De kerk als maatschappelijke beweging, 1950-2000
Kennedy, J.C.
Verzuiling was een Europees fenomeen. Vooral katholieken en socialisten begonnen zich eind negentiende en begin twintigste eeuw actief te organiseren op maatschappelijk en politiek gebied in landen als Belgie, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Nederland. Deze opvallende politieke mobilisatie werd veroorzaakt door een aantal gecompliceerde ontwikkelingen, van socio-economische, religieuze en ideologische aard. De religieuze motivatie kwam voornamelijk van leken die hun eigen organisaties wilden oprichten om zodoende beter uitdrukking te kunnen geven aan hun religieuze overtuiging.
Wat in Nederland opvalt, is het grote aantal zuilen dat daar ontstond. Nederland was een land van minderheden die zichzelf door hun zuilen emancipeerden. Zo begon ‘het rijke Roomsche leven’ onder de Nederlandse rooms-katholieken, die ruim een derde van de Nederlandse bevolking uitmaakten. Maar nog voordat de katholieken en socialisten zich begonnen te organiseren, waren de orthodoxe protestanten al bezig hun eigen maatschappelijke en politieke partijen op te richten. Dit in tegenstelling tot landen zoals Engeland en Zweden, waar protestanten zich rond de eeuwwisseling wel actief hadden georganiseerd in de politiek, maar niet hun eigen partijen oprichtten. Lidmaten van kerken die zich hadden losgemaakt van de hoofdkerken, vervulden prominente posities in de liberale partijen, terwijl lidmaten van de gevestigde kerken zich actief betoonden in de conservatieve partijen.
Protestanten, rooms-katholieken en socialisten werden in Nederland door hun organi- satievermogen sterk betrokken bij politiek en godsdienst, met de 'schoolstrijd' en het 'sociale vraagstuk' als belangrijkste aandachtspunten. De sociale bewegingen van het begin van de twintigste eeuw, waaronder ook die van de 'kleine luyden', werden zo getransformeerd tot formele, gevestigde instituten. Deze werden – direct of indirect – steeds meer van de staat afhankelijk voor financiële ondersteuning. Tegen de jaren vijftig werden deze organisaties, die een opmerkelijk stabiele rol speelden in de maatschappij, niet langer gekarakteriseerd door de dynamiek en de energie van het begin van de eeuw.
Geestelijke verarming
Kierkegaard schreef eens: "Waar iedereen een christen is, is niemand het." Dit is natuurlijk geen wet van Meden en Perzen, maar het is wel een uitdrukking die toegepast kan worden op het Nederlandse verzuilde christendom van de jaren vijftig. Het lijkt erop dat de aandacht voor persoonlijke bijbelstudie en gebed afnam in die periode en men zegt dat het geestelijk leven onder jongeren vanaf ongeveer 1955 minder werd. De geestelijke verarming had vele oorzaken, waaronder de geleidelijke toename in welvaart en het ontstaan van een zelfstandige jeugdcultuur. Maar het lijkt er ook op dat de orthodoxe protestanten en de katholieken er niet langer in slaagden om de geestdrift over doelstellingen en geloof op peil te houden; de achterban geloofde het wel, maar kon er vaak niet meer enthousiast over worden. De zuilen werden bovendien in toenemende mate geleid door 'professionals' (managers, ambtenaren, leraren) in plaats van door geestelijk leiders. Deze ‘professionals’ hadden meer oog hadden voor efficiënt management dan voor godsdienstige vraagstukken. Het gecombineerd effect van deze factoren was een uitholling van de godsdienstige kracht van de Nederlandse christelijke zuilen, zonder dat men dit echt opmerkte.
Na verloop van tijd ontstond ook een zekere verlegenheid over het bestaan van de zuilen en voelden politici zich vaker gedrongen tot het verdedigen van het bestaansrecht ervan. De kritiek op de zuilen was tweeërlei. Verlichtingsidealen inspireerden de kritiek dat religie niet tot het publiek domein behoorde. Persoonlijke godsdienst was prima, maar religie moest niet de basis vormen voor publieke organisaties; dat kon niet meer in de moderne samenleving. Daarnaast werd vanaf het einde van de jaren dertig steeds regelmatiger de beschuldiging gehoord dat de zuilen aanleiding gaven tot een onvruchtbare 'hokjesgeest'. Die ondermijnde de eenheid van het Nederlandse volk, dat geroepen was tot belangrijker vraagstukken dan godsdienstig gehamawar. De aanval op de verzuiling en de hokjesgeest kwam voornamelijk van de liberalen en socialisten. De laatsten hadden gebroken met hun marxistisch verleden door de oprichting van een bredere 'Partij van de Arbeid' in 1946.
Egoïstisch en kleingeestig
Ook vooraanstaande christenen uitten kritiek op de zuilen, vooral christenen van hervormde signatuur die, in tegenstelling tot de gereformeerden, minder enthousiasme hadden kunnen opbrengen voor de verzuiling. De kritiek dat zuilen egoïstisch en kleingeestig waren, kwam hard aan. Aan het einde van de jaren veertig en in de jaren vijftig, toen de confessionele achterban nog trouw was aan de eigen partijen, werd het bestaansrecht van de zuilen met vuur verdedigd. Politieke leiders benadrukten met regelmaat dat zij het goede zochten voor héél het volk. Maar de twijfels over de roeping en de doelstelling van de zuilen zouden, vooral onder hoogopgeleiden, alleen maar groter worden naarmate Nederland de invloed onderging van toenemende internationalisering.
Dit betekent niet dat de zullen in de jaren vijftig op sterven na dood waren. Na enige kerkscheuringen werden er zelfs nog met regelmaat nieuwe bewegingen binnen de kerken in gang gezet: vrijgemaakte zuilen en verbanden die later bekend zouden worden als reformatorische zuilen. Ook stemde een meerderheid van de Nederlandse kiezers bij de verkiezingen tussen 1918 en 1967 op christelijke partijen. Het kerkelijk leven kon, afhankelijk van de plaats, erg sterk en vitaal zijn. Bovendien deden christelijke leiders nog hun best om de achterban vast te houden: katholieke bisschoppen waarschuwden in 1954 tegen het lid worden van socialistische organisaties en de Anti-Revolutionaire Partij probeerde haar politieke visie nieuw leven in te blazen met de inzichten van de VU-filosoof Herman Dooyeweerd. Desalniettemin konden in de jaren vijftig de eerste tekenen van verval, lethargie en onbehagen worden opgemerkt. De politieke conflicten en het tanend enthousiasme voor het eigen subculturele leven bereidden de weg voor de schijnbaar plotselinge veranderingen in de jaren zestig.
Personalia James C. Kennedy
Dr. James C. Kennedy studeerde geschiedenis aan de Universiteit van lowa (Ph.D. 1995), Christian Studies aan Calvin College (M.A. 1988) en Foreign Service aan Georgetown University (B.S. 1986). Hij promoveerde op het proefschrift Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (Amsterdam: Boom 1995). Hij is Assistant Professor of History and Research Fellow aan het A.C. van Raalte Institute, Hope College.Kennedy publiceerde onder meer History of the Low Countries (New York, Berghahn Books 1999) en Een weloverwogen dood. De opkomst van euthanasie in Nederland (Amsterdam, Bert Bakker 2002).
Download het complete artikel (Pdf)
Download het complete artikel (Word)
Jaargang 13 (2002) No 4
Trefwoorden: 20e eeuw, Verzuiling, Politieke geschiedenis.
