WebfeedRSS
Loading

Jongeling als underdog

Een confessioneel politicus en de controverses rond de Joegoslaaf Edouard Calic

Veenhof, H.

Op 31 maart 2009 was het precies een eeuw geleden dat Pieter Jongeling (1909-1985) werd geboren. Van 1948 tot 1974 was hij hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad, de krant die in 1968 omgedoopt werd tot het Nederlands Dagblad. Voor het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zat Jongeling in het tijdvak 1963-1977 in de Tweede Kamer. Als jeugdboekenschrijver Piet Prins en GPV-politicus werd hij een Bekende Nederlander.


Aan dit alles ging een treurige geschiedenis vooraf. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, van juli 1942 tot eind april 1945, verbleef Jongeling in het concentratiekamp Sachsenhausen, iets ten noorden van Berlijn. De Konzentrationslager (KZ)-genoot die Jongeling in Sachsenhausen als 'zijn beste vriend' beschouwde en zonder wiens praktisch vernuft hij de oorlog niet had overleefd, was Edouard ('Edo') Calic. Van de vijf mannen met wie Jongeling in nauw contact stond, was alleen dat met Calic blijvend. Waarom en hoe?

Lettervretende survivaltocht

Van alle vijf KZ-genoten wisselen Jongeling en Calic de meeste brieven uit. In het begin is het persoonlijk. De correspondentie gaat met tussenpozen door tot in de jaren tachtig, maar heeft dan ook politieke redenen.

Edouard Calic (1910-2003) was een Kroatisch historicus en journalist, afkomstig uit Pula, op het schiereiland Istrië; daar is nu nog een afdeling van de universiteitsbibliotheek aan hem gewijd. Hij studeert in 1934 af in Karlovac en vertrekt in 1939 voor persagentschap Novosti naar Berlijn. Daar schrijft hij voor Joegoslavische media, wil promoveren als filosoof en doet af en toe wat voor joden en politieke dissidenten. Calic komt in de problemen als Hitlers troepen zijn vaderland bezetten. Na verhoor door de Gestapo wordt hij eind 1942 naar Sachsenhausen gestuurd. In december treffen Jongeling en hij elkaar bij het Klinkerwerk en meteen raken ze bevriend: beiden zijn journalist en lettervreter, dus is er gespreksstof genoeg. Jongeling volgt Calic in zijn survivaltocht. In de relatieve luwte van de administratieve barak één komen ze de oorlog door. "Hij was een echte ritselaar met een grote bek als het moest. Vader leunde helemaal op de straatwijsheid en de bluf van Calic. Ik denk dat hij door hem het kamp heeft overleefd. Hij had zo protectie, kreeg de betere baantjes in de pakjeskamer en de schrijfstudio," zegt Herman Jongeling, de oudste zoon van de politicus. Diens zwager Hindrik Heerema: "Calic? Een héél handige jongen."

Publiceren

De anticommunist Calic kan niet terug naar het Joegoslavië van Tito, vestigt zich in Parijs en werkt als publicist voor het uit het Franse verzet stammende tijdschrift Combat en het culturele bureau Opera Mundi. In 1959 wordt hij weer correspondent in Berlijn. Hij krijgt een woning en een groot bedrag als schadevergoeding voor zijn kampjaren. In 1963 doctoreert hij alsnog. Hij schrijft ongeveer twintig boeken, waarvan de meerderheid politieke reisreportages betreft.

In de jaren zestig publiceert hij vier dikke pillen die hem tot een controversiële persoon maken. Ze gaan allen over de Tweede Wereldoorlog. In 1966 verschijnt Himmler et son empire, een megaboek waarin hij zijn ervaringen en de geschiedenis van SS en KZ ineenweeft. Twee jaar later verschijnt Hitler Ohne Maske. Dat is gebaseerd op twee lange gesprekken die Hitler en Hess in mei en juni 1931 gehad zouden hebben met Richard Breiting, toen journalist bij de Leipziger Neueste Nachrichten. Hitler ontvouwt zijn plannen, inclusief de terreur jegens de joden en uit de beroemd geworden, maar apocriefe kreet: "Erinnern Sie sich doch an die Ausrottung Armeniens". Met andere woorden, niemand geeft iets om hen.

De Rijksdagbrand

Echt omstreden wordt Calic in 1969 met de publicatie van zijn boek Le Reichstag brûle ('De Rijksdag brandt!'). Dat boek gaat over de Rijksdagbrand, gesticht in de nacht van 27 op 28 februari 1933 door de Nederlandse arbeider Marinus van der Lubbe. Die wordt gepakt, berecht en in januari 1934 onthoofd. De brand geeft de net aan de macht gekomen nazi's de legitimatie duizenden mensen op te pakken en met hun terreur te beginnen. De Rijksdagbrand leidt tot een Historikerstreit, die vanaf het eerste vlammetje tot vandaag aanhoudt.

De hamvraag is: wie zit er achter deze brand? Grofweg zijn er drie dadertheorieën: de communisten, de nazi's zelf of Van der Lubbe alleen. De eerste theorie – de brand als teken voor een rode opstand – werd geformuleerd door de nazi's en wordt niet meer aangehangen. De tweede was in allerlei varianten gemeengoed tot ongeveer 1960. De derde theorie wint veld door publicaties van revisionistische historici. De meest geruchtmakende is het boek van de nu 97-jarige Fritz Tobias, Der Reichstagsbrand - Legende und Wirklichkeit, uit 1962. Calic bijt zich vast in de strijdvraag over het daderschap van de nazi's. Hij ziet ontkenning daarvan als een bewijs dat er een mystificerende samenwerking is tussen de revisionistische, linksachtige historici en de 'rehabiliteerders', die de naziheerschappij bagatelliseren of de schuld afschuiven op een kleine groep rond een acceptabele, maar geprovoceerde Hitler.

Edouard Kalic rond 1965
Calic verzamelt rond 1968 beroemde namen in zijn Komittee zur wissenschaftlichen Erforschung der Ursachen und Folgen des Zweiten Weltkrieges. Dat krijgt ook een Franse tak, met een eigen tijdschrift: Le Voix de la Résistance. Het gaat om politici, weten- schappers en kampgenoten die dan gewicht hebben gekregen: SPD-kanselier Willy Brandt, historicus André Malraux, de Zwitserse en Duitse historici Walther Hofer en Golo Mann, en de Luxemburger Pierre Gregoire. In 1972 en 1978 komt Calic met Hofer tot de publicatie van twee dikke 'bronnenboeken'.

Calic is weinig subtiel en krijgt in Duitsland steeds fellere tegenstand. Typerend voor een Historikerstreit is dat die altijd persoonlijk wordt. De research raakt gepolitiseerd en de verschillende kampen tasten elkaars integriteit aan of plegen karaktermoord. Dat gebeurt rondom Calic in extreme mate, maar hij escaleert zelf mee. Tot op hoge leeftijd voert hij verbitterd en met veel lawaai historiografische achterhoedegevechten, waarvoor hij graag de parlementariër Jongeling inzet, naast talloze andere Europese contacten.

In 1982 komt er nog een dik boek over SD-chef Reinhard Heydrich, met als noviteit dat die in 1931 was ontslagen bij de marine wegens spionage voor nazi's. Maar tegen die tijd is Calic een tandenloze tijger geworden, te controversieel om echt mee te doen; hij kan nergens echt meer aarden, woont afwisselend in Parijs en Berlijn om – uitgekotst in Duitsland – ten slotte oud te worden in Salzburg.

Onder vuur

Calic ligt vanaf 1968 onder zwaar vuur. Vooral in de linkse, liberale media als Der Spiegel en door gezaghebbende historici als Hans Mommsen wordt hij aangepakt. Dat is deels terecht. Zijn boek met de Hitler-gesprekken berust op stenografische aantekeningen die bij publicatie in een DDR-kluis liggen. Bovendien constateert Calics levenslange erfvijand 'met de Hollandse naam', Karl Heinz Janssen, journalist bij het Die Zeit, dat Hitlers Duits wel erg Kroatisch overkomt.

In september en oktober 1979 wijdt Die Zeit een serie van vier artikelen aan Calic: 'Kabale um den Reichstagsbrand'. Daarin wordt de Joegoslaaf weggezet als een fantast en vooral fraudeur, vanaf den beginne. Calic zou nooit een doctoraat hebben behaald, hij zou in het Derde Rijk een dubbelrol hebben gespeeld, door de SS als Ehrenhäftling in Sachsenhausen zijn geplaatst, daar een eigen kamer en gewone kleren hebben gedragen en alleen op verzoek hebben gewerkt. Hij zou de identiteit van de coupplegers tegen Hitler (de aanslag-Stauffenberg op 20 juli 1944) die deels terechtkwamen in Sachsenhausen hebben verward, hij zou helemaal niet hebben deelgenomen aan de Todesmarsch, maar met een valse identiteit als directielid van het Rode Kruis gewoon met een vrachtwagen van Sachsenhausen naar Schwerin hebben gereden. Kortom, de man is volkomen onbetrouwbaar en komt aan roem en bezit over de ruggen van hen die wel echt hebben geleden in de kampen.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.3


Personalia Herman Veenhof

Herman Veenhof (1959) is journalist bij het Nederlands Dagblad. Op 1 april 2009 presenteerde hij een wetenschappelijke biografie over Piet Jongeling: Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985): journalist, politicus en Prins (Barneveld: De Vuurbaak).

Duitse documentaire over Reichstagbrand 1933



Bestel het complete nummer over confessionele politiek, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).


 Laatst gewijzigd: 08-10-09 - Geplaatst: 12-09-09