WebfeedRSS
Loading

Godsvrucht en 'gender'

De toenemende belangstelling voor historisch onderzoek naar vrouwen & geloof

Streek, H.J. van de

Vrome vrouwen, Dochters naar mijn hart, Religieuze vrouwen: bruid, moeder, zuster. Het zijn zo maar een drietal titels die onlangs zijn verschenen, Terwijl traditionele kerkhistorici nog steeds weinig aandacht besteden aan de rol van vrouwen en met name voorbijgaan aan de invloed van culturele en sociale opvattingen over vrouwelijkheid, wint het thema vrouwen en geloof in de vrouwengeschiedenis de laatste tijd zichtbaar aan betekenis.

Het terrein van de christelijke geloofsbeleving was tot voor enkele jaren nog een 'terra incognita' onder vrouwenhistoricae. Vanaf 1994 echter zijn er diverse dissertaties en artikelenbundels op dit vlak verschenen, veelal geschreven door hoog gekwalificeerde wetenschapsters en betrekking hebbend op zowel het katholicisme als het protest tantisme. Dit artikel biedt een overzicht van de stand van zaken, maar wil tevens uitdagen tot verder onderzoek, want vooral het terrein van het protestantisme bevat nog tal van kansen.

Van geschiedenis tot vrouwengeschiedenis

Tot in de jaren vijftig van onze eeuw werd de geschiedbeoefening globaal gesproken gedomineerd door een positivistische benadering. De weergave van feitelijke gebeurtenissen stond centraal, waarbij de aandacht vooral uitging naar wereldhistorische gebeurtenissen als ondermeer oorlogen, kolonisaties en kerkschisma's. Geschiedenis was het verhaal van de grote daden – en van de grote mannen die deze verrichtten. Sindsdien vond een ontwikkeling plaats in meer constructivistische richting, dat wil zeggen dat de historicus zich steeds meer bewust werd van zijn betekenisgevende rol. De 'feiten' spraken niet langer voor zich. De historicus selecteerde zelf zijn historische bronnenmateriaal en voorzag deze van een interpretatie. Bovendien, ontstond onder invloed van het marxistische denken in de jaren zestig een bewustzijn dat geschiedenis niet alleen een kwestie was van grote mannen en hun grote daden. Ook gewone mensen en maatschappelijk weinig invloedrijke groepen hadden hun verleden. Arbeiders, vrouwen, kleurlingen en homo's eisten hun plaats op in de geschiedschrijving, wat veelal betekende dat zij zichzelf aan het historisch onderzoek van het eigen verleden zetten.

In deze emancipatorische context ligt ook het begin van de vrouwengeschiedenis. Feministische historicae, zoals zij zichzelf bij voorkeur noemden, vroegen vanaf het begin van de jaren zeventig aandacht voor de historische (machts)verhoudingen tussen de seksen en voor de verschillende invullingen van vrouwelijkheid en mannelijkheid door de eeuwen heen. Aanvankelijk richtte de interesse zich op het opvullen van lacunes. Naar analogie van de grote-mannen-geschiedenis werd gezocht naar de geschiedenis van grote vrouwen en hun grote daden. Naast de heldinnen ging de aandacht uit naar de onderdrukking van vrouwen als slachtoffers van het gezin, de staat en andere patriarchale installingen. De kerk viel daar min of meer buiten. Onderzoek naar de positie van vrouwen in de kerk was binnen de vrouwengeschiedenis lange tijd taboe. Globaal zijn hiervoor twee redenen aan te wijzen.

Ten eerste rekent het marxisme-socialisme, de denkrichting waaruit de feministische benadering van de geschiedenis voortkomt, niet met transcendente en immateriële zaken als een boven de werkelijkheid staande God en een daaraan ontleende religieuze inspiratie voor het dagelijks leven. Geloven in een transcendente God kan of niet bestaan (en dient derhalve geďnterpreteerd te worden in termen van een 'vals bewustzijn' van onwetende mensen die zichzelf misleiden) of fungeren als instrument in handen van de machthebbers met de bedoeling het volk (en vooral ook vrouwen) te onderdrukken. Vrouwen die zich aanpasten aan deze 'onderdrukking', door bijvoorbeeld een ondergeschikte positie in de kerk te accepteren, hadden zich emancipatoir tegen de vrouw-vijandige kerkelijke structuren moeten verzetten. Dit spreken in termen van onderdrukking impliceert een scheiding tussen juist en onjuist gedrag van vrouwen in het verleden – en aan dergelijke disqualificerende interpretaties van het gedrag van seksegenoten uit de geschiedenis ontkwamen vele vrouwenhistoricae in de beginjaren niet.

In de tweede plaats werden de onderzoeksters over het al gemeen gekenmerkt door een negatieve attitude ten aanzien van kerk en geloof. De theologe dr. Annelies van Heijst (1955) vertelde daar in 1996 in een terugblik over: 'Van onze ouders hoorden wij niets dan negatieve verhalen over de kerk, de priesters, het patriarchale – en deze houding werd ook de onze. We ontwikkelden een mede door dit negativisme gekleurd eigen waarden-systeem vanwaaruit we de historische bronnen gingen bekijken, en dat systeem trokken we niet in twijfel'.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)


 Laatst gewijzigd: 16-02-11 - Geplaatst: 16-02-11