Inspiratie voor (jonge) historici
Krabbendam, H.
n.a.v. Ewald Mackay, Gedenkstenen in de Jordaan. Opstellen over geschiedenis, traditie en cultuur (Heerenveen: Groen, 2000) 152 blz, fl. 34,95
n.a.v. Leen Dorsman, Ed Jonker en Kees Ribbens, Het zoet en het zuur. Geschiedenis in Nederland (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2000) 223 blz., fl. 39,90
Iedere geschiedenisstudent wordt eens gevraagd naar de zin van zijn studie. Afgezien van een enkele geëngageerde historicus zal het antwoord op die vraag eerder ontwijkend en afwerend dan bevredigend zijn. Dat was tenminste mijn ervaring aan de Universiteit van Leiden. Ewald Mackay was een jaargenoot die zijn eigen zoektocht begon. Zijn laatste boek is een goed geschreven, intelligent verslag van zijn 'weg naar de historie'. De titel Gedenkstenen verwijst naar de opdracht die Jozua de Israëlieten gaf om twaalf stenen uit de Jordaan te nemen en die als gedenkteken op te richten ter herinnering aan de veilige intocht in het beloofde land. Mackay gebruikt twaalf artikelen die hij in de afgelopen penode publiceerde als stapstenen om de stroom van de geschiedenis te doorwaden. Hij past het beeld wat aan, plaatst de stenen in de rivier als steunpunten om te laten zien dat een joods-christelijke visie op de geschiedenis mee mag doen in het waterballet van de wetenschappelijke discussie. De onderdelen van dit pad door de rivier zijn verbonden door de lijn die hij in zijn proefschrift Geschiedenis bij de Bron heeft aangebracht. De onderlinge afstand tussen de stenen verschilt nogal. Het water is ook niet overal even diep en de stroom niet altijd even sterk. De meest toegankelijke hoofdstukken moedigen aan om de eigen reformatorische traditie te verbreden. Mackay put daarvoor uit de literatuur en laat aan de hand van de werken van de joods-Amerikaanse schrijver Chaim Potok en de Nederlandse auteur Pieter Nouwen zien hoe daarin de kern van Gods aanwezigheid in de geschiedenis wordt benoemd. Hij pleit ervoor dat christenen in hun omgang met hun eigen traditie vooral niet uit het oog moeten verliezen dat er een historische ontwikkeling heeft plaatsgevonden, waardoor er een breuk tussen heden en verleden gekomen is, die niet zomaar te dichten valt.
Het spannendste artikel is de moedige poging van de auteur om als christen-historicus iets te zeggen over het land Israël. Daarin is immers de kans het grootst om iets van Gods werkelijkheid te bespeuren. Mackay ontdekt in zijn eigen leven een grote betrokkenheid bij lsraël. Nadat hij in aanraking kwam met de Palestijnen, kon hij moeilijk '1948' als een goddelijke daad duiden. Ook al komt hij niet tot een oplossing, uit zijn exercitie wordt wel zijn methode duidelijker: in de eerste plaats gaat het om ruimte voor het unieke en pas daarna om het inhoudelijk spreken over Gods handelen.
Als we Mackays boek een plaats geven in de discussies over geschiedenis bewijst het recente overzicht van drie Utrechtse historici ons een goede, maar geen afdoende dienst. De titel Het zoet en het zuur verwijst naar de zoete smaak van geschiedenis als plezierig tijdverdrijf en het zuur van de kritiek. De auteurs onderscheiden drie verschillende vormen van historische beleving: de esthetische vorm die vooral het gevoel en verbeelding aanspreken, de politieke, die machtsuitoefening bloot wil leggen en de cognitieve die rationele wijze verbanden in de kennis van het verleden wil aanbrengen en verder niet wil gaan.
Hoe herkenbaar deze categorieën ook zijn, de indeling is nog niet compleet. Waar zou bijvoorbeeld een religieuze omgang met het verleden onder vallen? In Transparant 11.3 besprak John Exalto een aantal werken over de kleine kerkgeschiedenis, die prachtig in deze categorie zouden passen. Ze beogen meer dan een rationele reconstructie en streven geen politiek na. De auteurs van Het zoet en het zuur plaatsen de omgang met religie te eenzijdig in het emancipatiestreven en dus in de politieke categorie.
Ook Mackay maakt gebruik van de verschillende wijzen van omgaan met het verleden. Het esthetische aspect toont zich in de omgang met de beelden en plekken in zijn omgeving die zijn weg tot de historie baanden, het politieke in zijn worsteling met de plaats van Israël en het rationele in zijn kritiek op versteende interpretaties over het verleden. Maar daarmee is de inhoud van zijn boek nog niet gedekt. Zijn religieuze positie is niet tot een andere benadering te herleiden. Daarmee biedt zijn boek impliciet kritiek op Het zoet en het zuur.
Dorsman c.s. bieden een uitstekend en vaak humoristisch overzicht van de vooral publieke wijze van omgaan met de geschiedenis. Ze concluderen dat er een kloof bestaat tussen de ironiserende wetenschappelijke geschiedbeoefening en de groeiende belangstelling voor de esthetische en gevoelsmatige verbeelding van de geschiedenis.
Sommige recensenten vonden dat Mackay zich op glad ijs bevond met zijn visionaire bespiegelingen. Ik kan zijn poging om de vaste oever te verlaten alieen maar toejuichen. Met groot schrijverstalent verovert hij de ruimte om in het historisch onderzoek God niet bij voorbaat buiten te sluiten. Ik zou de VCH willen aanmoedigen dit boek in handen te spelen van de nieuwe generatie geschiedenisstudenten. Ik kan iedereen die belang stelt in het revitaliseren van de eigen traditie en het gesprek met anderen, dit boek van harte aanbevelen, net zoals Het zoet en het zuur bruikbare handvaten bevat voor het analyseren van de omgang met de geschiedenis.
Download de complete recensie (pdf)
Download de complete recensie (Word)
Jaargang 12 (2001) No 2
Trefwoorden: Recensie (artikel), Geschiedfilosofie, Christenhistoricus.
