Helpt de Nederlandse hulp? Een korte geschiedenis
Hoebink, P.
Nederland behoort tot de eerste landen die ontwikkelingshulp begonnen te geven. Vanaf de jaren zestig kreeg de ontwikkelingssamenwerking een redelijke omvang en vond een eerste evaluatie van de Nederlandse hulp plaats. Sinds de jaren zeventig is ontwikkelingssamenwerking een stevig verankerd onderdeel van het buitenlandse beleid, kritisch gevolgd door allerlei maatschappelijke organisaties. De eerste minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Theo Bot, trad halverwege de jaren zestig aan. Sindsdien zaten negen ministers op deze stoel, voor het merendeel CDA'ers. Maar de langstzittende was een PvdA'er, Jan Pronk, die in drie kabinetten terugkwam.
Pronk was ook de eerste die midden jaren zeventig een begin maakte met de systematische evaluatie van de Nederlandse hulp door de oprichting van een evaluatiedienst. Ondertussen ontwikkelde het beleid zich en veranderden motieven en achtergronden van de hulp. Waar het economische eigenbelang in de beginperiode sterk overheerste, verdween dat geleidelijk aan steeds meer op de achtergrond. Daarbij komt dat Nederland misschien een klein land is in een grote wereld, maar als donor meetelt door het volume van zijn bijdrage. In dit artikel wil ik proberen de ontwikkeling van de effectiviteit van de Nederlandse hulp te volgen. Helpt de Nederlandse hulp en is dat helpen door de jaren heen veranderd, is vraag en leidraad voor het volgende.
In de periode 1945 1965, de schemerzone tussen koloniaal beleid en de formulering van een nieuw beleid, ging het bij de Nederlandse hulp nog slechts om kleine bedragen en een klein programma, vooral gericht op de koloniën, Nieuw-Guinea en Suriname, en gaf het technische assistentie voor de VN. Het ging ook om multilaterale hulp, want zo werd in de tweede nota over ontwikkelingssamenwerking van 1956 gesteld, Nederland heeft nog “steeds de voorkeur gegeven aan een multilaterale benadering”. Ondertussen was er van werkgeverszijde echter forse druk gekomen om meer bilaterale hulp te gaan geven, omdat de werkgevers vreesden voor een verslechterde concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. In 1965 was in het kabinet-Cals voor het eerst plaatsgemaakt voor een ‘Minister zonder Portefeuille belast met de aangelegenheden betreffende de hulp aan ontwikkelingslanden’, zoals de officiële titel luidde, namelijk minister Bot. In 1966 kwam deze met de eerste grote nota over het ontwikkelingsbeleid. Aan de voor- en nadelen, de weerstanden bij vorige regeringen tegen bilaterale hulp werd geen enkele aandacht besteed.
Dit is het eerste keerpunt in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid: de werkgeversorganisaties kregen met hun notities op nagenoeg alle door hen ingebrachte punten hun zin. De bilaterale hulp werd aanzienlijk verhoogd (van 4,5 miljoen gulden in 1965 naar 328 miljoen in 1972; in 1968 was de bilaterale hulp groter dan de multilaterale) en waren de door hen gevraagde projectvormen in het hulpprogramma opgenomen. Het grootste deel van die bilaterale hulp, de financiële hulp, werd beheerd door Economische Zaken. Deze financiële hulp was gebonden aan besteding bij het Nederlandse bedrijfsleven en werd zodoende uitgegeven aan orders bij een kleine groep Nederlandse bedrijven.
De opvolger van Bot was Udink. Een CHU'er en directeur van de Centrale Kamer voor Handelsbevordering en een 'geroutineerde en gerespecteerde verdediger van export- belangen'. In het kabinet-Biesheuvel, dat in 1971 aantrad, werd Udink gepromoveerd naar een 'zwaardere' ministerspost, die van Volkshuisvesting. Boertien, een voormalige bedrijfsjurist van Philips, bezette Ontwikkelingssamenwerking te kort om indruk achter te laten.
Het kabinet-Den Uyl
Na een lange formatie kwam in 1973 het kabinet-Den Uyl aan het bewind. Pronk, leerling van econoom Jan Tinbergen, werd als vertegenwoordiger van Nieuw Links de nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Nog voor hij op zijn ministerszetel zat, had Pronk zijn eerste overwinning al binnen: hij kreeg de verantwoordelijkheid over het consortia- en hulpgroepenbeleid en over de financiële hulp, die van de begroting van Economische Zaken naar die van Ontwikkelingssamenwerking verhuisde. Dat was feitelijk het resultaat van de eerste grote evaluatie van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Daarin was scherpe kritiek geuit op de manier waarop de Stichting Nederlandse Vrijwilligers functioneerde, maar vooral ook op de manier waarop Economische Zaken met de financiële hulp omging. Economische Zaken ging met boodschappenlijstjes op pad, waarin bijna dwingend werd aangewezen welke goederen en machines het hulpontvangende land van Nederland kon krijgen.
In de Nota Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking zette Pronk voor het eerst de nieuwe doelstellingen en vormgeving voor en van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid uiteen. We kunnen hier spreken van het tweede keerpunt binnen de Nederlandse ontwikkelings- samenwerking, omdat "nu eindelijk het Nederlandse ontwikkelingsbeleid zeer expliciet wordt geformuleerd". Toch zat Pronk met een grote handicap. De Nederlandse hulp bleef gebonden. Dat betekende dat er voor de snel stijgende begroting ook projecten gevonden moesten worden waarbij het Nederlandse bedrijfsleven kon worden betrokken. In principe betekent dit dat niet de vraag van ontwikkelingslanden en hun behoeften voorop stonden, maar de aanbodzijde, dat wat de donor te leveren had. De Nederlandse handel met ontwikkelingslanden bedroeg nog niet de helft van het gemiddelde van andere rijke landen en wat ons land exporteerde waren veelal voedselproducten zoals zuivel en eieren. Het aanbodpakket van Nederlandse bedrijven was dus feitelijk voor ontwikkelingslanden van gering belang en te klein. Het ging om suiker- en melkfabrieken van VMF-stork, Fokker-friendships, medische apparatuur van Philips, DAF-vrachtwagens, baggerschepen, landbouw- en veeteeltprojecten, adviesdiensten van een paar ingenieursbureaus, en later ook kunstmest.
Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.4
Themanummer bestellen
Bestel het complete nummer over de Nederlandse ontwikkelingshulp, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een
e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).
Elsevier: ontwikkelingshulp vooral schadelijk
Forumdiscussie over de vraag of ontwikkelingshulp echt helpt
Jaargang 20 (2009) No 4 - themanummer ontwikkelingshulp
Trefwoorden: Ontwikkelingshulp, Nederlandse geschiedenis, Politieke geschiedenis.
