WebfeedRSS
Loading

Geschiedschrijving gaat soms van au

De Jongeling-biografie en de 'nieuwe' vrijgemaakte histo- rici

Sol, C.

De journalist en historicus Herman Veenhof veegt in zijn recent verschenen biografie Zonder twijfel over de vrijgemaakt-gereformeerde voorman Pieter Jongeling (1909-1985) de vloer aan met de vrijgemaakt-gereformeerde historici. "Het beste is [Jongeling] in zijn tijd te laten staan", is zijn boodschap aan het adres van "de nieuwe historici die zich tegen hem afzetten". Een van die nieuwe historici ben ik, zo blijkt uit hoofdstuk 11. Frappant is dat Veenhof in zijn laatste hoofdstuk 'What would Jongeling do?' Jongeling probeert te plaatsen in de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van nu. Hier valt hij mijns inziens in de kuil die hij voor anderen gegraven heeft. Wat is hier aan de hand? Een verhaal over geschiedbeoefening en identiteitsbeleving.

Laat ik vooropstellen dat het goed is dat Veenhof een biografie over Jongeling heeft geschreven. Jongeling was een markante figuur binnen de kring van de vrijgemaakt-gereformeerden, als hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, en ook daarbuiten, als voorman van het GPV en als de kinderboekenschrijver Piet Prins. Veenhof heeft zich goed gedocumenteerd en is er in geslaagd een prettig leesbaar boek te schrijven. Hij is niet wars van pittige karakteriseringen. Zo beschouwt hij de oudere generatie vrijgemaakte herdenkingsboekenschrijvers als hagiografische fotoboekplakkers, de jongere generatie professioneel opgeleide historici als 'debunkers' en de kerkhistorici die nu onderzoek doen als krachten tot behoud die nu ook opeens kritischer durven te schrijven. Veenhof meent dat het beeld van het vrijgemaakt-gereformeerde verleden door die 'nieuwe historici' veel te negatief is ingekleurd. Hij verklaart dat uit hun 'ongerief met hun voorgeslacht'. In zijn biografie wil Veenhof het gemis aan gevoel voor historische context dat hij bij hen bespeurt, compenseren door Jongeling af te kraken noch op te hemelen. Hij wil Jongeling leren begrijpen door zijn 'eigen tijd als meetlat' te hanteren. Deze bijdrage duidt eerst de historiografie van de laatste vijftien jaar. Daarna volgt als illustratie de controverse tussen Veenhof en mij over het historische beeld van Jongeling.

Vuur en vlam in de pers (of andersom)

De vrijgemaakt-gereformeerden zijn nu een jaar of vijftien bezig met indringende zelfreflectie. Die begon rond 1994 met de herdenking van vijftig jaar Vrijmaking. Naast de theologen en de dominees lieten ook professioneel opgeleide historici van zich horen. Van hun hand verschenen diverse publicaties waarin ze verslag uitbrachten van hun tocht door de archieven. Het boek Diakonie in verleden en heden van de historicus George Harinck deed in 1992 de wenkbrauwen fronsen bij enkele recensenten, vanwege de vermeende afstandelijkheid. Niet lang daarna maakte de historiografische trilogie Vuur en vlam (1994, 1998 en 2004) heftige reacties los. In de kerkelijke pers was de heersende opinie dat het vrijgemaakte verleden afgeschreven werd met een optelsom van kerkelijke twisten en persoonlijke conflicten. Het werd geoormerkt als liefdeloze geschiedschrijving, zonder oog voor de positieve aspecten van het vrijgemaakte leven en zonder respect voor het voor- geslacht.

Deze reactie op Vuur en vlam was begrijpelijk. De onderwerpkeuze in de eerste twee delen wás nu eenmaal confronterend. Onderwerpen en kwesties die al decennialang zwaar op de maag lagen, werden aan de hand van de beschikbare bronnen ontleed. Geen historicus die er toen aan dacht om dat niet te doen. Daarbij komt dat ruim tien jaar geleden de vrijgemaakt-gereformeerde wereld in een crisis verkeerde. De gemeenschap dreigde in groepen met verschillende ligging uiteen te vallen. De vertrouwde, vrijgemaakte identiteit stond zwaar onder druk. Het graafwerk van de jonge historici van toen werd ervaren als zout in de wonde. De verwerking van de pijn van de verdeeldheid, anders gezegd: het wennen aan meer pluriformiteit-in-eigen-kring, was bij lange na nog niet begonnen. De afgelopen jaren is de storm wat gaan liggen. Het is daarom niet verwonderlijk dat het derde deel van Vuur en vlam in 2004 weinig reactie opriep.

Een karrenvracht aan zwaarmoedigheid

Inmiddels hebben ook kerkhistorici en studenten van de Theologische Universiteit Kampen zich gewijd aan onderzoek naar het vrijgemaakt-gereformeerde verleden. Een sprekend voorbeeld is het boek Vrijgemaakte vreemdelingen (2007), dat onder redactie stond van de Kamper hoogleraar kerkgeschiedenis Mees te Velde. Dit boek toont aan dat de kritische reflectie vanuit de bronnen ook in de gevestigde vrijgemaakte kringen is begonnen. Schoorvoetend, dat wel. Bovendien doet een aantal bijdragen vooral dunnetjes over wat in eerdere publicaties al gepresenteerd is, alleen blijkt dat niet uit de literatuurverwijzingen. De verrassende invalshoeken in het boek komen van referenten zoals Roel Kuiper, Rolf van der Woude en Hans Werkman, en niet van de theologen, een enkele uitzondering daargelaten (Egbert Jacob Terpstra, de enige theoloog in het boek die niet vrijgemaakt-gereformeerd is). Bij het lezen van een boek als Vrijgemaakte vreemdelingen krijg ik het gevoel dat er een deken over de historici wordt heen gelegd. De geschiedschrijving moet een doel dienen. Dat blijkt te kloppen. Dit boek komt voort uit de behoefte om het verleden te verwerken en de vrijgemaakte identiteit te vernieuwen, zo schrijft de kerkhistoricus Mees te Velde in zijn nabeschouwing.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.3


Personalia Chris Sol

Chris Sol (1966) studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hij publiceerde onder andere over de geschiedenis van de vrijgemaakt-gereformeerden. Hij werkt als communi- catieadviseur bij de rijksoverheid.


Bestel het complete nummer over confessionele politiek, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).


 Laatst gewijzigd: 08-10-09 - Geplaatst: 10-09-09