WebfeedRSS
Loading

Johan Huizinga: Christianus Infirmissimus?

Mackay, E.

Eén van de allermooiste portretten die de tekenaar Jan Veth heeft gemaakt is het portret van Huizinga's eerste vrouw, Maria Vincentia Schorer. Na een zeer gelukkig huwelijk, dat maar twaalf jaar heeft geduurd, verloor Johan Huizinga zijn vrouw in 1914 aan de dood. Pas enkele jaren daama kon en durfde Jan Veth het naar een foto getekende portret aan Huizinga op te sturen. De sobere taal van de briefwisseling tussen die twee – Jan Veth die het portret steeds nog onaf vindt, Johan Huizinga die het pakketje met angst en beven uitpakt – verraadt een diepe vriendschap. Na de dood van Jan Veth schreef Huizinga over de tekenaar een prachtig portret in woorden.

Het portret van Huizinga zelf, zoals dat in het landschap van zijn werk en brieven oplicht, wisselt sterk in sfeer en kleur. In zijn brieven aan Auguste Schölvinck – met wie hij in 1937 trouwde – ziet men ineens een heel andere Huizinga voor zich, dan zoals men hem kent uit de lange jaren van zijn eigen tragische herfsttij. Het seizoen is gewisseld. Of is het een late zonnige herfstdag, die een vleug van voorjaar in zich draagt? Deze brieven weerspiegelen iets van een laat hervonden levensgeluk. Zelfs Huizinga's taal verliest hier soms haar geciseleerde schoonheid, wanneer in de ernst van het spel zijn woorden ontroerend onbeholpen worden. Tussen de verliefde uitroepen door staan dan echter soms, heel terloops, mededelingen van geheel andere aard – over praktische kwesties, gedachten of personen die hij ontmoette. Zo schrijft hij, in het voorjaar van 1939, een brief aan Auguste, waarin hij en passant opmerkt: 'Straks om half vijf Nijhoff op de thee, en vanavond acht uur naar Karl Barth'.

Zo'n opmerking over Karl Barth roept in één keer het landschap van Huizinga's religieuze gedachten op. Wordt het Huizinga-portret uit de literatuur door de nieuwe details, die in de brieven oplichten, bevestigd of veranderen de brieven wellicht het beeld van Huizinga's religieuze gedachten? De uitgave der brieven lijkt de vraag naar Huizinga's religieuze gedachten te rechtvaardigen. Ook in recente studies, waarin de brieven als bron gebruikt worden, komen niet alle details aan het licht. Nog minder worden ze in een inhoudelijk perspectief geplaatst. Zelfs het Verzameld werk van Huizinga bevat enkele onbekende details, die ons het bekende in nieuw licht doen zien. Ik wil in dit licht het landschap van Huizinga's religieuze gedachten schilderen aan de hand van de literatuur, de brieven en het verzameld werk; aldus ontstaat een klein drieluik, waarin Huizinga's religieuze gedachten, hun clair et obscur, wellicht meer diepte krijgen.

Het beeld in de literatuur

Er is reeds het één en ander over 'Huizinga en het christelijk geloof' verschenen. Het fijnzinnige boekje Huizinga's religieuze gedachten van zijn vriend, de theoloog G.J. Heering, treft door de persoonlijke toon. Tal van herinneringen – aan de gesprekken over geloof en God tijdens de wekelijkse wandelingen; aan het sterven van de zoon van Huizinga – legt hij vast, wanneer hij de vraag naar de aard van Huizinga's religieuze opvattingen probeert te beantwoorden. Al deze herinneringen en daarnaast ook verschillende passages uit het werk. brengen Heering tot de uitspraak: 'In de persoon van Huizinga leefden tezamen: de beschouwelijke historicus, de aesthetische mysticus en de ethische Christen; de laatste werd op den duur sterker'.

Leonhard Huizinga geeft, in Herinneringen aan mijn vader, een inschatting van de religieuze denkbeelden van zijn vader. Hij bevestigt dat zijn moeder hen vanuit 'een positief Christelijke instelling, in de confessionele zin van het woord' opvoedde. De religieuze betrokkenheid van zijn vader relativeert hij echter: 'Zijn innig contact met zijn vriend professor Heering, wiens voldragen catechisatielessen mij op iets later leeftijd niet vermochten iets van mijn kindergeloof terug te geven, bewijzen wel, dat hij bleefzoeken en vragen. Is hij daarmee gekomen tot wat men noemt een 'positief Christelijke levenshouding'? Ik geloof het niet. Zelfs naar aanleiding van de gebeden, die Huizinga aan het einde van zijn leven schreef, zegt Leonard: 'Maar ik vraag mij af, of hij op hoge leeftijd daarmee niet terugkeerde langs een andere weg tot zijn innige behoefte om de inhoud van de dingen in schone vorm en fraaie stijl tot uiting te brengen, meer dan een waarlijk innerlijk beleefde verhouding tot een Christelijk God'.

De dissertatie van W.H. Krul, Historicus tegen de tijd. Opstellen over leven en werk van J. Huizinga levert een fragmentarisch beeld van Huizinga's religieuze leven. Hij wijst erop dat Huizinga zijn eigen religieuze leven met het Erasmiaanse 'christianus infirmissimus' ('een zeer gebrekkig christen’) karakteriseert. Huizinga’s religieuze bewustzijn is vooral gestempeld door zijn hang naar het bovenaardse, het metafysische. Met name in de jaren twintig voltrekt zich een crisis in het denken van Huizinga. Deze crisis vindt in 1933 vaste grond in een metafysisch bepaalde cultuurkritiek, die Huizinga zich ten opdracht stelt.

In A. van der Lem, Johan Huizinga. Leven en werk in beelden en documenten wordt het religieuze landschap van Huizinga sterk bepaald door de tegenstelling tussen het doopsgezinde milieu van zijn familie (vooral van zijn grootvader, die lange tijd predikant op Texel was) en het atheïsme van zijn vader. Wanneer Huizinga geloofsbelijdenis doet, legt hij volgens doopsgezind gebruik in een zelfgeschreven tekst daar getuigenis van af; zijn grootvader vindt dit getuigenis echter te weinig belijnd doopsgezind, te veel beschouwelijk. Huizinga is zijn leven lang doopsgezind gebleven, hoewel hij niet naar de kerk ging. Huizinga's eerste vrouw was vrijzinnig en gaf haar kinderen een vrijzinnige opvoeding; zijn tweede vrouw was rooms-katholiek en Huizinga is ook katholiek getrouwd. In Sint-Michielsgestel schrijft Huizinga, in de periode van 12 oktober tot en met 11 november 1944, elf korte gebeden. Deze gebeden zijn echter door de familie niet vrijgegeven voor publiciteit. Voor Van der Lem – die kennelijk weet heeft van de inhoud – zijn ze een teken van Huizinga's geloof: 'Ze vormen de laatste duidelijke bevestiging van Huizinga's overtuiging dat de christelijke zedewet het fundament van het denken en handelen dient uit te maken, met dit verschil dat het nu niet alleen meer de christelijke zedewet was, maar dat hij in deze gebeden ook het christelijk geloof beleed'. Ook de rede die Barger bij het graf van Huizinga uitsprak, bevestigt dit beeld: 'Wij, die hem nastaren, weten hoe diep het besef van deze eeuwigheid in hem geworteld was... Thans zijn voor hem opengegaan de verschieten van orde en harmonie, die de Heer van alle leven bereid heeft, voor hen die Hem hebben gediend en liefgehad'.

Home religiosus, homo ludens

Op 31 mei 2011 houdt Henk Tieleman, hoogleraar Godsdienstsociologie, aan de Universiteit Utrecht de afscheidsrede 'Homo religiosus, homo ludens'. Net als Johan Huizinga beschouwt Tieleman religie vooral als een speelse cultuuruiting.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)

 Artikel over Huizinga's cultuurkritiek


 Laatst gewijzigd: 12-05-11 - Geplaatst: 12-05-11