Vrome reiziger of stoere jongen?
Pelgrimstekens en profane insignes
Koldeweij, J.
Laatmiddeleeuwse pelgrims tooiden zich met insignes: pelgrimstekens die hen als bedevaartgangers herkenbaar maakten, maar die tegelijkertijd moeten worden beschouwd als christelijke amuletten. Ook gewone, vrome gelovigen speldden sieraden met religieuze voorstellingen op hun kledij, onderweg als zij waren door hun aardse bestaan. Daartegenover droegen stoere jongens, evenals vele anderen, in onze ogen ogal absurde afbeeldingen als sieraad: om te imponeren, misschien ook omwille van bescherming, vruchthaarheid of geluk – kortom en generaliserend gesteld, vanwege hun apotropaeďsche betekenis.
Bijna steeds ging het hierbij om uiterst goedkope en en-masse vervaardigde sieraden – speldjes, hangers – en deze vormen een specifieke groep binnen een veel ruimer aanbod van soortgelijk gefabriceerde en gedragen volkssieraden.
In het hier volgende verhaal ga ik in op deze 'insignes', meest van lood-tin gegoten 'klatergoud'. De thematiek die aan de orde komt, lijkt de uitersten van de middeleeuwse maatschappij met elkaar te verbinden: van christelijk, vroom en devoot tot bizar, decoratief en erotisch.
Een jaar geleden verscheen het tweede deel van het corpus van in de Nederlanden archeo-logisch gevonden religieuze en profane insignes: in totaal werden tot nu uit Nederlandse en Vlaamse bodem 2242 verschillende exemplaren geďnventari-seerd, die als totaal een nog nauwelijks bekend beeld geven van de laatmiddeleeuwse cultuur. Dit opmerkelijk rijke vondstmateriaal en het onderzoek naar deze insignes vormen de achtergrond voor dit artikel.
Insignes
Met het kruis getekend...
Het laatmiddeleeuwse duivelskind Robert le Diable, Robert the Devil, kwam na een boos-aardig leven van roven, moorden en verkrachten plotseling tot inkeer en besluit op bedevaart te gaan naar de paus in Rome. Hij treft zijn voorbereidingen voor de lange reis en – zo is verhaald in de Middelnederlandse gedrukte versie uit 1516 – '... teekende hi hem metten heylighen cryce ende reedt doer dat foreest den rechten wech na Romen'. Robrecht de Duyvel neemt de kortste weg, door het woud, naar Rome, maar pas nadat hij zich onder het teken van het heilige kruis heeft gesteld; als bedevaartganger, als reiziger in Gods naam, is hij herkenbaar.
Die herkenbaarheid was van groot belang. Pelgrims werden immers getolereerd als ronddolende reizigers, die bovendien een beroep op naastenliefde, gastvrljheid en vrijgevig-heid van ieder medemens mochten doen. Pelgrims beschikten over privileges als tolvrijheid, bescherming en vrij onderdak in kloosters of speciale hospitalen. Pelgrims mochten niet alleen bedelen, het was een extra verdienste de tocht in volstrekte armoede te volbrengen en het was een goede zaak de medemens aldus de gelegenheid te geven de christelijke naastenliefde te bedrijven. Het belangrijkste voor de pelgrim zelf was misschien nog wel dat hij tijdens zijn tocht uiteraard mocht rekenen op bovenaardse bescherming: wie een bedevaartganger onrecht aandeed als beroving, mishandeling of erger, zou direct door Gods toorn worden getroffen.
Het teken van het kruis stelde Robrecht onder speciale beschenning en duidde hem als pelgrim. Of zijn kruis van textiel was en op zijn kleding genaaid, of dat het erop was geschilderd dan wel dat het een los en opgespeld insigne was, weten we niet; misschien was het zelfs niet meer dan het symbolische en veelbetekende gebaar met de rechterhand van een geslagen kruisteken.
Tatoeages
De eerste suggestie is wellicht het meest waarschijnlijk, maar het zich markeren met het kruisteken kon ook zeer lijfelijke en extreme vormen aannemen: dit valt bijvoorbeeld op te maken uit een vijftiende-eeuwse geschilderde beeltenis van de heilige Rochus als pelgrim uit de Oostenrijkse benedictijnenabdij van Admont. Volgens deze afbeelding ging de heilige zo ver dat hij het teken van het kruis tot bloedens toe in zijn borst kerfde. Deze voorstelling van Rochus als pelgrim lijkt een exces, maar stond dichter bij de werkelijkheid dan we in eerste instantie zouden veronderstellen. De kruisvaarders zouden zich in Jeruzalem al hebben laten tatoeëren als bewijs van hun bezoek aan het Heilige Graf; op hun beurt traden zij hiermee in een veel oudere, tot in de vroegchristelijke periode reikende traditie van zich met christelijke symbolen tatoeërende christenen. Uit zeventiende-eeuwse bronnen is de beslist aanzienlijk oudere traditie bekend van tatoeages als pelgrimsteken. Zo is bijvoorbeeld door een kopergravure uit 1676 van Hans Martin Winterstein gedocumenteerd welke tatoeages de Hamburgse Jeruzalempelgrim Otto von der Grössen in zijn linker- en rechterarm had laten aanbrengen toen hij in 1669 het Heilige Land bezocht: ondere andere het Jeruzalemkruis, een crucifix, de verrijzende Christus en de Heilig-Grafkapel. Een andere Jeruzalemreiziger, de zeventiende-eeuwse Nederlandse katholieke martelaar en Franciscaner monnik Hieronymus van Weert (ca.1522 - 1572), droeg een getatoeëerd Jeruzalemkruis op borst en rechterarm. Voordat deze Hieronymus als een van de Negentien Martelaren van Gorcum op 9 juli 1572 door de opstandige protestantse geuzen werd opgehangen, zo beschrijft de ooggetuige en hagiograaf Rutger van Est (Estius), sneden de geuzen het Jeruzalemkruis op wrede wijze uit zijn vlees.Personalia Jos Koldeweij
Prof. dr. J. Koldeweij is hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Download het complete artikel (Pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 13 (2002) No 3 - themanummer pelgrims in Middeleeuwen
Trefwoorden: Middeleeuwen, Pelgrimage, 16e eeuw.
