WebfeedRSS
Loading

Prof.dr. Jan Lever over Puchinger:

Spruyt, B.J.

Wie na de oorlog lid wilde worden van de Utrechtse SSR moest het volledige Wilhelmus uit zijn hoofd leren en Kuypers Evolutie-rede uit 1899 bestuderen. Dat moest van de vrienden George Puchinger en Jan Lever. Beiden hebben zich ontwikkeld en zijn veranderd. 'Puchinger is nu een legendarische figuur, die een tijdlang als een zuurdesem in de gereformeerde wereld heeft gewerkt', vertelt Lever in zijn appartement in Arnsterdam-Zuid.

'Met George klikte het direct. Zijn voorgeschiedenis was en bleef mij onbekend, die heb ik pas dankzij zijn autobiografie leren kennen. We hadden belangrijker dingen om met elkaar over te praten. Wat ons vooral verbond was eenzelfde doordrammerige belangstelling voor de dingen die ons fascineerden. De kamer van George in de statige woning van zijn pleegouders aan de Homeruslaan 6 in Zeist – die deftige, hoogbejaarde pleegouders sprak hij overigens aan met 'oom' en 'tante' – was geen jongenskamer, maar het vertrek van een geleerde in de dop, met een grote, rijk gevulde boekenkast, een overladen bureau, een zitje met fauteuils. Er hing voortdurend een walm van tabaksrook. Daar leefde George tussen zijn boeken en papieren, waarin hij altijd zat te lezen, vaak tot diep in de nacht: werken van Luther, Karl Barth, Huizinga, Fruin, romans en gedichtenbundels. Hij was dus zeker eigenaardig, maar was ook populair en beschikte over een vlotte spreekstijl. Daaraan had hij onder meer zijn voorzitterschap van de schoolvereniging te danken.'

'In 1938 kwamen George en Jaap bij ons in Den Helder logeren. Ik herinner me dat nog goed, onder andere omdat George tijdens de kerkdienst dwars door de collecte heen sliep. 'Je slaapt nergens zo lekker als in de kerk', was mijn commentaar. Mijn vader was een schoolhoofd van het oude slag, die voortreffelijk geinformeerd was over wat er in die tijd gebeurde. George was daarvan zeer onder de indruk, en zei mij dat mijn vader best minister zou kunnen worden. George ontmoette namelijk graag belangrijke mensen; als schooljongen bezocht hij zowel Colijn in Den Haag als de Duitse keizer in Doorn. Toen ik het daar eens met hem over had, zei hij: 'Je kunt beter klein zijn onder de groten dan groot onder de kleinen!'

'In 1939 hebben we gedrieën gekampeerd in Noordwijkerhout. Dat was tamelijk ongewoon: sportief waren we niet, en kamperen was meer iets voor de ongelovige SDAP-jeugd. Na die zomer ging ik in Utrecht biologie studeren en kwam bij Jaap in huis wonen. Op 10 mei 1940 werden wij vroeg wakker door vliegtuiggedreun. We dachten dat er een grote oefening begonnen was. We hingen uit het raam en zagen George aan komen fietsen. Die riep naar boven dat het oorlog was.'

'Op zaterdagmorgen 6 februari 1943 was ik aan het werk in het Botanisch Laboratorium aan de Lange Nieuwstraat toen ik gewaarschuwd werd voor een op handen zijnde razzia. Met de tram vluchtte ik naar Zeist, samen met I.A. Diepenhorst, destijds voorzitter van de jongelingsvereniging in Zeist waar George, Jaap en ik ’s zondagsavonds naar toe gingen. Daarna ben ik, diezelfde dag nog, samen met George omzichtig per trein naar mijn ouders in Den Helder gereisd. We hebben vervolgens ondergedoken gezeten op een grote boerderij in de Wieringermeer. Na een stevig ontbijt gingen we voor boer Poot aan het werk, gekleed in overalls, George gelaarsd en ik op klompen. De avonden waren voor ons zelf. 's Zondags belegden we onze eigen kerkdiensten, 's morgens om acht uur. George preekte en ik verzorgde de liturgie. Ik had ook wel willen preken, maar George wilde nog liever dan ik.'

‘Toen er eens een razzia dreigde, bracht de boer ons onder bij de bovenmeester van Abbekerk op het oude land. Toen we bij hem terug kwamen, wilde hij ons onze boeken niet teruggeven. Die waren te ongewoon en zouden hem en ons bij een huiszoeking verraden. Maar wij konden niet zonder die boeken, en hebben ons heil toen ergens anders gezocht. In zijn autobiografie kun je lezen dat George nog enige tijd gevangen heeft gezeten en toen door zijn tweede pleegmoeder is vrijgekocht.'

'We waren nog niet bevrijd of we keerden terug naar Utrecht, waar George via SSR en Polemios steeds bekender zou gaan worden. SSR had een gebouw aan de Nieuwe Gracht. lk was toen abactis binnenlandse zaken en George werd voorzitter van de novitiaatscommissie.

We waren steng. George dwong iedere nieuwkomer de 17 coupletten van het Wilhelmus uit het hoofd te leren en ik examineerde de Evolutie-rede van Kuyper! Toen George zijn eigen blad ging maken – Polemios – werd ik vaste medewerker. Ik schreef vooral over de evolutie-theorie. Ja, dat tijdschrift droeg zijn naam niet ijdellijk. George was zeer polemisch. Hij richtte zich tegen de gezelligheidscultus en de veropppervlakkiging in de gereformeerde wereld. Hij riep de gereformeerde wereld terug naar de studie van de grondslagen. Hij maakte zich daarbij weinig geliefd. Ik herinner mij bijvoorbeeld zijn conflict met ds. J. Gillebaard uit Zeist, een zeer deftig en dominant man. Hij leidde een studentenkring waarop het werk van Barth werd besproken. George verzette zich fel: ds. Gillebaard had Barth niet eens gelezen!'

'Dat hij zoveel vijanden maakte, heeft hem een hoogleraarschap gekost, denk ik. Want ondanks zijn brede geleerdheid, zijn enthousiasme en tomeloze werkkracht is hij nooit professor geworden. Hij heeft teveel mensen op hun tenen getrapt. Hij was net zo belligerent als K. Schilder. Te scherp belijnd. En de echte historici vonden hem een amateur. Waar hij zich weer niets van aantrok. Smitkamp had hij niet hoog: hij noemde hem een promotor tussen een zesje en een negentje ('promotor'). Dat felle heeft hij later wel afgeleerd. Bij Puchinger blijkt zijn ontwikkeling het duidelijkst uit zijn vele interviewbundels, waar hij zijn gesprekspartners laat uitpraten en klaarblijkelijk nieuwsgierig is naar hun opvattingen.'

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)


 Laatst gewijzigd: 17-01-11 - Geplaatst: 16-01-11