Christelijk-Historische Unie: 'Vriendenclub' die opging in het CDA
Recensie
Renssen, A. van
n.a.v. Marcel ten Hooven en Ron de Jong, Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie 1908-1980 (Amsterdam: Boom, 2008), ISBN 978-90-850-6649-1, 400 blz. € 29,90.
Dit jaar bestaat het CDA officieel dertig jaar. Een van de activiteiten die eind vorig jaar plaatsvond was een bijeenkomst van oud-CHU'ers. Deze 'vriendenclub' – een aanduiding van oud-partijleider van de CHU Tillanus in 1983 – haalde herinneringen op aan de CHU en haar speciale, relativerende cultuur. Die relativerende houding van de CHU-parlementsleden is een van de opvallende zaken die in het overzichtswerk van Marcel ten Hooven en Rond de Jong steeds terugkomt. Ten Hooven ondervraagt in het eerste deel oud-CHU'ers en prominente Nederlanders uit politieke en wetenschappelijke kringen over hun ervaringen met en kijk op de CHU. De Jong beschrijft in het tweede deel de geschiedenis van de CHU op basis van archiefonderzoek.
Vanaf haar ontstaan – officieel in 1908, maar haar voorlopers ontstonden eind 19e eeuw na een conflict met Abraham Kuyper en zijn ARP – is de CHU vooral een partij geweest van leden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Des te opvallender is het dat de eerste leider, jhr. A.F. de Savornin Lohman, gereformeerd was en bleef, ook na zijn breuk met 'Abraham de Geweldige'. Een kenmerk van de CHU is de afkeer van verzuiling en afsplitsing. Ook daarin bleek het relativerende, elkaar steeds blijven zoekende karakter van de leden. Een aspect van de partij dat met deze relativerende houding alles te maken had, was de lage mate van partijdiscipline en de antiautoritaire mentaliteit. Dat erkennen ook door Ten Hooven geïnterviewde oud-CHU'ers als de oud-ministers Cees Veerman en Wim Deetman. Voor coalitiepartijen was die vrijheid nog wel eens moeilijk, omdat de parlementsleden bij stemmingen niet zelden hun eigen keuzes maakten. De ARP en de KVP hadden juist een heel sterke partijdiscipline. Opvallend is dat de antiautoritaire mentaliteit samenging met de relatief grote rol van de aristocratie. De CHU heette ook wel de naam van de dubbele achternamen. De losse partijstructuur lijkt in contrast te staan met de stabiele achterban. Volgens Ten Hooven en De Jong heeft de partij dat vooral te danken aan haar Nederlands-hervormde identiteit. Juist omdat partij en kerk zo nauw aan elkaar verbonden waren, bleven kerkleden trouw op CHU'ers stemmen.
Uiteraard staan de auteurs stil bij de pijnlijke episode waarin de CHU-minister-president De Geer zijn kabinet in ballingschap verliet en terugkeerde naar het bezette Nederland. De partijleiding keurde zijn handelswijze sterk af, maar verbrak het contact niet. Deze gebeurtenissen volgen op een hoofdstuk waarin onder meer de relatie tussen CHU en NSB wordt besproken. Opvallend daarin is dat de CHU, hoewel die qua politieke ligging de NSB op sommige punten naderde, toch sterk bestand bleek tegen de verleidingen van Musserts partij. Dat gold ook op het platteland, waar altijd het grootste deel van de achterban woonde en waar de NSB veel aanhang verwierf. Het gold ook ondanks het feit dat partijleider H.W. Tillanus erkende dat het nationale uitgangspunt van de NSB zeker christelijk te noemen was. Ook de CHU was altijd gericht op 'heel het volk en heel de kerk' – vooral ook dat laatste. Daar stond tegenover dat de antichristelijke houding en het leiderschapsbeginsel in de NSB voor de CHU-leiding ronduit verwerpelijk waren.
Een opvallende uitspraak die steeds terugkomt in het boek, is: 'Niet de majoriteit, maar de autoriteit'. Daarmee werd aangegeven dat de Autoriteit van Gods Woord en de richting die dat gaf aan politici belangrijker was dan het streven naar macht. Uit de beschrijving van de geschiedenis door De Jong blijkt echter dat de invloed naar macht wel degelijk speelde. Alleen al het feit dat in de jaren zeventig het als onontkoombaar werd gezien dat de fusie tot het CDA nodig was, terwijl de partij nog zeven zetels in het parlement bezette.
Bij de fusie tussen CHU, ARP en KVP die tot het CDA leidde, staan beide auteurs uiteraard uitgebreid stil. Daarbij schenken zij geregeld aandacht aan de invloed van de relatief milde CHU-cultuur op het CDA van nu. Tekenend voor die cultuur is de anekdote waarmee de auteurs hun beschrijving beginnen. Daarin wordt de nieuwe partijvoorzitter O.W.A. baron van Verschuer voorgehouden dat het in de partij eerder ging om de onderlinge omgang dan om zijn politieke opvattingen.
Toch is de invloed uiteindelijk moeilijk te duiden, simpelweg omdat ARP'ers en KVP’ers vaak meer op de voorgrond traden. Ten Hooven en De Jong menen echter dat juist het relativeringsvermogen van de oude CHU aan de basis ligt van de relatieve stabiliteit van het huidige CDA. Sowieso is de geschiedenis van de CHU leerzaam en actueel, bijvoorbeeld om na te gaan wat de invloed is van het conservatisme in de Nederlandse politiek. Volgens de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinniging is de CHU de enige echte conservatieve groepering die Nederland heeft gekend. De partij hield vast aan traditie en handhaafde normen en waarden. Tegelijk kon ze goed schikken en plooien, concluderen de auteurs.
Het aardige van dit boek is de combinatie van archiefonderzoek en interviews van (oud-) politici met wortels in de CHU. Dat maakt het mogelijk om het beeld zoals dat van de partij binnen én buiten CHU bestaat, te toetsen aan de archieven. Daaruit blijkt dat de herinneringen van de oudgedienden niet altijd kloppen. Dat neemt niet weg dat ook het zelfbeeld belangrijk is. Mooi is dat die herinneringen nu nog vanuit de eerste hand zijn vastgelegd voor het nageslacht.
Jaargang 21 (2010) No 3 - themanummer Regio en religie
Trefwoorden: CDA, Recensie (artikel), Politieke geschiedenis.
