Karel V en de verhouding tussen godsdienst en politiek:
De onderhandelingen in Frankfurt (1539)
Stolk, M.
Met veel interesse heb ik kennisgenomen van het artikel van Lammert van Hemert over de politiek van Karel V tijdens de rijksdag in Regensburg van 1541. In zijn bijdrage maakt hij duidelijk dat in deze periode godsdienst en politiek nauw met elkaar verbonden waren. Om zijn politieke plannen te kunnen realiseren, diende Karel eerst de religieuze tegenstellingen te overbruggen. De auteur concludeert dat de religieuze discussies, die weliswaar 'door een heel scala aan politieke motieven' werden beïnvloed, duidelijk aan de politieke discussies voorafgingen. Er werd 'nadrukkelijk eerst over religie gediscussieerd', zo stelt hij.
Of deze conclusie recht doet aan de toenmalige situatie, is echter de vraag. De verhouding tussen godsdienst en politiek lag zo gecompliceerd, dat het niet mogelijk is te stellen dat de religieuze discussies aan de politieke voorafgingen. Godsdienst en politiek waren nauw met elkaar verweven. Ik hoop dit duidelijk te maken aan de hand van de besprekingen in Frankfurt (1539). Er kon niet over theologische verschillen worden gesproken, zolang een aantal politieke en godsdienstige vraagstukken niet was opgelost.
Oorlog tussen protestanten en rooms-katholieken?
Aan de vooravond van de godsdienstgesprekken stond de Schmalkaldische Bond op voet van oorlog met de rooms-katholieke standen in het Duitse Rijk. Het keizerlijk justitieel hof, het 'Reichskammergericht', had de protestantse stad Minden veroordeeld, omdat zij tot de Bond was toegetreden. Een gewapend conflict leek onvermijdelijk. De protestantse leiders, land-graaf Philips van Hessen en keurvorst Johan Frederik van Saksen, voelden zich min of meer genoodzaakt militair in te grijpen. Ook het rooms-katholieke kamp was op een oorlog voor-bereid. De hertogen van Beieren verwachtten dat de Schmalkaldische Bond zijn kans zou grijpen om de rooms-katholieke standen aan te vallen. De protestanten zouden 'ainen beschwerlichn und verderblichen krieg’ willen beginnen, nu de keizer 'mit andern kriegn, so dieselb wider den Turcken vorhaben, beladen und inen kainen widerstandt thun mögen'. De pauselijke curie wilde dat de Karel V hard tegen de protestanten zou optreden. Onder het mom van een oorlog met de Turken – die nog best een jaar kon worden uitgesteld – zouden de keizerlijke troepen orde op zaken moeten stellen.Ondertussen had Karel V de wens uitgesproken om 'disse religion und glaubenssachen durch gutliche friedliche weg und mittel zu vorgleichen und zu voreinigen'. Er diende een bijeenkomst te worden gehouden, waar zou worden gestreefd naar een 'bestendigen friden, fernern stilstand oder vergleichung'. Door de Minden-affaire hadden Philips van Hessen en Johan Frederik van Saksen echter hun vertrouwen in de bemiddelingspogingen verloren. Ook Philipp Melanchthon had weinig hoop op een goede afloop van het conflict.
Hij was van mening dat de stand van de sterren en de aanstaande zonsverduistering niet veel goeds beloofden. Johannes Calvijn, die zich nauw bij de protestantse zaak betrokken voelde, verwachtte dat de strijd ieder moment kon uitbreken. Hij meende dat sommige rooms-katholieke vorsten brandden van verlangen om een oorlog te beginnen. Zij zouden zich al voor de strijd hebben toegerust, maar er nog van worden weerhouden omdat de Turken zouden aanvallen als het Duitse Rijk in oorlog was. Dat de crisis van de jaren 1538-1539 het Rijk niet in een oorlog deed storten, was mede te danken aan degenen die zich sterk maakten voor een vreedzame oplossing van het conflict. De Straatsburgse magistraat Jakob Sturm pleitte er voor om de 'fride zu suchen' en de 'krieg nit antzusahen'. Anders, zo betoogde hij, 'wirt der schade Teutscher nation so gross, dass sie es in vil hundert jaren nit uberwinden wirt'. De Bond diende door onderhandelingen de vrede te waarborgen. 'Vrede is beter dan oorlog', vatte Sturm kort samen. De meerderheid van de leden van de Schmalkaldische Bond sloot zich bij dit oordeel aan. In Frankfurt zou met de vertegenwoordigers van de keizer en de rooms-katholieke standen worden gezocht naar een oplossing voor het politieke en godsdienstige conflict dat het Rijk verdeelde.
De onderhandelingen in Frankfurt
Onder leiding van de keizerlijke gezant Johan van Weeze begonnen op 25 februari de besprekingen. Twee bemiddelaars, de hervormingsgezinde keurvorsten Joachim II van Bran- denburg en Lodewijk V van de Palts, fungeerden als trait-d'union tussen beide partijen. De protestantse en rooms-katholieke standen zouden niet direct met elkaar onderhandelen, maar reageren op de voorstellen en de tegenvoorstellen die de bemiddelaars zouden overbrengen. Godsdienstige kwesties, zoals het probleem van de recht- vaardiging en de transsubstantiatie, kwamen tijdens de besprekingen niet aan de orde. Voordat er over deze onder- werpen gesproken kon worden, diende allereerst de vrede in het Rijk te worden gewaarborgd. Voor zaken die deze vrede in de weg stonden, moest een (tijdelijke) oplossing worden gezocht.
Een aantal onderwerpen stond in het centrum van de belangstelling. In de eerste plaats beraadden de protestanten zich over de voortzetting van de in Neurenberg (1532) bereikte vrede. Er was toen besloten dat geen van beide partijen de wapens zou opnemen of in geval van oorlog een bondgenoot militair zou ondersteunen. In Frankfurt wensten de protestanten een blijvende vrede, zonder opgelegde beperkingen. De processen van het 'Reichskammergericht' en de vraag of de Schmalkaldische Bond haar ledental verder zou mogen uitbreiden, vormden echter een heet hangijzer. De keizer eiste dat de Bond geen nieuwe leden zou verwelkomen, maar de protestanten wezen alle restrictieve maatregelen af.
Personalia Maarten Stolk
Maartern Stolk is redacteur bij het Reformatorische Dagblad
Download het complete artikel (Pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 13 (2002) No 2
Trefwoorden: Karel V, Godsdienstoorlogen, 16e eeuw.
