WebfeedRSS
Loading

Het lager onderwijs in de periode 1780-1830

Kruidenier, J.

Het bekendste thema uit de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs wordt gevormd door de schoolstrijd (ca.1840 tot 1920). De uitkomst daarvan was het stelsel van openbaar en bijzonder onderwijs, waarbij ook het bijzonder onderwijs volledig door de overheid werd bekostigd. Dat laatste was (en is) uniek in de wereld.

Door de sterke gerichtheid op de schoolstrijd drelgen echter andere perioden uit de onderwijsgeschiedenis aan de aandacht te ontsnappen. Dat geldt zelfs voor de ontwikkellng die onmiddellijk aan de schoolkwestie voorafging. Vanaf 1801 voltrok zich een belangrijke vernieuwing van het lager onderwijs. De ideeën die daaraan ten grondslag Iagen, waren ontwikkeld in de periode daarvoor, vooral vanaf omstreeks 1780. Deze onderwijsvernieuwing bevatte de voedingsbodem waaruit later de schoolkwestie voortkwam.

In andere Europese landen was de onderwijssituatie geheel anders. Frankrijk, Oostenrijk en de Zuidelijke Nederlanden bijvoorbeeld, nationaliseerden in de achttiende eeuw het onderwijs volgens een getrapt systeem van lager, middelbaar en hoger onderwijs. In de Republiek gebeurde dat niet. En toen het in de Franse tljd tot een onderwijshervormlng kwam, bleef die beperkt tot het lager onderwijs.

De vervalsituatie van omstreeks 1780

De Republiek was geen eenheidsstaat en kende daardoor geen uniforme onderwijsregeling. Het openbaar onderwijs werd, vooral sinds de Synode van Dordrecht (1618-1619), gegeven in calvinistische geest. Rooms-katholieke ouders waren daar niet gelukkig mee. Zij zochten een uitweg via particuliere scholen. Hoewel die officieel verboden waren, werden ze, net als de schuilkerken, oogluikend toegestaan.

Omstreeks 1780 werd er, als vanouds, hoofdelijk onderwijs gegeven. Eén voor één liet de meester de kinderen bij zich komen, overhoorde ze en gaf nieuwe opdrachten. De leerstof moest in het geheugen worden geprent. Uitleg werd in principe niet gegeven. Oudere Ieerlingen hielpen jongere. G. Groen van Prinsterer (1801-1876) gaf later van dit onderwijs de volgende kritische kenschets: "Het schoolwezen in diep verval; onderwijs in Bijbel en catechismus veelal enkel geheugenwerk en doode vorm; onkundige en strenge meesters, door wie plak en roede meer dan ernst en liefde gebruikt werd." Het verval bleef niet onopgemerkt. In toenemende mate klonken kritische geluiden. Ook werden ideeën ontwikkeld die een ingrijpende onderwijsvernieuwing ten doel hadden.

Maatschappelijke achtergrond van onderwijsvernieuwing

De economische achteruitgang van de achttiende eeuw leidde tot massale werkeloosheid. Wie geen werk had, was aangewezen op privé-liefdadigheid en op stedelijke of kerkelijke armenzorg. In de praktijk betekende dat armoede en verpaupering. Vooral het gedrag van de werkloze oudere jeugd in de steden gaf aanleiding tot zorg. Daarom stichtten de kerken diaconiescholen, bedoeld voor kinderen van bedeelden. In een aantal steden werden bedeelden zelfs verplicht hun kinderen onderwijs te laten volgen. De achterliggende gedachte was, dat het bijbrengen van discipline en ontwikkeling de weg zou effenen naar werk. In het onderwijs zag men een middel ter bestrijding van maatschappelijke misstanden, een instrument tot volksverheffing. Vandaar de uitspraak "een stuiver besteed aan onderwijs, spaart een gulden uit aan de gevangenis".

Het ontwikkelen van vernieuwingsideeën is vooral ter hand genomen door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in 1784 door de doopsgezinde predikant van Edam, J. Nieuwenhuyzen (1724-1806). De koers van het Nut was: het bevorderen van algemeen volksonderwijs, het opleiden tot democratisch staatsburger en het opvoeden in een algemeen-christelijke geest van verdraagzaamheid en liefde voor het vaderland. Het onderwijs moest de volkseenheid versterken.

Geestelijke achtergrond

Op de achtergrond van dit streven naar volkseenheid speelde het cultureel nationalisme een belangrijke rol. Het werd gevoed door de nauwe relatie die werd gelegd tussen de verdeeldheid ten tijde van de Republiek en het verlies van de onafhankelijkheid in 1795. In 1813 bevatte Van Hogendorps proclamatie dan ook de aankondiging: "Alle partijschap heeft opgehouden". Dit cultureel nationalisme leidde ertoe dat men ging streven naar het bijbrengen van saamhorigheidsgevoel.

Blijkbaar was men in orthodox protestantse kring redelijk tevreden met het onderwijs. Bij de voorstanders van onderwijsvernieuwing treffen we althans geen enkele vertegen-woordiger aan het deze groep. Het geestelijk klimaat van de onderwijsvernieuwers was gematigd verlicht en kemnerkte zich door het rationalistisch supranaturalisme. Deze stroming aanvaardde Bijbel als het geopenbaarde en gezaghebbende Woord van God. Tevens meende ze dat veel van de hoofdinhoud van het geloof kon worden bevestigd door het verstand. Dat gold niet voor de verborgenheden. Die waren bovenverstandelijk (supra rationem), hoewel nooit daarmee in strijd (contra rationem). Zo bracht men de Bijbel binnen en in het verlengde van de rede. Het christendom gold als de meest redelijke van alle godsdiensten. Openbaring en rede bevestigden elkaar. Het volk werd beïnvloed met deze "populaire godsdienstleer, welke God veranderde in het Opperwezen, Christus in een leraar, de mens in een verstandswezen, zonde in zwakheid, bekering in verbetering, heiligmaking in deugd." Kenmerkend voor dit klimaat van supranaturalisme is de titel van een schoolboekje van Petrus Schouten, uitgegeven door het Nut, dat in 1796 voorkwam op de verplichte boekenlijst voor de provincie Utrecht: welke bewijzen leveren natuur en reden op voor het bestaan van God; in hoever kunnen we dit wezen kennen; en welke redenkundige gevolgen kunnen daaruit worden afgeleid?

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het artikel (Word)

 Onderwijs in Nederland vanaf de Middeleeuwen

 Overzicht Nederlands geschiedenisonderwijs vanaf 1850

 Lezing over recente veranderingen in geschiedenisonderwijs


 Laatst gewijzigd: 14-03-11 - Geplaatst: 12-03-11