WebfeedRSS
Loading

Romantiek en geschiedenis

De blijvende actualiteit van historicus George Puchinger

Spruyt, B.J.

George Puchinger (Amsterdam, 1 april 1921 - Lunteren, 15 september 1999) kreeg eind 1997 een lichte beroerte. Hij begon daarna te somberen en zich op te sluiten in zijn statige woning aan de Haagse Koningin Emmakade. Een groepje mensen om hem heen smeedde daarop het plan 'GP' ombeurten mee uit eten te nemen. Die uitstapjes leidden veelal naar restaurant De Gouden Leeuw in Voorschoten. Vanaf de parkeerplaats naar de ingang van het restaurant was het nog een eindje lopen. Degene die Puchinger begeleidde, moest hem een arm geven. En liep zo met George Puchinger aan zijn arm De Gouden Leeuw binnen. Hij had het gevoel een monument rond te leiden, het gevoel dat de naoorlogse familie van Winston Churchill moeten hebben gehad, of Robert Craft tijdens zijn omzwervingen met Igor Stravinsky.

Over het persoonlijk leven van dit monument wisten de meeste mensen eigenlijk weinig. Zijn afkomst was en bleef in nevelen gehuld. En aan een evaluatie van zijn werk waren we nog niet toe. Nu zijn autobiografie verschenen is, kennen we zijn jonge jaren. Jaren van dood en verlating zijn dat geweest. Zijn ongehuwde, uit Tsjechië afkomstige moeder Katharina Puchinger overleed toen hij nog geen vijfjaar oud was. Hij werd geadopteerd door zuster Gerritsen, directrice van het tehuis 'voor ongehuwde moeders en onverzorgde zuigelingen' in Amsterdam, waar George op 1 april 1921 was geboren. Maar ook deze pleegmoeder overleed, in 1935. Zij was een echte moeder voor hem geweest. 'Zo vaak ik als klein kind bij haar was – zij ’s avonds aan de tafel onder het lamplicht de kleren verstellend; ik, weet ik waar mee bezig – voelde ik mij onder haar hoede thuis, veilig, tevreden, gerust, onbezorgd, beschermd.' Na haar overlijden waakte hij dagen en nachten bij haar lichaam. 'Zij was het licht en de tederheid van mijn jeugd geweest. Bij haar stoffelijk overschot hield ik de laatste gesprekken met haar, soms hardop, soms zwijgend.' Puchinger bleef in huis bij de zuster van deze eerste stiefmoeder. Deze tweede stiefmoeder was in 1926, 52 jaar oud, met de 77-jarige weduwnaar W.H. van Schaick getrouwd. Toen Puchinger als 14-jarige onder hun hoede kwam, waren zij dus 61 en 86 jaar.

'In my beginning is my end', dichtte T.S. Eliot in zijn Four Quartets. In hun inleiding op Puchingers autobiografie schrijven de beste kenners van Puchingers leven en werk, Jan de Bruijn en George Harinck, dat het beeld van de jonge Puchinger ('met zijn levendige geest en romantische inslag') veel onthult over de latere Puchinger: 'In het milieu waarin hij opgioeide leetde hij al jong om te gaan met ingewikkelde verhoudingen en sociale mechanismen, die hij als scherp waarnemer goed wist te taxeren. Als enig kind in een huishouden van oudere volwassenen moest hij behoedzaam én vasthoudend te werk gaan om iets gedaan te krijgen. Van jongs af aan werd hij gekenmerkt door een grote beslistheid. Hij was bereid een situatie van alle zijden te bezien, maar eenmaal tot een keuze gekomen, was hij daar moeilijk van af te brengen. Omdat zijn gevoelsleven thuis en op school te weinig werd gevoed, was hij aangewezen op allerlei lectuur die hij gretig en onvermoeibaar tot zich nam. De vroegrijpe begaafdheid die hij daarbij aan de dag legde versterkte zijn zelfbewustheid, maar maakte hem in zekere [5] zin ook tot een eenling. Des te groter was zijn geestdrift, als hij begrip ondervond of zijn ideeën en idealen met anderen kon delen.'
Vrouwen (als vrouw) en erotiek zijn in de autobiografie ‘conspiciously absent', zoals dat tegenwoordig heet, en het wachten zal dus wel op zijn op de eerste die het weten kan en zal zeggen dat GP homoseksueel was.

Levend houden?

Vanwaar Puchinger is gekomen, weten we nu dus. Kunnen we nu ook de blik vooruitwerpen en ons afvragen wat van Puchingers werk blijvend zal blijken? Kunnen we nu vaststellen wat zijn invloed is geweest, wat er van dat werk nog levend is en wat daarvan door geestverwante historici levend gehouden moet worden? Die taakstelling wept haast om een beoordeling door later geboren historici uit die gezindte.

De bewering dat het daarvoor nog te vroeg is, lijkt niet goed houdbaar. A.Th. van Deursen heeft om te beginnen al eens een artikel aan Puchinger en de geschiedwetenschap gewijd. Wat dat betreft bevinden wij ons dus in het goede gezelschap van een historicus die zich niet door premature oordelen heeft onderscheiden. Bovendien heeft Puchinger zijn oeuvre niet belast met geschiedfilosofische kwesties. Zijn boeken bevatten geen historiografische experimenten. Zijn werk is dus in geen enkel opzicht problematisch. Een ontwikkeling heeft hij als historicus niet doorgemaakt, al is hij van een man van de antithese veranderd in een oecumenisch-gezind man, die gecharmeerd was van de uitspraak van William Pitt over de combinatie van het calvinistische credo, de rooms-katholieke liturgie en het arminiaanse irenisme.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)

 In memoriam George Puchinger (door A.Th. van Deursen)


 Laatst gewijzigd: 15-01-11 - Geplaatst: 18-12-10