WebfeedRSS
Loading

Tussen Delft en Genève

Een onderzoek naar ontwikkelingen op het CSFR-dispuut Johannes Calvijn in de periode 1950 tot 2000

Schans, A.A. van der

Veel (oud)studenten associëren Delft niet zozeer met Willem van Oranje, maar niet mannen en techniek. Wie zal ze dat kwalijk nemen? De leden van Johannes Calvijn, het Delftse CSFR-dispuut, studeren natuurkunde, mechanica en civiele techniek. Dat is nu eenmaal andere koek dan geschiedenis. Johannes Calvijn heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de CSFR. In dit artikel staat deze geschiedenis centraal. Het artikel doet verslag van een onderzoek naar de continuïteit en verandering van de afgelopen vijftig jaar, in het leven en denken van de (oud-)leden het dispuut Johannes Calvijn in relatie tot kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen.

Een van de belangrijkste redenen tot oprichting van Johannes Calvijn was het zoeken van een oplossing voor de cultuurschok die studenten ondergingen. De kring waaruit de studenten kwamen besteedde namelijk weinig tijd aan het nadenken over de problemen in de cultuur en de maatschappij.

Het volgen van een academische studie is in de gereformeerde gezindte in het licht van de geschiedenis van de bevindelijk-gereformeerden nog maar enkele tientallen jaren een regel. Daarvoor was het een uitzondering. C.S.L. Janse schrijft terecht: "Vanouds was erin bevindelijk gereformeerde kring een zekere beduchtheid voor het volgen van middelbaar en hoger onderwijs. Door al die wereldse wijsheid zouden met name de jongeren gemakkelijk afgevoerd worden van de “eenvoudige waarheid die naar de godzaligheid is."

Daar kwam bij dat de bevindelijk-gereformeerde bevolkingsgroep sociaal-economisch gezien tot voor enkele decennia een duidelijke achterstandspositie had. Meer dan andere bevolkingsgroepen droeg de betreffende groep een agrarisch karakter. De levenswandel kenmerkte zich door een afkeer van luxe, door hard werken en een strenge zondagsheiliging. Het waren de stillen in den lande die in velerlei opzicht straatlengtes achterlagen op de kleine luyden, de gereformeerden van Abraham Kuyper. Lang nadat deze (neo)-gereformeerde groep zich emancipeerde (de kleine luyden gingen luid spreken), zou de bevindelijk-gereformeerde bevolkingsgroep een vergelijkbaar proces doormaken.

Is het koud in Delft?

Het valt op dat met betrekking tot de gekozen studierichtingen in de gereformeerde gezindte in het aigemeen en bij de bevindelijk-gereformeerden in het bijzonder, de wiskunde en de natuurwetenschappen lange tijd oververtegenwoordigd zijn geweest. Tot de academici in bevindelijk gereformeerde kring behoorden relatief veel ingenieurs. Technische studierich-tingen werden gezien als studies die maatschappelijk nuttig waren en leverden weinig pro-blemen op met de eigen levensbeschouwing. Techniek was een neutrale opleiding die niet zoveel kwaad ken, zo was niet zelden de gedachtegang.

Een interessante vraag is waarom studenten uit de bevindelijk-gereformeerde kzing vrijwel niet kozen voor een studie aan de VU in Amsterdam (opgericht in 1880 uit reactie tegen het 'neutralisme' aan de seculiere Rijksuniversiteiten) of zich aansloten bij de SSR – Societas Studiosorum Reformatorum, de gereformeerde studentenvereniging waarvan vooral leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland lid waren.

De gereformeerden met hun VU, ARP, Patrimonium en talrijke andere organisaties vormden een factor van belang in het politieke en maatschappelijke krachtenveld in het Interbellum, maar ook in de eerste decennia na de oorlog. Hun invloed in de maatschappij was veel groter dan op grond van getalsverhoudingen verwacht zou worden.
Deze invloed strekte zich echter niet uit tot de bevindelijk-gereformeerden. Integendeel. Op tal van manieren kwam hun virulente aversie tegen de neocalvinisten openbaar. De leer van de veronderstelde wedergeboorte, het triomfalisme, het cultuuroptimisme en activisme stuitten de bevindelijk gereformeerden tegen de borst. Het gebeurde niet zelden dat ouders hun kinderen liever naar de openbare school stuurden, dan naar een gereformeerde.

"Beter geen godsdienst, dan een verkeerde godsdienst", zo werd er geroepen. Deze anti-houding is bij de oprichters van het dispuut en de eerste generatie laden nog allerminst verdwenen. Eén van de oprichters zegt dat het aan veradaming was lid van de CSFR te worden. "Ik heb die sfeer van wij gereformeerden,wij zijn de slagorde Gods gevoeld."

Het ontbreken van een behoefte aan contact tussen de beide soorten gereformeerden was wederzijds. Zelfs de culturele en gereformeerde omnivoor George Puchinger, aan wiens aandacht nauwelijks een groep ontsnapte, zag de bevindelijk gereformeerden over het hoofd, zoals uit het interview met L. Kok in dit Puchingernummer' blijkt.

Van collegezaal tot bokaal

Met name de theoloog prof.dr. A.A. van Ruler zou voor valan op het dispuut en de vereniging een inspirator en geestelijke leidsman worden. Voor veel studenten uit de eerste decennia van Johannes Calvijn was zijn invloed groot. De verhouding tussen het natuurlijke (natuur) an het geestelijke (genade), vormt een zeer belangrijke kern van het denken van Van Ruler. Dit was voor een aantal dispuutsleden een ontdekking niet alleen het geestelijke, ook het natuurlijke! Ook de stof is heilig, één van Van Rulers meest geciteerde uitspaken. Waarmee gezegd wilde zijn, dat het God gaat om de gehele werkelijkheid, waarin de schepping een voorname plaats heeft.

De theocratie, aan ander troetelkind van Van Ruler, hield de oprichters van het dispuut rond 1951 intens bezig. G. van Leijenhorst schrijft in een essay over da theocratie over Van Ruler: Het waren dit soort beschouwingen van Van Ruler welke in onze studentenbeweging grote indruk maakte. Ik overdrijf niet als ik zeg, dat er geen ander geweest is, die de eerste generaties van de 'Civitas' zo sterk beïnvloed heeft. Naar ik meen, kan hetzelfde gezegd worden van enkele generaties theologische studenten.Van Ruler heeft ook daar diepe sporen nagelaten. Al tijdens zijn leven verschenen er een aantal doctoraalscnpties, artikelen en publicaties over Van Rulers theologie en enkele jaren na zijn over lijden in 1970 waren er reeds 5 dissertaties aan hem gewijd.

Van Rulers visie is voor velen een eyeopener geweest. "Hoe waardeert men de stof" is de titel va één van zijn befaamde artikelen in Theologisch Werk. Hij noemt het antwoord op die vraag de kern van de zaak waar alles om draait. Een andere wezenlijke pool in zijn denken wordt aangeduid met het woord theocratie, hetwelk de theoloog prof. dr. H.W. de Knijff als de grondterm van zijn theologie beschouwd. De theocratische notie is bij Van Ruler identiek met het feit, dat God zichzelf door zijn openbaring in de wereld tegenwoordig stelt. In de woorden van Van Ruler zelf: "De Heere God wil ons. Hij wil het schepsel. De hele geschapen werkelijkheid. De dichter van de psalmen wil niets anders dan wat hij heeft, hier en nu: dit leven op de aarde. Dat moeten wij ook eens aandurven."

Hier opende zich een totaal nieuwe wereld voor studenten uit bevindelijk-gereformeerde kring. Mede omdat Van Ruler de groepstaal sprak, zijn verleden was nauw verbonden met de kring, kon hij een brug tussen deze twee werelden slaan. Jaarlijks wordt in verenigingsverband de zogenaamde Van Ruler-bokaal uitgedeeld. Het refereert aan Van Rulers passie voor voetballen, een gevoelen dat echte Van Rulenanen overgenomen lijken te hebben. Kritiek vanuit de bevindelijk gereformeerde hoek op van Ruler was er overigens ook, maar door zijn overheersende invloed oriënteerden veel studenten zich niet langer op de opvattingen van A. Kuyper en op die van G.H. Kersten.

Welhaast prehistorisch

De eerste dispuutstudenten, hadden nog geen auto, parkeerproblemen, tv, allochtone buren, collegevrije zaterdag of aardgas. Ze gingen nooit buiten de deur eten, dachten niet aan het milieu en gingen niet of nauwelijks onder de douche. Hun opa's kenden geen AOW één op de vijf vaders werkte in de landbouw. De studenten lazen in de Libelle en de Margriet dat het kijken naar een andere man op een verjaardag als een vorm van overspel beschouwd werd en hoorden dat in 1954 de eerste autosnelweg in gebruik genomen werd. Ze vergaapten zich aan het verschijnen van de Russische Spoetnik in 1957 en de eerste DAF in 1959. Ze hoorden dat een aantal SGP-ers tegen de invoering van de vrije zaterdag in 1960 was. Ze keken er nauwelijks van op dat elke vrouw in Nederland voor de wet nog handelingsonbekwaam was.

Enkele studenten reden voor het eerst van hun leven op een bromfiets naar een pas geopende automatiek, om aldaar een 'bal des gehakts' te nuttigen. Een hoogst zeldzame en uitzonderlijke student keek in 1952 met de halve straat naar een tv-programma op één van de duizend tv-toestellen die er toen in Nederland waren. Het plastic broodtrommeltje baarde opzien, de Bleu Band-encyclopedie was een zeer begerenswaardig bezit. Maar in dezelfde tijd verscheen toch ook Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans, met daarin de blasfemische woorden over "de katholieken", als het "meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk, die rotte kiezen hebben van het ouwels vreten"? Hoeveel opzien het werk van Hermans ook baarde door een rechterlijke procedure, het boek werd door het volk niet gelezen. Dat las, als het las, en het lezen begon behoorlijk toe te nemen, de boeken van Anne de Vries (Bartje), A.M. de Jong (Merijntje Gijzens) of Hollands glorie van Jan de Hartog of Kinderen van ons volk van Anton Coolen.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)


 Laatst gewijzigd: 21-01-11 - Geplaatst: 20-01-11