Een partij van vooruitgang, niet van reactie
De Antirevolutionaire Partij (ARP)
Janssens, R.
Maandag 13 april 1874 zeven uur 's avonds. In de sociëteit aan de Oosthaven in Gouda zijn tientallen mensen bijeengekomen om te luisteren naar het pas gekozen Kamerlid Abraham Kuyper. Het onderwerp van zijn lezing is 'Het calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden', een lezing die hij eerder al in Utrecht, Leiden en Kampen heeft gehouden.
Ditmaal is de bijeenkomst georganiseerd door de Goudse antirevolutionaire kiesvereniging 'Vreest God eert den Koning', maar tegen betaling van één gulden is de avond voor iedereen toegankelijk. Onder de toehoorders bevinden zich dan ook zowel liberalen als antirevolutionairen. Beiden horen 'met algemeene bewondering' de lezing aan, aldus een aanwezige na afloop.
Vooral de laatste zin van het betoog maakt indruk. 'Dat althans het jonge Nederland... (niet) meer zegge, dat wij Nederlandsche Calvinisten een partij van reactie zijn!', zo eindigt Kuyper zijn verhaal.
Een van de aanwezigen op de bewuste maandagavond was de Goudse effectenmakelaar Pieter Simon van der Staal. Als drieëndertigjarige was Van der Staal een 'coming man' binnen de Goudse antirevolutionaire richting. Eind 1872 was hij toegetreden tot het bestuur van de lokale afdeling van het Antischoolwetverbond, een landelijke organisatie die zich inzette voor wijziging van de onderwijswetgeving overeenkomstig de heersende antirevolutionaire uitgangspunten. Deze functie was het begin van talloze bestuursfuncties binnen de Goudse samenleving.
Hij was secretaris-penningmeester van de Nederlandse vereniging voor Israël, correspondent voor het 'Toevluchtsoord voor weezen te Neerbosch bij Nijmegen', agent van het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs en correspondent van de Nederlandse Militaire Bond. Zijn meeste energie stak hij echter in de politieke activiteiten ten behoeve van de antirevolutionaire beweging, eerst via het Antischoolwetverbond, later via de antirevolutionaire kiesvereniging.
Zoals zoveel van zijn leeftijdgenoten stond 'antirevolutionair' voor Van der Staal niet gelijk aan 'reactionair'. Door veel politieke tegenstanders werd de term antirevolutionair dikwijls geassocieerd met behoudzucht en conservatisme.
Antirevolutionairen zouden niet alleen tegen de ideeën van de Franse revolutie zijn, maar zouden tevens terugwillen naar de situatie van voor deze omwenteling. Dit misverstand was veel antirevolutionairen echter een gruwel. Van der Staal was dan ook verheugd dat 'zijn' kersverse Kamerlid dit resoluut weersprak. Calvinisten of antirevolutionairen in Nederland vormden geen partij van reactie, maar van vooruitgang. Ze wilden geen terugkeer naar of behoud van de oude standenmaatschappij, maar ze streefden juist – op basis van het calvinistisch beginsel – naar meer politieke betrokkenheid van het gewone volk, naar meer democratie in kerk en politiek. Antirevolutionair betekende geen vanzelfsprekende vereenzelviging met de aristocratie van het Reveil, aldus Kuyper in zijn lezing in Gouda, maar het had elementen van een christelijk soort liberalisme.
Tegen de achtergrond van het eindexamenonderwerp 'Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen? Nederland 1880-1919', is het goed aandacht te besteden aan dit vernieuwend element van de Antirevolutionaire Partij. De ARP was de eerste partij in de moderne zin van het woord, met een landelijke partijorganisatie, een eigen beginselprogram, een Kamerclub en een jaarlijkse deputatenvergadering. Tegelijk ging dit 'moderniseringsproces' voor veel betrokkenen veel te snel, wat leidde tot gespannen verhoudingen, breuken en zelfs afsplitsingen. Naast de democratische stroming van Kuyper en lieden als de Goudse Van der Staal stond een aristocratische stroming met daarin adellijke figuren als J.P.J.A. graaf van Zuylen van Nijevelt, A. baron Schimmelpenninck van der Oye en, in minder mate, jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman. In dit artikel zal het vernieuwingsstreven van de antirevolutionairen beschreven worden tegen de achtergrond van de veranderingen op het gebied van kerk, onderwijs, politiek en maatschappij. De aandacht gaat uit naar de verhouding van de politieke partij tot andere maatschappelijke organisaties, zoals onderwijsinstellingen, arbeidersverenigingen en diakonale instellingen. Hoever strekte het werkterrein van de politiek zich uit? Welke taak zag Kuyper voor de overheid weggelegd bij zijn 'democratiseringsstreven', en wat werd overgelaten aan andere instellingen? Was de scheidslijn tussen politieke en maatschappelijke organisaties wel zo groot, of waren plaatselijke politici net als Van der Staal ook altijd actief in kerk en maatschappij?
Rechts en links in de ARP
In zijn lezing over het calvinisme gaf Kuyper voorzichtig blijk van het bestaan van twee tegenovergestelde stromingen binnen de antirevolutionaire richting, een behoudende en een vooruitstrevende. Deze voorzichtigheid maakte in de jaren daarna plaats voor een openlijke uiteenzetting van het verschil tussen de zogenaamde 'democraten' en 'aristocraten' binnen de partij. De eerste groep streefde naar een politiek partij met een groot draagvlak onder het kiezersvolk. De betrokkenheid van de achterban moest vergroot worden door bijvoorbeeld uitbreiding van het kiesrecht en een hechte partijorganisatie. Vanwege deze vooruitstreven doelstellingen stond deze stroming bekend als de 'gauche', de linkervleugel binnen de partij. Aanhangers van de tweede groep, niet zelden afkomstig uit de hogere maatschappelijke kringen, waren minder uit op politieke emancipatie van het volk. Vanwege hun behoudende inslag stonden ze bekend als de 'droite', de rechtervleugel binnen de partij.
Vooral de linkervleugel streefde onder leiding van Kuyper en Van der Staal geen restauratie na, maar vooruitgang. Politiek was niet alleen bestemd voor de 'heren met dubbele namen' maar ook voor het 'gewone volk'. Illustratief voor de doelstelling van deze democraten was het in 1874 verschenen 'Antirevolutionaire catechismus, ook voor het volk achter de kiezers', geschreven door de Haagsche straatprediker I. Esser. In een ruim vijftig pagina's tellend pamflet werd in vraag-en-antwoordvorm de basisbeginselen van de antirevolutionaire staatkunde uiteengezet. Zaken als het goddelijk gezag van de overheid, de verhouding tussen kerk en staat, en de betekenis van opkomende ideologieën als communisme en socialisme, werden op eenvoudige wijze uitgelegd. Dat het pamflet ook geschreven was voor niet-stemgerechtigden, was uniek voor die tijd, en illustreerde het progressieve, democratische gehalte.
Datzelfde gold min of meer voor het al eerder vermelde Antischoolwetverbond, waar 'democraten' als Kuyper, Van der Staal en Esser actief in waren. Deze politieke volksorganisatie was dermate laagdrempelig dat ook vrouwen en niet-stemgerechtigden lid konden worden. Voortdurend werd er via advertenties en pamfletten een appel gedaan op het gewone volk. In 1874 telde het Verbond reeds meer dan tienduizend leden, van wie een groot aantal behoorde tot het 'volk achter de kiezers'. Abraham Kuyper zag het Antischoolwetverbond als een bij uitstek geschikt instrument voor de oprichting van een landelijke antirevolutionaire kiezersbond. Hij ontwierp hiervoor reeds in 1874 een conceptprogram, dat echter op verzet stuitte bij veel aristocraten binnen de partij. Naar hun mening wilde Kuyper met het program de vrijheid van de Kamerleden inperken en hen binden aan de wil van het kiezersvolk. 'Die... heeren zijn vereerders der democratie, den 4den stand – hier te lande nooit bekend – en haten eigenlijk de grooten der aarde', luidde het commentaar van het 'antirevolutionaire' Kamerlid Schimmelpennick van der Oye over Kuyper en zijn 'democratische vleugel'.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 10 (1999) No 1 - themanummer Breukvlak 1900
Trefwoorden: Antirevolutionaire Partij, Abraham Kuyper, Standenmaatschappij.
