeld te noemen, herinnerd aan een woord van Domela Nieuwenhuis aan het eind van de vorige eeuw: "Zoals de triomf van de christelijke kerk de val is geweest van het christelijke beginsel, zo zal de zegepraal van de sociaal-democratie de nederlaag van het socialisme zijn; de sociaal-democratische partij zal tenslotte ontaarden in een doodgewone hervormingspartij." In het gedenkboek ter gelegenheid van honderd jaar SDAP wordt dan ook de teloorgang van het socialistisch elan verwoord. Maar ook kerkelijke herdenkingen staan vaak onder de spanning van afbuigingen of van veranderd denken.
Probleem
De eerste vraag wanneer het gaat om historisch besef is dunkt me: hoe doen we de geschiedenis feitelijk recht? Daarvoor zijn grosso modo wel een aantal criteria aan te geven. Deze dag staat min of meer in het teken van Groen van Prinsterer. Ook vandaag kunnen we nog altijd bij hem in de leer gaan wanneer we de geschiedenis willen laten spreken. Want allereerst wilde hij recht doen aan de feiten. Maar daarbij was bovendien geschiedenis voor hem Historie, "het vlammend schrift van de levende God." Dat betekent, dat de naakte feiten in de geschiedenis voor hem feiten waren in historisch perspectief. Zo heeft Groen de geschiedenis in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland tot leven gewekt. En zo hebben generaties schoolmeesters erop gesteund.
Zo begreep ook, aldus J.A. Wormser, het gewone, zeg gelovige, volk heel goed wat Groen in zijn Ongeloof en Revolutie schreef, terwijl een doctor in de medicijnen er niets van zei te begrijpen en hem 'horen en zien onder het lezen verging'. Dit laatste heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat Groen zelf wenste te spreken 'op den toon van christen en protestant'. Een protestant heeft nu eenmaal historisch besef, dat protestants geadeld is.
Maar verder is van belang – en dat is voor alle tijden actueel – dat Groen de geschiede-nis juist ook daarin tot haar recht wilde laten komen, dat hij ook aan zijn tegenstanders reeht wilde doen. Hij zette om zo te zeggen de geschiedenis niet naar zijn hand. Ik citeer hem letterlijk: "Mijne beginselen zijn, voor wie er belang in stellen mogt, uit andere Geschriften bekend. Zij kunnen allen teruggebragt worden tot de onvoorwaardelijke onderwerping aan den God, die zich in de Heilige Schriften geopenbaard heeft. De geheele Geschiedenis leert mij dat er voor Overheid en Volk, buiten gemeenschappelijken eerbied voor den hoogsten Wetgever, geen eement ter vereeniging van vrijheid en gezag is. Zij leert mij dat de leus: Er is geschreven! alleen tegen het geweld der dwaalbegrippen een beproefd wapen in de hand geeft. Maar geen warmte eener geloofsovertuiging, die veeleer zachtmoedigheid en billijkheid gebiedt, heeft mij tot het gebruik van tweeërlei weegschaal verleid. Vrijmoedig zeg ik dat volkomen onpartijdigheid mijn doel was; al zou ik niet gaarne beweren dat ik ze altijd en in allen deele bereikt heb.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 06 (1995) No 1
Trefwoorden: Geschiedfilosofie, Christenhistoricus, Groen van Prinsterer.
