WebfeedRSS
Loading

Missie in een nieuwe jas?

De plaats van particuliere ontwikkelingsorganisaties in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking

Smits, M.

Anno 2009 is de rol van Nederlandse particuliere organisaties in de hulpverlening aan derde wereldlanden niet meer weg te denken. Naast de grote, door de Nederlandse overheid gesubsidieerde organisaties als Novib, Cordaid en ICCO zijn duizenden kleinere organisaties betrokken bij de armoedebestrijding. We kunnen daarbij denken aan een plaatselijke kerkgemeenschap die voor een zusterkerk in Afrika een inzamelingsactie organiseert, maar ook particulieren die zich tijdens hun vakantie inzetten voor de bouw en inrichting van een schooltje.





Particuliere ontwikkelingshulp

Vaak zien we dat particulieren op dezelfde manier werken als de missionarissen en zendelingen dat vijftig jaar geleden deden, terwijl de professionele ontwikkelingsorganisaties, die zijn voortgekomen uit de missie en zending, een onmisbaar verlengstuk zijn geworden van het ontwikkelingsbeleid en hun aloude manier van werken achter zich hebben gelaten. In deze bijdrage wordt teruggeblikt op het ontstaan van de maatschappelijke betrokkenheid bij de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en de rol die particuliere organisaties – zowel kerkelijk als niet-kerkelijk – daarbij hebben gespeeld. Ook zal ik iets zeggen over hun invloed op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Vóór 1945 trokken missionarissen en zendelingen veelal de wereld in om in het voetspoor van koloniale mogendheden te werken aan de beschaving en bekering van de onderworpen volken in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Terwijl de protestantse zending zich uitsluitend richtte op de eigen koloniën, waren katholieke missionarissen ook daarbuiten werkzaam. De belangrijkste reden hiervoor was de vestiging in Nederland van internationale missiecongregaties, die hun werkterrein elders hadden. De Nederlandse leden van deze congregaties werkten samen met buitenlandse medebroeders in de missiegebieden die aan hun religieuze gemeenschap waren toevertrouwd. Hoewel het werk van missie en zending gericht was op het planten van de kerk als instituut, werden ontwikkelingsactiviteiten niet veronachtzaamd. In veel van de huidige ontwikkelingslanden hebben missionarissen en zendelingen de basis gelegd voor het onderwijsstelsel en de gezondheidszorg en bijgedragen aan de ontwikkeling van de landbouw. Het thuisfront werd bij dit werk betrokken middels inzamelingsacties van missie- en zendingsgenootschappen en de uitgave van missietijd- schriften.

Na de Tweede Wereldoorlog gingen behalve de missie en zending ook regeringen en niet-confessionele particuliere organisaties hulp verlenen aan minder ontwikkelde landen. In navolging van de Amerikaanse president Harry Truman, die bij zijn inauguratie op 20 januari 1949 een "bold new program" aankondigde "for making the benefits of our scientific advances and industrial progress available for the improvement and growth of underdeveloped areas", besloot de Nederlandse regering 1,5 miljoen gulden beschikbaar te stellen voor het Technische Hulpprogramma van de VN.

Oprichting Novib in 1956

Ondertussen mocht de ontwikkelingshulp zich verheugen in een stijgende publieke belangstelling. Op 7 maart 1953 trok de hoofdredacteur Johan Winkler in Vrij Nederland onder de titel 'En nu wij' een vergelijking tussen de Marshallhulp en het door Nederland beschikbaar stellen voor 'hulp aan een wereld die om algemene solidariteit roept'. Dit pleidooi vond weerklank bij dominee J.B.Th. Hugenholtz met wie Winkler een comité voor de oprichting van een noodhulpplan vormde. Tegelijkertijd begon pater Simon Jelsma op het Plein in Den Haag met het houden van zijn zaterdagse 'Pleinpreken' waarin hij wees op de armoede en ongerechtigheid in de wereld. Zijn volgelingen verenigden zich in de 'Pleingroep'.

De initiatieven van Hugenholtz en Jelsma kwamen op 23 maart 1956 samen in de oprichting van de Nederlandse Organisatie Voor Internationale Bijstand (Novib). Deze organisatie, waarvan prins Bernard algemeen voorzitter werd, presenteerde zich nadrukkelijk als een nationale organisatie met als doel "het Nederlandse volk in ruime en objektieve zin voor te lichten omtrent de noden van andere volken of volksgroepen, waar ook ter wereld". Alle maatschappelijke organisaties en politieke partijen werden uitgenodigd zich aan te sluiten bij de Novib, waarmee zij één van de weinige zuiloverschrijdende organisaties werd.

Braziliaans geld Toen de Novib zich in 1957 opmaakte voor haar grote inzamelingsactie, was echter niet iedereen enthousiast. De regering stelde weliswaar een garantie beschikbaar, maar was ook bevreesd voor de mogelijke financiële en diplomatieke gevolgen van de door de Novib bij de rege- ringen van ontvangende landen gewekte ver- wachtingen. Van conservatief-katholieke zijde werd bovendien benadrukt dat het doel van de Novib beter en doelmatiger bereikt kon worden door steun aan "onze 8000 in de missie, zonder eigenbaat, werkende priesters en religieuzen", zodat katholieken hun krachten niet hoefden te versnipperen "door steunverlening aan neutrale plannen van nieuwlichters".

Subsidie voor missie en zending

De gedachte om de ontwikkelingsactiviteiten van missie en zending te subsidiëren kwam het eerst naar voren in West-Duitsland. Bondskanselier Konrad Adenauer opperde in 1960 de gedachte, dat missie en zending een rol zouden kunnen spelen in de bilaterale overheidshulp aan minder ontwikkelde landen. Letterlijk verklaarde hij dat "wij geen betere ontwikkelingswerkers hebben dan onze missionarissen". In 1961 begon de Bondsregering met het subsidiëren van particuliere ontwikkelingsactiviteiten. Deze bestond uit een bijdrage aan de kosten van specifieke projecten, waarvoor bovendien de regering van het ontvangende land zijn instemming had betuigd. De overheidssubsidie werd toegekend aan katholieke en protestantse beheersbureaus die als schakel tussen de Bondsregering en projecten aanvragende particuliere organisaties fungeerden. Ook in de Scandinavische landen en in Zwitserland bestonden reeds vormen van overheidssteun voor particuliere ontwikke- lingshulp.

In tegenstelling tot de katholieke kerk bestonden binnen de protestantse kerken nog grote aarzelingen om subsidie te ontvangen. Veel protestanten vreesden voor nieuwe vormen van kolonialisme en voor een mogelijke afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van subsidieverlenende overheden. De Duitse Evangelische Kirche legde de kwestie voor aan de Wereldraad van Kerken, die in 1963 na heftige discussies concludeerde dat subsidie aanvaard kon worden, mits ze enkel zouden worden gebruikt voor "bepaalde nauwkeurig omschreven projecten voor dienstverlening aan land en volk in een ontwikkelingsgebied, niet de activiteiten van missie en zending in de engere zin van het woord, namelijk welke gericht zijn op de verbreiding van het evangelie".

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.4


Personalia dr. Mari Smits

Dr. Mari Smits (1961) studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1996 promoveerde hij aldaar op het proefschrift Boeren met beleid. Honderd jaar Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, 1896-1996. Sinds 2001 is hij werkzaam bij het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis voor de bronnenpublicatie Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking en sinds 2008 ten behoeve van het project Nederlands Europabeleid.

Themanummer bestellen

Bestel het complete nummer over de Nederlandse ontwikkelingshulp, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).

 Startpagina ontwikkelingssamenwerking

 OVT-dossier 50 jaar ontwikkelingssamenwerking (1999)


 Laatst gewijzigd: 19-10-09 - Geplaatst: 04-10-09