Rond de verplaatsing van het stadhouderlijk hof in 1747
Recensie
Karels, J.K.
n.a.v. Jo Huizinga e.a. (ed.), Van Leeuwarden naar Den Haag. Rond de verplaatsing van het stadhouderlijk hof in 1747 (Franeker; Van Wijnen, 1997) 141 blz., prijs fl. 24,50.
In mei 1747 was het zover. Wat sinds 1702 niet meer het geval was geweest, gebeurde: alle gewesten van de Republiek hadden weer een gezamenlijke stadhouder in de persoon van Willem Carel Hendrik Friso. Na zijn benoeming trok hij met familie en gevolgen vanuit het Leeuwardens hof naar Den Haag. Die gebeurtenis en de context waarin ze plaats vond vormt het onderwerp van een bundel opstellen, die in 1997 het licht zag. Het boek begint met een overzicht van de politieke situatie die leidde tot Friso’s benoeming. De hoofdspelers, Willem Carel Hendrik Friso en zijn vrouw Anna van Hannover, treden voor het voetlicht in de bijdrage van Yme Kuiper. Meer over het hofleven, zowel in Leeuwarden als in Den Haag, vinden we in de artikelen van Yme Kuiper, Rita Mulder-Radetzky en Hans Algra. Het oordeel van de tijdgenoot over de prins kent meerdere zijden. De extra-ordinans ambassadeur van Groot-Brittannië in de Republiek, Philip Dormer Stanhope, schreef ooit over hem: 'Hij heeft blijkbaar een goede opvoeding genoten en een vrijheid en een gemakkelijkheid in de omgang die men niet krijgt dan door veel in de wereld te verkeren... Hij heeft niet de minste stijve statigheid, maar is vriendelijk en innemend, zoals het iemand past die zich in een gouvernement als dit wil verheffen.' Ook anderen roemen zijn vriendelijke en beleefde manieren. Een andere karaktertrek lijkt twijfelachtigheid te zijn geweest. Bruggeman: 'Hij liet zich uit ongeduld of in drift wel verleiden tot overhaaste beslissingen. Hij was echter in feite aarzelend en onzeker en had daardoor de neiging alles zelf te doen en weinig te delegeren. Door zijn onzekerheid was hij gemakkelijk te beïnvloeden. Hij was dan ook niet altijd gelukkig in de keuze van zijn adviseurs en volgde vaak het oordeel van degenen die de zaken optimistisch voorstelden of hem naar de mond praatten. Tot doortastend optreden was hij over het algemeen niet in staat, ook al omdat hij graag aardig gevonden wilde worden.'
Uitvoerig komen in dit boek de politieke verwikkelingen rondom de verheffing van de prins tot erfstadhouder aan de orde. We maken kennis met belangrijke hovelingen, die als vooruitgeschoven pionnen in het Haagse de verheffing voorbereidden en/of later aan het Haags hof belangrijke posities innamen, zoals Onno Zwier van Haren en Willem graaf Bentinck van Rhoon.
Interessant is m.i. dat ook architectuurkunst- en muziekgeschiedenis voldoende aan bod komen. Kaarten, plattegronden en oude prenten geven een beeld van de gebouwen in Leeuwarden. Een analyse van de inboedel van het hof heeft aan het licht gebracht dat het interieur ten tijde van Willem en Anna rijker was dan tot nu toe werd gedacht. Onder de aanwezige kunstvoorwerpen bevonden zich kostbare schildenjen van vermaarde meesters zoals Holbein, Dürer, Titiaan, Rafaël e.a. Ook het muziekleven heeft gebloeid. Anna van Hannover moet erg muzikaal zijn geweest. Ze richtte een kleine hofkapel op en nodigde bekende musici uit. Anna was zelf een uitstekend muzikante: ze speelde clavecimbel en had een fraaie zangstem. Haar muziekleraar was niemand minder dan de befaamde G.F. Händel.
Download de complete recensie (pdf)
Download de complete recensie (Word)
Jaargang 10 (1999) No 3 - themanummer Ethiek van het kolonialisme
Trefwoorden: 18e eeuw, Nederlandse geschiedenis, Recensie (artikel).
