Een gedreven mens
Recensie
Veldman, J.
n.a.v. W.L. Meijer, Kleinood en aanstoot. De honderdguldenprent en andere bijbelse historiën van Rembrandt (Leiden: J.J. Groen & Zoon, 1995) 128 blz., prijs fl. 29,95.
Het zoeken naar het preciese onderwerp en de betekenis van een kunstwerk heeft sedert de tentoonstelling tot lering en vermaak, in het Rijksmuseum te Amsterdam, 1976 in ons land een hoge vlucht genomen. De flamboyante Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis E. de Jongh had met zijn studenten de catalogus geschreven. Het publiek werd geconfronteerd met een boeiende problematiek: kunstenaars laten een herkenbare wereld zien – naar het schijnt – die toch voor de argeloze toeschouwer ontoegankelijk is. Hun werkelijke intenties zijn niet direkt duidelijk. Of vergissen we ons? Is de situatie ten opzichte van toen, wellicht sterk veranderd? Wisten de tijdgenoten van een zeventiende-eeuwse hollandse schilder – zeg Rembrandt – gewoon direkt wat de schilder bedoelde? Zijn we in onze eeuw het verband kwijtgeraakt? Zien we wat we niet behoren te zien en zien we niet wat we zouden moeten zien?
Het is de verdienste geweest van de kunsthistorici Aby Warburg (1866-1929) en Erwin Panofsky (1892-1968) dat zij de start hebben gegeven tot een nieuwe kunstdiscipline, de iconologie. De iconologische methode zoals Panofsky die in 1939 formuleerde, gaat er vanuit dat aan een kunstwerk meerdere betekenislagen zijn te onderscheiden. Hij concentreert zich niet zoals zijn tijdgenoten op de vorm – de stijlgeschiedenis – maar vooral op het achterhalen van de betekenissen. Panofsky onderscheidt drie stappen. Tegenwoordig zijn er kunsthistorici die tenminste vier methodische stappen nodig achten. De eerste stap, de pre-iconografische beschrijving sluit aan bij, wat de oplettende waarnemer direkt kan zien. Hetgeen onomstotelijk aanwezig is in het kunstwerk (Tatsachenhaft) wordt aangevuld met de nuances die de toeschouwer opmerkt in de wijze van mededelen (Ausdruckshaft).
De tweede stap, de eigenlijke iconografie, beschrijft de relatie tussen de wereld van het kunstwerk en de gebruikte motieven. De waarnemer kan niet meer steunen op hetgeen hij in zijn eigen wereld kent. Vertrouwdheid met de gebruiken is noodzakelijk; kennis van de dagelijkse dingen, van de beeldmotieven, van de teksten die men in een bepaalde tijd kent en gebruikt. Om in deze betekenislaag te kunnen doordringen, is meer nodig dan het zintuiglijke, met het kunstwerk als voertuig. Door een intellektuele inspanning van analyse en synthese worden de gebruikte beeldmotieven, anekdoten of allegorieën betrokken op het kunstwerk. Na het beschrijven en het zoeken naar equivalente motieven en teksten moeten de motieven op elkaar worden betrokken en de diepere zin van een tijd worden gezocht. Dat is de derde stap in de iconogratische methode. Deze stap is tegelijkertijd de moeilijkste. Het is meer dan het beschrijven van een beeld. De bedding waarin het kunstwerk ontstond, die naar het mij voorkomt geestelijk van aard is, wordt gereconstrueerd. De culturele traditie van een tijdperk moet zo in beeld komen. Het is een poging tot verstaan van de tijdgeest. Panofsky noemde het iconologie. De iconologische interpretatie staat niet op zichzelf maar wordt gerelateerd met en getoetst aan andere observaties en studies van een tijdvak. Ook de persoonlijke levensgeschiedenis van de kunstenaar wordt bij het vinden van de juiste interpretaties betrokken. Hier reikt de kunstwetenschap ver over haar eigen schuttinkje heen om de literatuurgeschiedenis, de kerkgeschiedenis, de dogmengeschiedenis, de mentaliteitsgeschiedenis en andere omwonenden – die ook tot een beter verstaan van het kunstwerk kunnen bijdragen – de hand te schudden.
Bekijk kerkhistorisch studiemateriaal over de Honderguldenprent.
Download de complete recensie (pdf)
Download de complete recensie (Word)
Jaargang 07 (1996) No 4
Trefwoorden: Gouden Eeuw, Schilderkunst, Recensie (artikel).
