Uittocht uit de standenmaatschappij
Examenonderwerp geschiedenis "Nederland 1880-1914"
Kuiper, R.
De negentiende-eeuwse samenleving was een standenmaatschappij. Zij was het ten opzichte van de minder egalitaire achttiende eeuw zelfs in versterkte mate. De aristocratie behoorde tot de eersten die profiteerden van net scheutje democratie dat na 1813 aan de Nederlandse samenleving was toegediend. Het was hun privilege in aanmerking te komen voor hoge ambten met hun lange honoraire titels, veer nieuwe bestuursposten en voor lidmaatschappen van vertegenwoordigende lichamen. Spoedig voegde zich bij hen de hogere burgerij en zo versterkte zich het besef van gelaagdheid van de samenleving. Hoe graag sprak die burgerij niet met trots ever de eigen stand?
In 1841 verscheen het boek Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen, volgeschreven door de literaire romantisch-conservatieve kring rondom de dominees Beets, Ten Kate en Hasebreek. Maar de typen die zij beschreven behoorden allen tot de lagere standen: de omroeper, de Hollandse werkmeid, de veerschipper, de haringkoper, de kruier van Amsterdam, de schoorsteenveger. Het door menige deftige deminee met veel liefde beschreven leven van anderen, accentueerde zo het standsonderscheid.
Rangen en standen
De stand waartoe men zichzelf in de negentiende eeuw rekende had natuurlijk met afkomst, geld en beroepsarbeid te maken – zo vormden de predikanten een stand, evenals de boeren en de handelslui – maar de stand waartoe men werd gerekend of gerekend wilde worden, duidde evenzeer een beschavingspeil aan.Het standsbesef was een erezaak. Zo kon men wel verarmd zijn, maar tegelijkertijd er een eer in stellen de stand op te houden. Was men niet langer 'gegoed', dan wilde men in ieder geval behoren bij de 'aanzienlijke' of 'fatsoenlijke' stand. Fatsoen was een kwestie van sociale identiteit; de mensen die er zich op beriepen onderscheidden zich daarmee van de 'grote menigte', herinnerde zich de liberaal Vissering later. De historicus Brugmans heeft laten zien dat in elk geval tot omstreeks 1870 Nederland grofweg twee standen kende: die van de rijken en aanzienlijken en die van de armen. Tot de eerste behoorde de aristocratie en de hogere burgerij (nog dun gezaaid in het kleinsteedse Nederland). Tot de tweede hoorden de bedeelden en de arbeiders, winkeliers en kleine boeren. Dit alles was gemeten met een zuiver sociaal-economische meetlat. Het aldus opgeroepen beeld is juist voor de pre-industriële samenleving van voor 1870. De boeren die met enkele koeien zich al 'zelfstandig' voelden tegenover de loonarbeiders en paupers, waren hen in beschavingspeil nog niet voorbij. Zeker op het platteland bleef de tweedeling tussen de weinige notabelen en de brede onderlagen nog lang bestaan.
Vanaf omstreeks 1870 wordt het beeld genuanceerder, in elk geval voor de steden. De tweedeling van Brugmans is door anderen dan ook verfijnd tot een vierdeling. Naast de aristocratie en hogere burgerij (ambtenaren, academici, bankiers en grote handelaren) was er, zeker in de zich ontwikkelende steden, de kleine burgerij, bestaande uit winkeliers, onderwij-zers, zelfstandige ambachtslieden. Dat was de tweede stand. Voorts waren er de werklieden die in loondienst werkten en ten slotte de arbeiders en paupers. Zij vormden de derde en vierde stand. Was sociale mobiliteit tot omstreeks 1870 weinig omvangrijk, na 1870 zouden de kansen op sociale stijging in een snel moderniserende samenleving aanzienlijk toenemen. Vanaf 1870 trad een dynamische versnelling op in het sociaal-economisch en culturele leven in Nederland. De achtergrond hiervan is bekend. In een proces, waarin de ene factor de andere versterkte, ontstonden industriële ondernemingen in groeiende steden die tot massaproductie konden overgaan voor grotere markten. De aanleg van spoorwegen en de opheffing van tollen op de rijkswegen plaveide de weg van het platteland naar de stad en van de stad naar het platteland. Het platteland kon gaan produceren voor nieuwe markten – of verarmde als gevolg van de concurrentie van die nieuwe markten – en de steden werden knooppunten van econo-mische bedrijvigheid en sociale diversificatie.
De communicatie nam toe door de aanleg van spoorwegen en telegraaf, door de ruimere verspreiding van kranten sinds de opheffing van het dagbladzegel (een vorm van indirecte belasting) in 1869 en de uniformering van het brieftarief op 5 cent, wat overigens voor de arbeider met zijn loon van 6-10 gulden per week nog een heel bedrag was. Het was dan ook de iets meer gegoede stedelijke bevolking die de drager zou worden van nieuwe sociale en politieke initiatieven, zoals vakbonden en politieke partijen. Het leven werd er in het laatste kwart van de negentiende eeuw voor grote groepen aangenamer en gezonder op. De feministe Johanna Naber had reeds op de schoolbanken gehoord dat de geschiedenis leert dankbaar te zijn voor 'ieder tiental jaren, dat wij later worden geboren', en zij stemde daarmee in. De levensstandaard van velen verbeterde inderdaad aanzienlijk, al was er op het platteland schrijnende armoede, hokten mensen samen in krotten en hutten en werd de sociale polarisatie groter. Niettemin kreeg Nederland vanaf 1870 een nieuwe gedaante, met een grootsteedse cultuur, moderne havens in Rotterdam en Vlissingen, een gloednieuw spoorwegnet dat de langzame diligence en de slome trekschuit spoedig deden vergeten. De leidinggevende elite moest zich leren instellen op een geheel nieuwe situatie, met een groot-steedse cultuur, waarin nieuwe groepen zich emancipeerden en concurrentie en strijd om de voorrang een grotere rol zouden gaan spelen. De rangen en standen verdwenen nog niet. Het standsbesef was er in de groeiende steden ook, als uiting van stedelijk zelfbewustzijn, als onderscheidingsmiddel in een wereld waarin iedereen gelijk leek, of als sociale norm, waar men naar kon streven. En zolang er nog privileges verbonden waren aan de hogere standen – zoals het kiesrecht en de toegang tot de haute finance – bleef standsbesef en sociale stijging alleszins het nastreven waard.
De stand van predikant
Wie als jonge theoloog in de negentiende eeuw beroepen werd en voor het eerst de pastorie betrad, wist al spoedig hoe het zat met die rangen en standen. Had de studententijd het onderscheid enigszins uitgewist, in de pastorie – doorgaans een dorpspastorie – werd men zich klaar bewust dat er verschillende soorten mensen waren. De stem van de armen was niet van hetzelfde gewicht als die van de rijken. De kerk was een weerspiegeling van de conventionele standensamenleving en hield de vormen daarvan nog lang vast. De kerk accentueerde als instituut ook het onderscheid in rangen en standen. De rijken konden zich de beste plaatsen huren om de kerk te voorzien van middelen om de armen te bedelen. De uitdeling van brood en turf aan de armen gebeurde in het openbaar en onderstreepte daarmee het sociale onderscheid tussen weldoeners en bedeelden. De rijken maakten de dienst uit in de kerkelijke ambten. In een groot aantal plattelandsgemeenten bezat de plaatselijke aristocratie het ‘collatierecht’, dat wil zeggen het recht om de predikant te beroepen. Zo ging het in Ophemert, verhaalt ds. Bronsveld die er in 1862 als jonge predikant aantrad. In Ophemert had Greens vriend Ae. Mackay een doorslaggevende stem bij de beroeping en zo ging het nog op vele plaatsen.
Jonge predikanten begonnen vrijwel zonder uitzondering in de dorpspastone, waarna de meer begaafden via verscheidene beroepen terechtkwamen in de meer prestigieuze stadsgemeenten. De intrede in de dorpspastorie is door verscheidene predikanten in de negentiende eeuw beschreven. Bronsveld heeft zijn intrede in Ophemert beschreven in zijn Souvenirs en de enigszins zelfingenomen S. H. Buytendijk zijn intrede in Veen in zijn Bladen uit mijn levensboek. Reeds in de negentiende eeuw overbekend en populair waren de Schetsen uit de pastorie te Mastland van C.E. van Koetsveld, eerst anoniem verschenen in 1843, daarna vele malen herdrukt. Ook van de jonge Abraham Kuyper weten we ongeveer hoe hij zijn intrede in de vaderlandse kerk in 1863 in Beesd ervaren heeft. Hij heeft er in 1873 over geschreven in zijn Confidentie. Uit zijn brieven uit 1863 blijkt dat hij bij zijn intrede op het waarnemen van de juiste vormen toezag. Nauwkeurig instrueerde hij zijn vrouw welke houding haar 'op Beest als Dominésmevrouw' past. Hij trad er een kleine gemeenschap binnen waar de tweedeling tussen 'het beperkt getal der heren en der zwarte rokken' en de 'massa', zoals Koetsveld het twintig jaar eerder beschreef, nog helemaal in tact was.
Download het complete artikel (pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 10 (1999) No 1 - themanummer Breukvlak 1900
Trefwoorden: 19e eeuw, Nederlandse geschiedenis, Standenmaatschappij.
