Bilderdijkiana (4)
De verwording van Nederland
Eijnatten, J. van
Wie Bilderdijks mening over het tijdvak 1780-1813 wil horen, kan moeilijk aan zijn Geschiedenis des vaderlands voorbijgaan. Daarin heeft de meester aan de hand van een lange aaneenrijging van historische feiten, belangrijke wetenswaardigheden, smakelijke anekdotes en tendentieuze opmerkingen uiteengezet wat hem in de geschiedenis van Nederland boeide en vooral wat hem stoorde.
Men zou wensen dat de man een diepzinnige of stimulerende theorie aan zijn geschiedverhaal ten grondslag had gelegd. Dan had hij de vergelijking met een zo veelzijdige grootmeester als Joseph de Maistre wellicht kunnen doorstaan.
Bilderdijk heeft diverse boeken van de bekende rooms-katholieke conservatief trouwens met grote belangstelling gelezen, zij het op vrij late leeftijd, toen hij als eerbied-waardige 60-plusser zijn Leidse colleges in de vaderlandse historie gaf. Uit het Essai sur le principe générateur des constitutions politiques (eerste editie 1814) citeert hij bijvoorbeeld de majestueuze openingszin: 'Une des grandes erreurs d'un siecle qui les profes sa toutes, hit de croire qu'une constitution politique pouvoit étre écrite et créée à priori, tandis que la raison et l’expérience se réunissent pour établir qu'une constitution est un oeuvre divine (...)'.
Constituties worden niet geschreven, en al helemaal niet op voorhand; ze zijn een werk van God. Dat is een gedachte waar politicologen en historici iets mee aankunnen. Maar Bilderdijk biedt zo'n theorie niet. De Geschiedenis des vaderlands is een dertiendelige kruising tussen een collegedictaat, een handboek en een pamflet, een ongefundeerd en partijdig rommeltje waarin ongegeneerde verheerlijking wordt afgewisseld met roddel en achterklap.
Een emotioneel tegengif tegen de staatsgezinde geschiedschrijving van Wagenaar, zo luidt het oordeel over de Geschiedenis des vaderlands van de welwillendste historici. Dat is dit geschiedwerk inderdaad. De interessante vraag is echter of het niet méér is dan alleen een bevlogen maar mislukt tegengeschrift. Ligt er aan dit merkwaardig oeuvre wellicht toch niet een diepere these ten grondslag?
Het antwoord luidt: ja. Achter de felle beschrijvingen, vernietigende oordelen en soms uiterst curieuze aantekeningen houdt zich een grootse gedachte verscholen. Eén bewijs daarvoor is een kladaantekening die H.W. Tydeman, de uitgever van de Geschiedenis, tussen de vele paperassen in Bilderdijks nalatenschap vond en opnam in het in 1851 gepubliceerde, dertiende deel. Bilderdijk deelt in deze aantekening de vroegmoderne tijd in drie perioden in. De eerste loopt van 1581 tot en met 1652. Het is de tijd van de Tachtigjarige Oorlog, maar dat niet alleen. Het is vooral een tijd van twisten: tussen provincies, steden, regenten en burgers onderling. In 1652 wordt een aristocratische regering gevestigd, waarmee er een tijdvak van revoluties aanvangt. Tot 1795 wordt 's lands toneel beheerst door de haat tussen de Oranje- en de staatsgezinden en tussen de aristocraten en het volk. Het jaar 1795 luidt de ontbinding in van het staatsgezag. Het gehele tijdvak is getuige van het verval van de oude geslachten en van de opkomst van een klasse van nouveaux riches, die, gesterkt door de macht van het kapitaal, een onuitstaanbare arrogantie ten toon spreidt, de vorsten trotseert en het volk onderdrukt. Kortom, de nationale geschiedenis tussen 1568 en 1795 is een povere vertoning, zeker in vergelijking met de tijd van ‘vrijheid en overvloed onder onze Graven'.
Bilderdijk eindigt deze beknopte samenvatting van 's lands historie met een retorische vraag. 'En vraag na dit alles nog, WAAR DE NATIE IS. Even zoo mogen wij vragen, WAAR in deze jammerlijke dagen DE CHRISTENHEID schuilt.' Het enige waarnaar wij nog kunnen uitzien, concludeert hij, is een toekomstige wereld, waarin één volk, het volk van Christus, leven zal onder de onmiddelijke regering van zijn Hoofd.
De Geschiedenis des vaderlands is niet in de eerste plaats een uit de kluiten gewassen, anti-staatsgezind pamflet van twijfelachtige kwaliteit. Het is een beschrijving van de manier waarop het duizendjarig rijk zich in onze nationale gcschiedenis op steeds gebrekkiger wijze heeft aangekondigd. Christus regeert daar waar individuele gelovigen zich open stellen voor rechtstreekse, bovennatuurlijke invloeden; waar de zonen zich door visioenen en verschijningen verbonden weten met hun overleden vaderen; waar de vorst (of de graaf) regeert als de gezegende afspiegeling van de Almacht. De morele en geestelijke, recht Hollandse zuiverheid die als voorwaarde geldt voor de bloei van een chiliastisch Christusrijk is door geld- en zelfzucht – lees: kapitalisme en liberalisme – gecorrumpeerd. Tussen 1780 en 1813 is er geen Nederlandse staat ontstaan. In die veelbewogen jaren is de verwording van Nederland voltooid.
Lees de Geschiedenis des Vaderlands van Willem Bilderdijk
Jaargang 07 (1996) No 4
Trefwoorden: Willem Bilderdijk, Nederlandse geschiedenis, Geschiedschrijving.
