WebfeedRSS
Loading

Emigratie of verzuiling?

De opbouw van het kerkelijk leven in de Noordoostpolder, 1940-1960

Klinken, G.J. van

Historici onderscheiden fases in de geschiedenis om zo enige greep te krijgen op het verloop ervan. De Middeleeuwen, de Verlichting, de belle époque en de verzuiling: het zijn door latere generaties bedachte namen om een bepaalde periode te karakteriseren en af te bakenen. Zonder deze kunstgreep is het onmogelijk om structuur aan te brengen in het complexe proces dat geschiedenis nu eenmaal is. Toch blijft het nodig om deze indelingen kritisch te toetsen aan de bronnen.

Illustratief is het debat over de term verzuiling: een gangbare aanduiding voor de Nederlandse maatschappij tussen ruwweg 1880 en 1960. Als kenmerk van de verzuiling wordt de neiging beschouwd om zich op basis van levensbeschouwing te organiseren. Zo ontstonden de orthodox-protestantse, de rooms-katholieke en de sociaaldemocratische zuil. Noodzakelijk overleg vond plaats aan de top van de zuilen, volgens de regels van de democratie. De verzuiling omvatte een dusdanig groot deel van de bevolking, dat zelfs zij die er weinig heil in zagen (met name de liberalen) tegen heug en meug in een 'restzuil' belandden. Dit verzuilingsmodel kan zich beroepen op feiten. In het Nederland van de vroege twintigste eeuw bestond inderdaad een sterke kerkelijke en politieke betrokkenheid. Wat anno 2010 vooral in het oog springt is de waardering achteraf. Ondanks twee opvallende bloeiperiodes (de soms als een 'tweede gouden eeuw' gekarakteriseerde periode 1890-1929 en het decennium van de wederopbouw in de jaren vijftig) pakt het oordeel over het verzuilingstijdvak overwegend negatief uit. Dit geldt zeker voor de kerken. Christelijk Nederland zou zich volgens de gangbare verzuilingstheorie als het ware gebarricadeerd hebben tegen alles wat de eigen identiteit dreigde aan te tasten. Toen de buitenwereld zich in de vorm van de tv alsnog aandiende kwam de klap des te harder aan, met de secularisatie vanaf de jaren zestig als gevolg.

Inleiding

Het bovenstaande beeld heeft zich inmiddels in het onderwijs een stevige plek verworven. Kinderen van christelijke origine zijn er in menig geval van overtuigd dat hun vader en moeder opgroeiden in een sfeer van verstikkende sociale controle. Een dergelijk klimaat zou geen openheid voor het avontuurlijke gekend hebben. Vernieuwing is in deze optiek een deugd die pas door de secularisatie mogelijk werd.

Deze voorstelling van zaken is wijdverbreid. Maar in hoeverre klopt zij? Was het christelijk leven vóór de jaren zestig statisch, in zichzelf gekeerd? Een proefterrein om dat na te gaan is de in 1942 drooggelegde Noordoostpolder. Al in de beginfase bloeide hier het kerkelijk leven op, waarbij iedere denominatie de regie zoveel mogelijk in eigen hand probeerde te houden: een toonbeeld van groepsvorming op levensbeschouwelijke basis. Tegelijkertijd maakte de kerkelijke opbouw deel uit van een project dat een coherente samenleving beoogde, niet een reeks gesegregeerde denominaties. Het maakt de Noordoostpolder een geschikte casus om na te gaan wat verzuiling in de jaren veertig wel of niet inhield.

Kerkopbouw bij hervormden, gereformeerden en rooms-katholieken

De grootste kerkgenootschappen in de Noordoostpolder waren de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) en de vanaf 1944 in twee denominaties uiteengevallen Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). Al deze formaties kwamen voor de vraag te staan hoe zij dachten om te gaan met identiteitsverschillen in het nieuwe land, zowel in eigen kring als in de omgang met de andere kolonisten. In dit opzicht voerde de Nederlandse Hervormde Kerk een helder beleid. Conform de bepalingen in het Algemeen Reglement van 1816 beschouwde zij de kerkopbouw in nieuw gewonnen land als een bovenlokale taak. De Algemene Synodale Commissie nam het initiatief. In de Noordoostpolder wenste zij géén 'hokjesgeest', in ieder geval niet tussen de hervormden onderling. De secretaris-generaal van de synode K.H.E. Gravemeijer zag de opbouw van de polder in het licht van de beoogde reorganisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk. Er diende één lijn getrokken te worden, van confessioneel tot vrijzinnig. Daarom kwam er één hervormde gemeente voor de hele polder, met kerken in de verschillende dorpen als wijken daarvan. De hervormde inwoners van de polder dienden een eenheid te gaan vormen, zowel kerkelijk als sociaaleconomisch. Orthodoxen en vrijzinnigen zouden zich hier gezamenlijk gaan inzetten voor de opdracht van het apostolaat. De vernieuwde kerk diende wervend en uitnodigend te zijn. De missioloog Hendrik Kraemer noemde de NOP in dit verband een 'echte proefpolder'.

De gereformeerde familie Hansma in de NOP (1942) De gereformeerden kozen voor een andere benadering. In hun optiek was de opbouw van het kerkelijk leven in de polder een verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeenten. Praktisch en financieel werden zij bijgestaan door het synodale deputaatschap voor de IJsselmeerpolders. Voor Lemmer, Oldemarkt, Blokzijl, Urk, Kampen, St. Jansklooster en Vollenhove bleek het niettemin een zware opgave. Urk deed loyaal mee en had weinig behoefte aan nauw contact met de polder. Oldemarkt en St. Jansklooster waren klein en traditioneel ingesteld. Met de enigszins vrijgevochten jongemannen in de arbeiderskampen bestond weinig affiniteit. Het pragmatisme in de polder – vervoer op zondag naar de plaats waar de dienst werd gehouden – zag de kerkenraad bezorgd aan. In crisis en oorlogstijd hadden de gereformeerde randgemeenten bovendien meer dan genoeg zorgen aan hun eigen hoofd. Het grootste verschil tussen gereformeerden en hervormden hield echter verband met de Vrijmaking van 1944. De kerkrechtelijke en theologische geschilpunten tussen de synodale en de vrijgemaakte partij waren zo subtiel, dat menigeen de pogingen opgaf om ze te doorgronden. De gevolgen waren echter vergaand: terwijl de hervormde confessionelen en vrijzinnigen in de polder samengingen in één gemeente, waren de gereformeerden uiteen gevallen in twee vijandige kampen. Ondanks familiebanden en een overeenkomende structuur onderhielden zij geen enkele vorm van contact.

Fragment uit de film "35 jaar Noordoostpolder"

Personalia Gert Jan van Klinken

Dr. G.J. van Klinken is universitair docent kerkgeschiedenis aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) in Kampen. Hij is redactielid van het Documentatieblad Nederlandse Kerkgeschiedenis (DNK) en het Jaarboek voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800. Enkele publicaties van zijn hand zijn (met Beatrice de Graaf) Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen 1854-2004 en een artikel over de gereformeerden in de Noordoostpolder in William den Boer e.a. (red.), 'Een machtig arbeidsveld'.


Bestel het complete nummer, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).


 Laatst gewijzigd: 31-05-10 - Geplaatst: 31-05-10