WebfeedRSS
Loading

Zendelingenconferenties in Nederlands-Indië

Zending en elkaar ontmoetende culturen

Kappelhof, T.

Vanaf het einde van de 16e eeuw gingen Nederlanders buitengaats, vooral om handel te drijven, maar ook om gebieden te veroveren, landstreken te koloniseren en het christendom te prediken. Zending (en katholieke missie) brachten verschillende culturen met elkaar in aanraking en dat schiep specifieke problemen.
Het christendom stelde nogal eens eisen die moeilijk verenigbaar waren met cultureel bepaalde gewoonten, bijvoorbeeld op het gebied van huwelijk en gezin.



De confrontatie kon variëren van botsingen tot vormen van aanpassing, zoals accomodatie of inculturatie.

Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis verricht sinds 2006 onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse zending en missie. Het bronnenmateriaal waar de geschiedschrijving van het vroege christendom in Indonesië op is aangewezen is in hoge mate asymmetrisch. Het geluid van de ontvangende kant ontbreekt of is zwaar gefilterd doordat bijna alle stukken geschreven en bewaard zijn door Europeanen. Deze waren vaak zeer bevooroordeeld: Papoea's zouden niet kunnen rekenen, Javanen niet abstract denken en Chinezen dachten alleen maar aan geld verdienen.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat de 'inlanders', toch niet zo receptief en passief waren als lang is gedacht. De nieuwe christenen gingen in het geheim door de geesten van hun voorouders te vereren, anderen wilden geen afstand doen van hun tweede vrouw, zelfs niet als met tuchtmaatregelen gedreigd werd. Op Java bestond een traditie van vermenging van elementen uit verschillende godsdiensten. De Javaanse Islam kende varianten die sterk afweken van wat in Mekka en Cairo gedoceerd werd. Een bron die dit botsen en langs elkaar schuren van religies heel goed illustreert en die de onderzoeker bovendien laat zien wat er in het veld gebeurde zijn de verslagen van de conferenties van zendelingen.

Dit artikel geeft allereerst een korte inleiding op de geschiedenis van de nieuwere zending in Nederlands-Indië. Daarna gaan we in op de verslagen van de zendelingenconferenties. Ten slotte worden de sterke en de zwakke kanten van de bron besproken.

De zending in Nederlands-Indië vanaf 1816

Toen de Engelsen in 1816 de belangrijkste bezittingen van de in 1798 officieel geliquideerde Verenigde Oost-Indische Compagnie teruggaven aan Nederland, was er in Indonesië amper sprake meer van protestantse zielzorg, laat staan van zending. Alleen in de Molukken, met name op Ambon, bestonden nog christelijke gemeenten die vaak al decennia lang geen predikant meer op bezoek hadden gehad. Kort voor het einde van de achttiende eeuw was in Engeland, Zwitserland en Duitsland echter een door het piëtisme beïnvloed nieuw zendingselan opgekomen dat organisatorisch de vorm aannam van zendingsgenootschappen. Dit waren particuliere, los van kerken staande, verenigingen die door haar opgeleide mannen en later ook vrouwen uitzonden. Het oudste Nederlandse genootschap was het in 1793 opgerichte Zeister Zendingsgenootschap op de voet gevolgd door het in 1797 opgerichte Nederlands Zendelinggenootschap (NZG). Aangezien de vanaf 1792 in Europa woedende oorlogen het contact vanuit Nederland met de koloniën zeer bemoeilijkten kon het NZG pas in 1814 via Londen drie zendelingen naar Nederlands-Indië sturen.

De nieuwkomers moesten werken in een voor hen ongunstige bestuurlijke constellatie. Nog meer dan in Nederland ondergingen in de koloniën de kerken het juk van het door koning Willem I gekoesterde cesaropapisme. De kerken, de Nederlandse Hervormde Kerk voorop, liepen aan de leiband van de koning en zijn vertegenwoordiger in de archipel, de gouverneur-generaal (GG). Hun doen en laten was omgeven door een uitgebreid netwerk van regelgeving. Predikanten en pastoors stonden op de loonlijst van de Indische regering. Dat was niet het enige obstakel. De levenswijze van de Europese christenen in de archipel was niet altijd zo christelijk als sommigen wensten. Drankzucht, echtbreuk en prostitutie kwamen veel voor. Veel Europese mannen, onder wie ook hooggeplaatsten, waren lid van de toen antichristelijke georiënteerde vrijmetselarij.

De politieke lijn van de Indische regering stond in het teken van de neutraliteit. Er bestond vrijheid van godsdienst, dus katholieken, maar ook islamieten, die toen al de grote meerderheid van de Javaanse bevolking uitmaakten, mochten hun godsdienst in het openbaar uitoefenen. De Indische regering was echter ook verantwoordelijk voor handhaving van rust en orde. Aangezien de Indische regering vreesde dat de zending – vooral in gebieden waar de islam orthodox was – gemakkelijk aanleiding kon geven tot 'onlusten', moesten zendelingen een 'speciale toelating' aanvragen bij de GG. Deze gold voor een bepaald gebied en kon, wanneer de GG dat wenselijk achtte, worden ingetrokken. Buitenlandse zendelingen zag men liever helemaal niet komen en als ze werden toegelaten, kwamen ze terecht in perifere gewesten als Borneo of Noord-Sumatra.9 De neutraliteitspolitiek van de Indische regering creëerde een spanningsveld tussen zending en gouvernement. Ze hadden elkaar nodig, voelden zich tot elkaar aangetrokken, maar stootten elkaar ook weer af.

Het volledige artikel vindt u in Transparant 22.1


Themanummer bestellen

Bestel het complete nummer, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).


 Laatst gewijzigd: 22-02-11 - Geplaatst: 22-02-11