Christenen en de wapens
Post, P.
De kwestie of het een christen geoorloofd is wapens te dragen, heeft het doperdom en andere historische vredeskerken niet in overeenstemming geacht met de weg van Christus en dus ontkennend beantwoord. Vanuit deze vredestraditie deed ikzelf in de eind jaren '70 een beroep op de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst waarvoor ik werd erkend.
Van huis uit had ik de verschrikkelijke ervaringen van mijn vader zaliger meegekregen, die als 19-jarige jongen in de oorlogsdagen van mei 1940 had meegevochten tegen de inval van de Duitsers. Die ervaring was voor hem een omslagpunt in zijn leven geworden waardoor hij een overtuigd pacifist was geworden. Vrede en verzoening konden volgens hem alleen worden bereikt wanneer de navolging van Christus daadwerkelijk serieus werd genomen, hetgeen voor hem betekende een volstrekt afzien van geweldsdeelname.
Waren hij, was ik en al die andere dienstweigeraars in binnen- en buitenland naïevelingen die gemakkelijk achterover leunend anderen voor ons de kastanjes uit het vuur lieten halen? Waren wij dan niet blij met de geallieerden? Het zijn deze en zoveel andere vragen die de grote verdeeldheid onder medechristenen aantonen, omdat vanuit verschillende percepties wordt aangekeken tegen de zaak van de gerechtigheid en de vrede. Het is mijn taak vandaag de gerechtigheid en de vrede toe te lichten vanuit het christelijke pacifisme. Een christenpacifist is een vredestichter (van het pax facere) die zich welbewust is van het feit dat de verantwoordelijkheid om te beschermen iedereen aangaat daarbij aannemend dat de weerloze weg van Jezus normatief is. Een pacifist is zich eveneens bewust van de spanning tussen idealisme en realisme. Graag wil ik binnen de mij toegemeten ruimte met U in grote lijnen nagaan waarop de anabaptistische/doperse argumentatie voor pacifisme gebaseerd is. Daarbij neem ik u mee langs de inhoud van de doperse vredestheologie, enkele vragen rond de rechtvaardige oorlog, de verhouding van christenen tegenover de overheid en de spanning tussen idealisme en realisme die dit met zich meebrengt.
Vredestheologie
In de doperse opvatting over de kerk is de christelijke gemeente een verzameling van gelovigen die zich heeft verbonden aan het eschatologische perspectief van de Nieuwe Tijd. Daarmee is de gemeente een teken van hoop in deze bestaande, oude wereld. Belangrijk is daarbij de gelovigendoop als een teken van persoonlijk geloof en bekering waarmee het onderscheid tussen deze oude wereld en de toekomstige nieuwe wereld zichtbaar wordt gemarkeerd. De gedoopte laat de oude wereld achter zich en staat op in de Nieuwe Tijd; in Christus is hij op dat moment naar het woord van de apostel Paulus 'een nieuwe schepping': 'Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden' (2 Kor. 5:17). De gedoopte gemeente bekleedt in feite de status van eerstelingen van de Nieuwe Tijd die zich 'niet door kracht noch door geweld' manifesteert, 'maar door Gods Geest' (Zacharia 4:6, sv). De gemeente drukt hiermee haar geloof uit in God die op aarde een duurzame Nieuwe Tijd van recht en vrede wil en niet van vernietiging. Vanuit deze roeping kan zij dan ook niet anders dan vredesgemeente zijn.
Het is nu zaak dat de gemeente zó in de Nieuwe Tijd staat dat zij de wereld laat zien waar die Tijd op uitloopt, namelijk op een gemeenschap van gerechtigheid en vrede. Op die manier legt zij getuigenis af van haar geloof dat Jezus Heer is over de geschiedenis. In de praktijk betekent dit dat de gemeente in de wereld afziet van macht en geweld, maar ook dat zij zich geconfronteerd ziet met de wereldse machten en krachten. Niettemin is het haar bijbelse opdracht om de God van de gerechtigheid te allen tijde te blijven eren en altijd bereid te zijn om verantwoording af te leggen naar het woord van de apostel Petrus van de hoop die in haar is 'met zachtmoedigheid, vreze en met een goed geweten' (1 Petrus 3:15-16). Sedert het constantijnse tijdperk begon het besef te groeien dat een gemeente die zich enkel zou concentreren op de vredes- en verzoeningspraktijk van Jezus tekort schoot in haar verantwoordelijkheid voor de wereld. De maatschappij als corpus christianum dwong de christenen zonodig met het zwaard het kwade te beteugelen en in te dammen. Hieronder ligt dan ook de wortel van het besef dat een christen onder bepaalde condities aan gewelddadige gezagshandhaving en oorlogsvoering behoort mee te doen. In een publicatie van de Nederlandse historische vredeskerken (1988) beoordeelt men het leerstuk van de recht- vaardige oorlog als een restant van de eeuwenoude corpus christianum-ontwikkeling. Het is volgens (de onlangs betreurde) oudtestamenticus dr. Kees van Duin van belang bewust te zijn van deze constructie die in de kunst tot uiting is gekomen door Jezus het uiterlijk en gedrag van de keizer te geven; Christus gekleed in battledress. Deze vereenzelviging van wereldse en geestelijke macht verdraagt zich niet met het antwoord van Jezus wanneer hij tegenover Pilatus staat: 'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld was geweest, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier' (Johannes 18:36 - NBG). De constantinisering van het christendom verdient dan ook te worden gedeconstrueerd, aldus Van Duin.
Het complete artikel kunt u hier lezen.
Jaargang 20 (2009) No 1 - themanummer rechtvaardige oorlog
Trefwoorden: Rechtvaardige oorlog, Oorlogen, Pacifisme.
