WebfeedRSS
Loading

Continuďteit en verandering in de confessionele politiek

Introductie

Napel, H.M. ten

In twee recente Amerikaanse bundels wordt ingegaan op de opvattingen binnen respectievelijk het moderne rooms-katholicisme en het moderne protestantisme over recht, politiek en de menselijke natuur. De term 'modern' betreft in dit geval geen theologische kwalificatie, maar staat voor denkers uit de negentiende en de twintigste eeuw.




Ideologische toenadering

De beide bundels bevatten uit de aard der zaak slechts een selectie van in aanmerking komende persoonlijkheden. Zo passeren in het deel over het rooms-katholicisme respectievelijk de revue: paus Leo XIII (1810-1903), Jacques Maritain (1882-1973), John Courtney Murray, S.J. (1904-1967), paus Johannes XXIII (1881-1963), Gustavo Gutiérrez (geboren in 1928), Dorothy Day (1897-1980) en paus Johannes Paulus II (1920-2005). In het deel over het protestantisme komen achtereenvolgens aan de orde Abraham Kuyper (1837-1920), Susan B. Anthony (1820-1906), Karl Barth (1886-1968), Diettrich Bonhoeffer (1906-1945), Reinhold Niebuhr (1892-1971), Martin Luther King Jr. (1929-1968), William Stringfellow (1928-1985) en John Howard Yoder (1927-1997). Niettemin komt wie kennisneemt van de verschillende hoofdstukken onvermijdelijk onder de indruk van de bijdrage die het moderne christendom heeft geleverd aan het politieke denken. Zeker katholieken hebben zich diepgaand bezonnen op de staat in het algemeen en de verhouding tussen de sferen van kerk, staat en samenleving in het bijzonder. Voor hen vormde dit de essentie van de sociale kwestie. In het licht van actuele discussies over de toekomst van het protestantisme is het echter goed te beklemtonen dat iemand als de historicus Mark Noll ook nadrukkelijk spreekt van 'the ongoing vigor of Protestant theology'.

Hoewel zowel Rome als Reformatie haar eigen aandeel heeft geleverd, is er – zoals de redacteuren van beide bundels terecht opmerken – sprake van ‘more confluence than conflict’ in het katholieke en protestantse denken over politiek. Noll suggereert weliswaar het bestaan van een overigens algemener verondersteld accentverschil, wanneer hij schrijft dat protestantse theologen niet zoveel aandacht schenken aan thema's als gemeenschap en solidariteit als katholieke denkers hebben gedaan. Bij lezing van de verschillende hoofd- stukken van het deel over het protestantisme springt dit echter niet zonder meer in het oog. Eerder lijkt het, zeker sinds de tweede helft van de twintigste eeuw, op grond van beide bronnen lastig de vinger te leggen bij punten waarop katholieke en protestantse opvattingen thans nog botsen.

Ongetwijfeld is de ideologische toenadering primair te danken aan het feit dat het protestantisme in de loop van de twintigste eeuw diepgaand oecumenisch van karakter is geworden. Gedurende de laatste vier decennia van de twintigste eeuw is deze oecumenische gezindheid zich bovendien op een tot dan toe moeilijk voorstelbare schaal tevens gaan uitstrekken tot de Rooms-Katholieke Kerk. Onder rooms-katholieke denkers hebben zich in oecumenisch opzicht al evenzeer belangwekkende ontwikkelingen voorgedaan.

Grondslagdiscussies

De totstandkoming van het Christen Democratisch Appčl (CDA) in 1980 kan niet los worden gezien van de ingrijpende kerkelijke en theologische veranderingen die zich na de Tweede Wereldoorlog ook in Nederland hebben voltrokken. Dat de eenwording niettemin relatief lang heeft geduurd, laat zich verklaren uit het feit dat over de precieze inhoud van het te formuleren antwoord op deze veranderingen de meningen binnen en tussen Anti-Revolutionaire Partij (ARP), Christelijk-Historische Unie (CHU) en Katholieke Volkspartij (KVP) onderling geruime tijd uiteen hebben gelopen. De meningsverschillen concentreerden zich, ondanks de hier- boven beschreven ideologische toenadering tussen Rome en Reformatie in het algemeen, op de grondslag en de politieke koers van zowel de drie bestaande partijen als van de nieuw te vormen partijformatie.

Wat de grondslag betreft was er om te beginnen het vraagstuk van de gewenste verhouding tot de kerken. ARP, CHU en KVP zijn nooit ‘kerkelijke’ partijen geweest, in de zin dat zij ondergeschikt waren aan een bepaald kerkelijk gezag en daarvan hun voorschriften ontvingen over hoe te handelen. Niettemin hebben kerken in de periode van de verzuiling ongetwijfeld bijgedragen aan de invloed van de christelijke partijen. In het bijzonder gold dit voor de Gereformeerde Kerken in Nederland in relatie tot de ARP en de Rooms-Katholieke Kerk in relatie tot achtereenvolgens Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) en KVP. Terwijl de ARP in haar beginselprogramma’s als uitvloeisel van het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring de idee van een kerkelijke partij afwees, was de KVP in dit opzicht, zeker in de ogen van ARP en CHU, tweeslachtiger. In 1966 nam zij in haar rapport Grondslag en karakter van de KVP echter de laatste twijfels in dit verband weg en ruimde daarmee een belangrijk obstakel voor de CDA-fusie uit de weg.

Een belangrijk twistpunt dat de drie partijen vervolgens in de aanloopperiode tot de CDA-fusie heeft beziggehouden was, of een nevenschikking van inspiratiebronnen aanvaardbaar zou zijn. Hierbij ging het om de zedelijke beginselen van het christendom en het humanisme. Door beide soorten zedelijke beginselen als gelijkwaardige inspiratiebronnen te erkennen zou – zo was de gedachte – een algemene volkspartij kunnen ontstaan, waarbinnen christenen en niet-christenen met elkaar samenwerkten.

In zowel de ARP als de CHU heeft vanaf het begin weinig twijfel bestaan, dat een dergelijke veralgemenisering ongewenst zou zijn. Hierbij speelde, naast de gehechtheid aan de christelijke organisatie, ook de vrees voor een uitstroom van principiële kiezers naar de kleine christelijke partijen een rol. In de KVP, daarentegen, manifesteerden zich in het begin van de jaren zestig twee stromingen: naast de christen-democraten, waren er aanhangers van een 'open' partij gekenmerkt door een nevenschikking van christendom en humanisme. De – ongelijke – strijd tussen beide stromingen in de KVP heeft voortgeduurd tot voorjaar 1975, toen de begin 2009 overleden D. de Zeeuw terugtrad als KVP-partijvoorzitter. Kort daarvoor waren de drie partijen tijdens een belangrijke vergadering van het algemeen bestuur van het CDA in Woudschoten overeengekomen, dat de nieuw te vormen partij het evangelie als richtsnoer voor haar politiek handelen zou aanvaarden.

Nadat hierover overeenstemming was bereikt, ontstond in de aanloop tot het eerste CDA-congres in 1975 een nieuwe grondslagdiscussie, die de persoonlijke aanspreekbaarheid van leden en vertegenwoordigers van de nieuw te vormen partij op de ene, algemeen-christelijke grondslag tot inzet had. Terwijl in de eerste grondslagdiscussie de ARP en de CHU zich tegenover een deel van de KVP opstelden, botsten in deze tweede grondslagdiscussie de KVP en de CHU met een deel van de ARP, onder wie fractievoorzitter Willem Aantjes. Aan het meningsverschil over de persoonlijke aanspreekbaarheid van leden en vertegenwoordigers op de partijgrondslag kwam pas een einde na de verschijning, in 1978, van het door een commissie onder voorzitterschap van de voormalige CHU-voorzitter Verschuer uitgebrachte Rapport grondslag en politiek handelen. Volgens dit rapport, dat als een van de basisdocumenten van de fusie kan worden beschouwd, en waarin de weg terug werd gevolgd naar de door P.A.J.M. Steenkamp reeds in 1972 opgestelde nota Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij, fungeert het evangelie weliswaar als richtsnoer voor het politieke handelen van het CDA. Het samenbindende element in de partij is echter niet het evangelie zelf of het kerkelijk leergezag, maar de als antwoord op de oproep van het evangelie geformuleerde 'politieke overtuiging'. Hierdoor kan het CDA zich, meer dan zijn drie voorgangers, zonder onderscheid naar geloofsovertuiging of maatschappelijke positie richten tot de gehele Nederlandse bevolking en in zijn politieke werk bovendien afstand bewaren tot de kerken. Tot de partij, zo is de gedachte, treedt men niet langer toe op grond van het feit dat men tot een bepaalde zuil en/of kerkelijke gezindte behoort. Men treedt tot het CDA toe op eigen gezag, omdat men zich kan vinden in de in beginsel- en verkiezingsprogramma's van de partij neergelegde politieke overtuiging en aanvaardt dat het hart hiervan wordt gevormd door de inspiratie van en de toetsing aan het evangelie.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.3


Personalia Hans-Martien ten Napel

Mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel is als universitair docent Staats- en Bestuursrecht verbonden aan het Instituut Publiekrecht van de Universiteit Leiden.


Bestel het complete nummer over confessionele politiek, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).


 Laatst gewijzigd: 18-10-09 - Geplaatst: 12-09-09