De 'roomsen' als houthakkers en waterputters voor het RPF
Katholieken in de RPF en ChristenUnie (1975-2000)
Mulligen, R. van
Nergens in Nederland heeft sinds de jaren zestig de secularisatie zo hard toegeslagen als onder de rooms-katholieken. De kleine groep orthodox gelovige katholieken die overbleef, heeft geprobeerd zich politiek te verenigen, maar tot op heden zonder blijvend succes. De politieke standpunten van deze groep kwamen grotendeels overeen met die van 'klein-christelijk': het GPV, de RPF en de SGP. De ChristenUnie trekt de laatste tien jaar een groeiende groep orthodoxe katholieken aan. Sinds maart 2009 is er binnen die partij, in navolging van de Werkgroep Evangelischen, zelfs een Adviesgroep Katholieken. Is er ruimte voor katholieken bij deze door-en-door protestantse partij? Die vraag wil ik in dit artikel beantwoorden aan de hand van het ledenbeleid van de RPF vanaf haar oprichting in 1975 tot het ontstaan van de ChristenUnie in 2000.
Drie Formulieren van Enigheid
Het GPV werd in 1948 opgericht en liet in de praktijk vrijwel alleen maar gereformeerd-vrijgemaakten toe. Pas in 1993 werd het ledenbeleid van het GPV enigszins versoepeld. De RPF was net als de SGP vanaf haar oprichting interkerkelijk. De partij kende twee grote stromingen, één die op het GPV georiënteerd was en relatief veel waarde hechtte aan de Drie Formulieren van Enigheid, en één die juist de ARP tot voorbeeld nam en politieke standpunten belangrijker vond dan een exclusieve grondslag. Als compromis tussen deze twee bloedgroepen kreeg de RPF een grondslag waarin de Drie Formulieren wel werden genoemd, maar op zo'n manier dat er ruimte bleef voor diverse interpretaties: 'Dde RPF aanvaardt als enige norm voor haar politieke denken en handelen het onfeilbare en gezaghebbende Woord van God zoals ten aanzien daarvan ook beleden wordt in de Drie Formulieren van Enigheid.'
Sommigen meenden dat door alleen al de vermelding van de Drie Formulieren in de grondslag de RPF een partij was voor alleen gereformeerde en hervormde christenen. Anderen konden met evenveel recht beweren dat de Formulieren in de grondslag functioneerden voor zover zij iets te melden hadden over het gezag van de Schrift en de overheid. Voor die laatste groep bestonden er geen principiële bezwaren tegen de toelating van bijvoorbeeld evangelischen tot de RPF. Die fragmenten in de Drie Formulieren die de 'dopersen' afkeurden, gingen immers niet over de Schrift of de overheid en konden dus genegeerd worden. Vooral na het aanstellen van de EO-journalist Meindert Leerling als lijsttrekker in 1980 werden steeds meer evangelischen lid van de RPF.
De KVP als bron van alle kwaad
In de ruime interpretatie was de grondslag jegens de katholieken in principe even tolerant als jegens evangelischen. Toch zag men in de katholieken geen doelgroep. Een belangrijke reden hiervoor lag in het harde verwijt dat de RPF al vanaf haar oprichting in 1975 maakte tegen de KVP. De KVP werd verantwoordelijk gehouden voor het zwakke christelijke profiel van het CDA. De katholieken zouden hun protestantse broeders van de ARP en CHU naar de vrijzinnigheid getrokken hebben. Hoewel ook bij de twee confessionele CDA-partners tendenzen van 'verlinksing' en verwatering van de christelijke beginselen duidelijk aanwezig waren, schuilt in dit verwijt een kern van waarheid, aangezien het proces van secularisatie bij de KVP het verst gevorderd was. Door de RPF werden de katholieke zuilorganisaties (zoals de KRO, de KVP en de KUN) aangehaald als voorbeelden van hoe het niet moest.
In de jaren tachtig bleef deze vereenzelviging van katholicisme met vrijzinnigheid gehandhaafd. André Rouvoet 'werd toch wel aan het denken gezet' toen hij in het Kiezersonderzoek 1986 las dat eenderde van de CDA-aanhang bestond uit randkerkelijke katholieken die geloof en politiek liefst van elkaar wilden loskoppelen. Meindert Leerling kreeg het verwijt van 'papenhaat' naar zijn hoofd geslingerd toen hij in 1988 beweerde dat het CDA een door katholieken gedomineerde 'opgetuigde KVP' was geworden. "Het roomskatholieke stempel maakt de CDA-politiek horizontalistisch, oppervlakkig en niet te rechtvaardigen optimistisch over de mens en zijn toekomst." Senator Egbert Schuurman moest er vervolgens aan te pas komen om Leerling vrij te pleiten van papenhaat.
Behalve kritiek op de secularisatie in katholieke kringen, was er ook kritiek op het katholieke denken over de rol van de overheid, ook wel bekend als de subsidiariteitsgedachte. Hierbij werden, aldus RPF-senator Schuurman, staat en kerk ten onrechte gezien als hoogste autoriteit op natuurlijk respectievelijk geestelijk gebied. Enerzijds had de overheid teveel macht gekregen over de andere segmenten van de maatschappij (school, gezin, verenigingsleven) en anderzijds had de katholieke visie dat de centrale overheid zo veel mogelijk moest delegeren naar lagere overheden en andere organen ervoor gezorgd dat de overheid in Nederland haar belangrijkste functies, het verzorgen van publieke gerechtigheid en het beschermen van de zwakkeren, niet meer goed vervulde. De RPF hield dus de katholieken voor een groot deel verantwoordelijk voor het in haar ogen falende over- heidsbeleid.
Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.3
Personalia Remco van Mulligen
Drs. Remco van Mulligen is historicus en als aio verbonden aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, waar hij werkt aan een proefschrift over de Evangelische Omroep (EO).
Bestel het complete nummer over confessionele politiek, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een
e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).
Jaargang 20 (2009) No 3 - themanummer confessionele politiek
Trefwoorden: GPV, RPF, Piet Jongeling.
