WebfeedRSS
Loading

Vissen in de electorale vijver

Recensie

Graaf, B. de

n.a.v. Koen Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940, Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2003, 320 pag., €31,90.

Historische studies worden wel gebruikt om het heden te verklaren. In het geval van het proefschrift van Koen Vossen diende het heden er juist voor om de geschiedenis beter te begrijpen. Daar kom ik later op terug. In zijn onlangs verdedigde proefschrift Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 opent Koen Vossen een boekje over het veelkleurige spectrum van kleine partijen in Nederland tussen de beide wereldoorlogen in. Hij vraagt zich af of nieuwe, kleine partijen ondermijnend voor de demo-cratie of juist een bewijs voor haar functioneren waren.

Met zijn boek biedt hij niet alleen een rondleiding door een rariteitenkabinet, maar gaat vooral serieus in op het ontstaan, functioneren en de betekenis van de verschillende soorten kleine partijen die er als gevolg van het veranderde kiesstelsel in 1917 ontstonden. Tevens ontwikkelt hij een model om de inleidende vraagstelling te kunnen beantwoorden.

Volgens Vossen zijn de politieke partijtjes in de marge vrijwel altijd ironisch, of slechts vanuit het perspectief van de invloed die deze partijen op de grote politieke stroming-en hadden, beschreven. (Een uitzondering hierop vormen de historische beschouwingen over de orthodox-protestantse of linkse beginselpartijen). Zowel door tijdgenoten als historici van nu werd de geschiedenis van de kleine uitdagers aan de grote politiek al bijvoorbaat als mislukt beschouwd. Vossen vraagt echter begrip voor zijn standpunt, namelijk deze finalistische benadering te verlaten en het verschijnsel van de kleine partijen te beschouwen als een handvat om het vraagstuk van stabiliteit en crisis in het Interbellum te bezien. Met andere woorden: waren die onooglijke partijtjes zoals de Rapaille Partij van de zwerver 'Hadjememaar' (de titel van het boek is ontleend aan diens verkiezingsprogramma), protestantse splinterpartijtjes als de Hervormd Gereformeerde Staatspartij en het Comité Van Beresteyn nu een ondermijning voor het bestaande bestel of niet, en zo niet, wat duidde hun verschijnen dan aan?

Vossen past het model van de politicoloog Daalder aan om de circa zestig kleine partijen in kaart te brengen en een gedifferentieerd beeld van de onvrede te geven. Politiek als zaak van onafhankelijke individuen die zonder beginselen of partijorganisatie debatteerden over het algemeen belang was een eerste categorie volgens dit model. Vervolgens bestond er een opvatting van politiek die van 'hogere' beginselen uitging en een strikte partijorganisatie handhaafde. Dan waren er nog belangenpartijen en ten slotte de revolutionaire partijen, die de scheiding tussen maatschappij en staat wensten op te heffen. Deze laatste 'politiek der militanten', waarbij Vossen vooral de NSB behandelt, is van alle behandelde partijsoorten de meest 'enge'; het is de Nederlandse manifestatie van de totalitaire tendentie die in de jaren twintig en dertig in Europa opgeld deed.

 Download de complete recensie (Pdf)

 Download de complete recensie (Word)


 Laatst gewijzigd: 03-04-11 - Geplaatst: 12-05-09