WebfeedRSS
Loading

Daar werd iets groots verricht..?

Examenstof "Vier eeuwen Nederland & Indonesië"

Selm, M. van

"Koloniale oorlogen, Indische baten, suikerbaronnen, koloniale onderdrukking, ethische bevlogenheid, zwarte bladzijden, lijdzame Javanen en klewangwettende Atjeeërs, drieste avonturiers, excentrieke ambtenaren en geldzuchtige ondernemers." Het is een intrigerend rijtje, waarmee C. Fasseur in het voorwoord op zijn Indische gasten (Amsterdam 1992) de negentiende-eeuwse Nederlands-Indische geschiedenis samenvat. Het zou slechts geringe uitbreiding vergen om de opsomming ook de overige eeuwen Nederlandse koloniale geschiedenis te laten bestrijken. Het is daarom geen verrassing dat nagenoeg alle elementen uit het rijtje terug te vinden zijn in de stofomschrijving voor het centraal eindexamen geschiedenis en staatsinrichting 2001 en 2002 (Uitleg, 1999 18a), die gewijd is aan vier eeuwen Nederland en Indonesië. De stofomschrijving is echter niet zozeer intrigerend om de geschiedenis die zij beschrijft, als wel om naar gebreken. Een analyse van de HAVO/VWO-versie.

Naast taalkundige 'vondsten' als "markeerde het begin van toenemende Nederlandse aanwezigheid" en "kwam op voor de economische belangenbehartiging”, bevat de tekst van de stofomschrijving de nodige inhoudelijke onzorgvuldigheden, die niet zonder meer te verklaren zijn met het argument dat in het beknopt bestek van een stofomschrijving nu eenmaal niet alles kan worden beschreven en uitgelegd. Zo hanteert de commissie in haar eerste hoofdstuk de zinsnede "Banda werd het enige eiland...", terwijl gedoeld wordt op een groep van zes eilanden in de Oost-Indonesische Molukken. Toegegeven, groot zijn deze eilanden niet, maar drie ervan waren belangrijk genoeg om door Coen in 1621 – en niet in 1622, zoals in de stofomschrijving wordt beweerd – te worden veroverd ten behoeve van het door de VOC begeerde monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie.

In hoofdstuk 4 struikelt de commissie nogmaals over enkele jaartallen. De Sarelgat Islam, volgens de commissie in 1911 opgericht, kwam in 1912 voort uit de te Soerakarta gevestigde afdeling van een in 1911 te Bandoeng opgerichte handelsvereniging. De kwalificatie 'radicaler' – dan het eveneens genoemde Boedi Oetomo – is pas vanaf circa 1917 op de Sarekat Islam van toepassing. In haar beginjaren hield ook de Sarekat Islam er sociaalculturele doelstellingen als onderling hulpbetoon en 'verheffing' van het volk op na. De Indische Partij ten slotte, werd niet in 1912 opgericht, maar in 1911. De commissie stelt dat zij verboden werd, in werkelijkheid werden in 1913 'slechts' haar leiders tijdelijk naar Nederland verbannen.

Internationale context

Een bewering die op de grens tussen onzorgvuldig en onvolledig ligt, is te vinden in hoofd-stuk 2. Daar meldt de commissie dat Indië, na een korte periode van Brits bestuur, in 1814 weer onder Nederlands gezag kwam. In dit jaar werd, bij de in de stofomschrijving niet genoemde Conventie van Londen, inderdaad besloten dat de Nederlanden Java en de Molukken terugkregen. Daadwerkelijk gezagsherstel – het onder gezag van drie Nederlandse commissarissen-generaal plaatsen van de teruggekregen gebieden en het aantreden van een nieuwe gouverneur-generaal – vond echter pas twee jaar later plaats en het duurde tot 1818 voordat de overname geheel geregeld was. Dat de commissie niet (dieper) ingaat op de politieke constellatie in Europa aan het begin van de negentiende eeuw valt te billijken, dat zou een examenonderwerp op zich kunnen uitmaken. De commissie gaat daardoor echter ook voorbij aan de ingrijpende maatregelen van de Nederlandse gouverneur-generaal H.W. Daendels en diens Britse evenknie Th.S. Raffles. Het door Daendels tussen 1808 en 1811 ingevoerde dualistisch bestuurssysteem wordt door de commissie in §2.3 gepresenteerd alsof het in of na 1830 werd ingevoerd ten behoeve van het cultuurstelsel. Dat is volstrekt onjuist. Met betrekking tot het door Raffles (1811-1816) ontworpen landrentestelsel volstaat de commissie met de wel erg summiere mededeling dat de Javaanse boeren deze "soort belasting op de rijstoogst" – in werkelijkheid een pacht waarvan de hoogte afhankelijk was van het soort grond en gewas – "sinds het begin van de negentiende eeuw” verschuldigd waren.

Ook elders in de stofomschrijving levert het ontbreken van de internationale context van besproken ontwikkelingen een eenzijdig beeld op. De hoofdstukken 4 en 5 ontberen enige referentie aan het wereldwijde dekolonisatieproces en de Koude Oorlog. Dat de tegenstellingen tussen het Sovjet-Russisch totalitair en het westers parlementair-democratisch systeem tot de eindtermen 4 VWO behoren en derhalve bekend verondersteld worden, kan moeilijk voldoende verantwoording zijn voor de wel erg beperkte weergave van de Nieuw-Guinea-kwestie als een prestigestrijd tussen Nederland en de regering van Soekarno. In hoofdstuk 4 blijft de internationale druk op Nederland tot onderhandelen met de Republiek Indonesië (1945-1949) onverklaard.

Personalia Mariëtte van Selm

Mariëtte van Selm studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar zij eind 1996 afstudeerde op een doctoraalscriptie over de rol van Zuid-Molukse politici in de deelstaat Oost-Indonesië 1945-1950. Sinds februari 1997 is zij als onderzoeker in opleiding verbonden aan de Theologische Universiteit (GKN) te Kampen. In het kader van het project 'De protestantse kerk in de Molukken 1605-1935' bereidt zij een bronnenpublicatie voor over de protestantse kerk op de Banda-eilanden 1795-1923, waarop zij volgend jaar hoopt te promoveren. Zij werkte mee aan het eindexamenkatern Nederland en Indonesië van uitgeverij Nijgh Versluys te Baarn.

 Download het complete artikel (pdf)

 Download het complete artikel (Word)


 Laatst gewijzigd: 17-12-10 - Geplaatst: 17-12-10