WebfeedRSS
Loading

In arren moede. Nederlandse ontwikkelingshulp in een notendop, 1949-1989

Dierikx, M.

'De verdeling van de hulpdollars over burgers uit De Derde Wereld is oneerlijk', schrijft journalist Tobias Reijngoud in zijn boek Ontwikkelingssamenwerking in 2 uur en 53 minuten. 'De armste mensen krijgen niet de meeste hulp'. Toch is de bestrijding van armoede een voordehandliggende en geaccepteerde doelstelling van ontwikkelingssamenwerking.

In beleidsdocumenten die de afgelopen tien jaar door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis verzameld, geselecteerd, bewerkt en gepubliceerd zijn in de zesdelige bronnenuitgave Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking, speelde 'armoede' tot in de tweede helft van de jaren zeventig echter amper een rol. Het eerste ambtelijke stuk waarin 'armoede' figureerde, dateerde uit maart 1953. Totdat minister Jan Pronk in april 1975 aankondigde dat hij de helft van de totale hulpverlening wilde gaan gebruiken om rechtstreeks de massale armoede in de Derde Wereld te lijf te gaan, bleef het omtrent de beleidsmatige bestrijding van armoede betrekkelijk stil. Jan Pronk, oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking (1973-1977) © De Standaard
Pas onder zijn opvolgers Jan de Koning, Kees van Dijk, Eegje Schoo en Piet Bukman werd het thema tot een onderwerp dat in de jaren tachtig met regelmaat terugkwam in beleidsstukken. Maar waarover ging het beleid dan wél?

Als beleidsterrein dateert ontwikkelingssamen- werking uit 1949. Deels was het een vervolg op koloniale ontwikkelingsdoelen die in de eerste helft van de twintigste eeuw werden geformuleerd. Deels ook was het een internationaal-politiek middel ten dienste van het liëren van nieuwe staten in Azië en Afrika aan de westerse belangen in de Koude Oorlog. In januari 1949 verwoordde Harry Truman het in zijn toespraak bij de acceptatie van zijn tweede termijn als president van de Verenigde Staten. Als vierde agendapunt voor zijn presidentschap wilde Truman ten strijde trekken tegen de onderontwikkeling, die aan de basis lag van de armoede die grote delen van de wereldbevolking in haar greep hield. Hij riep de meer ontwikkelde landen op om door middel van kapitaalsinvesteringen in gebieden met een achterstand in ontwikkeling en door de inzet van wetenschappelijke en technische kennis via de Verenigde Naties gezamenlijk te werken aan "a worldwide effort for the achievement of peace, plenty, and freedom." Als grote voorbeeld voor de nieuwe plannen fungeerde de Marshallhulp, die eveneens politieke en economische doeleinden combineerde. Niet alleen voor de arme gebieden zelf, maar ook voor de meer welvarende delen van de wereld, werd het vraagstuk van de onderontwikkeling immers gezien een bedreiging.

Koopman en dominee hand in hand

Nederland ging in 1950 bijdragen aan het nieuwe internationale beleidsterrein, nadat in 1949 in het kader van de Verenigde Naties voor het eerst geld was toegezegd voor hulpverlening: anderhalf miljoen gulden. Op de Technische-Hulp Conferentie van de VN, van 12-16 juni 1949, werd door de Nederlandse vertegenwoordiger 1.520.000 gulden beloofd voor de eerste 18 maanden van het nieuw te starten Expanded Program for Technical Assistance (EPTA). Hiervan werd bij suppletoire begroting voor 1950 tenslotte een bedrag van één miljoen gulden geoormerkt. Dit bedrag – in niet-converteerbare valuta – werd geheel in Nederland uitgegeven. Dit zou in de daarop volgende jaren slechts ten dele veranderen. Een aanzienlijk deel van de hulpgelden circuleerde in eigen land. In de beginjaren werden de kosten veelal beschouwd als een investering ten behoeve van toekomstige export. De middelen werden besteed aan toelagen voor studie en levensonderhoud aan studenten uit 'laagontwikkelde landen' die in Nederland werden opgeleid, aan in Nederland te verrekenen kosten van uitzending van deskundigen (bijvoorbeeld toelagen aan achtergebleven familieleden of verrekening van salaris) voor speciale projecten, en aan het verzorgen van Engelstalige documentatie op het gebied van de tropische landbouw.

Bestrijding van ‘armoede’ kwam niet voor in de nota waarin de voornemens werden vastgelegd. De Nederlandse bereidheid tot het doen van een bijdrage diende vooral te worden toegeschreven aan de internationaal-politieke omstandigheden waarin het land in 1949 verkeerde – en wel in het bijzonder aan de afkeer waarmee de statengemeenschap in de VN had gereageerd op het Nederlandse beleid ten aanzien van het Indonesische streven naar onafhankelijkheid. De Haagse steun aan het EPTA-programma was dan ook ingegeven door de wens tot behoud van de traditionele positie van Nederland als middelgrote mogendheid in Azië. Door zich een prominente plaats te verwerven in het nieuwe VN-programma kon Nederland iets van het beschadigd blazoen repareren – en tevens mogelijke nieuwe exportmarkten verkennen, want ook hier gingen de spreekwoordelijke koopman en de dominee hand in hand. Bovendien opende het VN-programma in potentie een nieuwe, politiek neutrale weg voor het behoud van de economische banden met Indonesië. In hetzelfde kader streefde Den Haag naar aansluiting bij het Colombo Plan, dat naast het VN-programma onder Brits-Australische hegemonie werd opgezet ter bevordering van de ontwikkeling van de nieuwe staten in Azië.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.4


Themanummer bestellen

Bestel het complete nummer over de Nederlandse ontwikkelingshulp, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).

 De Nederlandse ontwikkelingshulp in jaartallen (pdf-schema)


 Laatst gewijzigd: 08-10-09 - Geplaatst: 27-09-09