Reinhold Niebuhr en zijn haat-liefdeverhouding met het liberalisme en marxisme
Polinder, S.
Tot de op de dag van vandaag blijft de Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr (1892-1971) mensen inspireren. Niet alleen verschijnen er nog steeds artikelen en boeken over hem, ook politici laten zich door zijn ideeën leiden. Niet in de laatste plaats voormalig partijvoorzitter Henk Bleker van het CDA. Tijdens het CDA-congres dat live door iedereen gevolgd kon worden, opende bij het congres met de bekende woorden die aan Niebuhr worden toegeschreven: 'God, schenk de kalmte te aanvaarden de dingen die ik niet kan veranderen, moed om te veranderen wat ik kan veranderen, en de wijsheid om het verschil hiertussen te zien.'
Interessant genoeg functioneert inmiddels hetzelfde gebed als motto van het inhoudelijke evaluatierapport De toekomst van de christen-democratie in Nederland zoals recentelijk geschreven door de CDA-Jongeren. Wat maakt Niebuhr zo interessant dat hij jong en oud tot de dag van vandaag weet te inspireren? Hieronder volgt een korte kennismaking met Niebuhrs kritiek op het marxisme en het liberalisme, waarmee meteen geïllustreerd is dat zijn denken soms meer het gevolg was van zijn kritiek op anderen, dan van zelfstandige ideeënontwikkeling.
Niebuhrs kritiek op het liberalisme
Een toonaangevende denker, die zich ook over politiek heeft uitgelaten, is de filosoof Immanuel Kant (1724-1804). Niebuhr verschilt met hem van inzicht waar het aankomt op de duiding van het kwaad. Volgens hem deelt Kant de mens in tweeën. Het deel dat bij het natuurlijke proces betrokken is, heet wezenlijk slecht en het deel dat voor rede vatbaar is, wezenlijk goed. Dat betekent dat onredelijke en onzedelijke daden het gevolg zijn van natuurlijke neigingen en hartstochten die de redewetten trotseren. Kants denken vertoont dus een morele zelfvoldaanheid waar het de redelijke mens betreft.
De filosoof Friedrich Hegel (1770-1831) gaat nog een stapje verder, omdat hij geest en redelijkheid vereenzelvigt en de rede als een zelfstandig bewegende en vitale kracht ziet. Vanuit zijn filosofie ziet hij de staat als middel waardoor de redelijke wil, die in de mens slechts impliciet aanwezig is, tot bewustzijn en begrip van zichzelf komt. Het individu komt door middel van de geschiedenis tot zijn ware zelf in het universele. Hij gaat er dus vanuit dat de mens zedelijker wordt naarmate hij onderdeel wordt van de collectieve wil. Door het afschaffen van de individualiteit wordt de schijn gewekt dat universaliteit een einde betekent van het kwaad. Deze schijn van zedelijkheid en redelijkheid komt in de verhouding van volken tot de wereldgemeenschap tot uiting in imperialisme en staatsverheerlijking. Hoewel Niebuhr dat laatste ook als een wezenlijk gevaar beschouwt, ziet hij dat meer als een gevolg van collectiviteit dan als de oplossing ervan. Het idealisme van Kant en Hegel leidt uiteindelijk tot een onbegrensd vertrouwen in zedelijkheid door redelijkheid, waarbij voor de gedachte dat kwaad voortvloeit uit de mens geen ruimte is.
Behalve het idealisme laat ook het utilitarisme zich leiden door de superioriteit van de rede. Belangrijke personen die deze traditie vertegenwoordigen, zijn Jeremy Bentham (1748-1832), James Mill (1773-1836) en zijn zoon John Stuart Mill (1806-1873). Volgens James Mill zorgt de rede ervoor dat het eigenbelang van enkelingen overstegen wordt. De mens die door de rede beheerst wordt, zal dat wat het zwaarste weegt laten prevaleren. Hij gaat er daarbij vanuit dat de meerderheid zich laat leiden door de rede en dus rechtvaardig zal oordelen. Bentham is zich bewust van het feit dat de mens zelfzuchtige neigingen heeft. Hij bestrijdt dit echter niet door de rede, maar door de politiek. De regering moet belonen en straffen, om op die manier de zelfzuchtige enkeling in te dammen. David Hume zegt hierover dat de rede de sociaal gerichte neigingen moet aanmoedigen ten nadele van de egoïstische. Ook Hume schrijft de antisociale neigingen in de mens niet zozeer toe aan de rede, maar aan de natuur. Andere denkers op dit spoor zijn Alfred North Whitehead (1861-1947) en John Dewey (1859-1952). Beiden gaan ervan uit dat de maatschappij alleen langs redelijke weg kan worden geregeerd.
De voornaamste kritiek van Niebuhr op het liberalisme is het feit dat zij de menselijke geest (nous) vereenzelvigt met logos, en geest met redelijkheid. De mogelijkheid van het kwaad wordt om die reden altijd toegeschreven aan het lichaam of aan de psyche. Het 'kinderlijk' vertrouwen in de rede heeft volgens Niebuhr geen oog voor het gegeven dat mensen niet volledig onbaatzuchtig kunnen handelen. De suggestie van Dewey dat onderwijs en onderzoek wel tot een onbaatzuchtig oordeel kunnen leiden, is niet realistisch, omdat geen onderzoek zo boven de geschiedenis kan staan, dat het volledig onbaatzuchtig is. Net zoals geen enkele rechtbank volledig vrij is van zekere vooringenomenheid, zijn onderzoek en onderwijs dat ook niet. Juist voor dat laatste dient oog te zijn, omdat de geschiedenis leert dat het grootste onrecht daar ontstaat waar gesuggereerd wordt dat de vooringenomen partijen niet partijdig zijn. Het probleem, het kwaad, zit dus dieper. Niebuhr verwijt het liberalisme dan ook een te groot vertrouwen in de mogelijkheden van de mens, zonder rekening te houden met het kwaad. Volgens hem is volledige rationele objectiviteit in sociale situaties onmogelijk. Het sociale conflict kan alleen geregeld worden, wanneer er oog is voor de bestaande machtsverhoudingen.
Bovenstaande kritiek doet vermoeden dat Niebuhr onder geen beding een liberaal kan worden genoemd. Toch ligt het niet zo gemakkelijk. Niebuhr had veel kritiek op het utopisch en optimistisch denken, terwijl dat niet per se in alle vormen van het liberalisme aanwezig is. Zeker niet in het Amerikaanse liberalisme. Hij heeft later ook toegegeven dat zijn kritiek niet altijd terecht was.
Het volledige artikel vindt u in Transparant 22.1
Themanummer bestellen
Bestel het complete nummer, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een
e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).
Jaargang 22 (2011) No 1
Trefwoorden: Conservatisme, CDA, Politieke geschiedenis.
