WebfeedRSS
Loading

De Franse refugiés en de Waalse kerken

Enk, P.L. van

De integratie van de Hugenoten die rond 1685 met tienduizenden tegelijk naar onze streken waren gevlucht om te ontkomen aan de vervolging van Lodewijk XIV, is een beroemd succesverhaal. Het is waar dat er mislukkingen zijn geweest: sloebers die zich niet konden aanpassen, geen plek vonden op de arbeidsmarkt en wie niets anders overbleef dan te zwerven op straat, waar zij de schrik werden van nette burgerlieden. Maar verreweg de meeste asielzoekers wisten in de noordelijke Nederlanden hun weg te vinden; ze namen de plaatselijke zeden en gewoonten over en slaagden erin een nieuw bestaan op te bouwen. Hun kindskinderen zouden gewone Nederlanders woren, niet te onderscheiden van de nakomelingen van hun gastheren.

Kan me de asielzoekende Hugenoten dan ten voorbeeld stellen aan de immigranten van onze dagen die van overheid en samenleving steeds dringender te horen krijgen dat zij sneller moeten integreren? Maar dan zou men voorbijzien aan een groot verschil: anders dan de in meerderheid islamitische vreemdelingen van vandaag, kwamen de Hugenoten destijds in een omgeving terecht waar hun gereformeerde godsdienst de dominerende was. Eindelijk konden zij zonder angst voor de repressie die in het vaderland hun dagelijks brood was geweest, openlijk hun geloof belijden. Het gastland beschikte over kerkelijke en sociale structuren die het mogelijk maakten hun opvang en begeleiding te organiseren – structuren waarin werd voorzien dank zij de Waalse kerken wier pastorale en diaconale zorg voor de integratie van de Hugenoten in de noordelijko Nederlanden van onmetelijk belang is geweest.

Dit artikel wil zowel de immigratie van vervolgde Franse calvinisten in herinnering brengen, als ook de arbeid die de Waalse diaconieën hebben verzet om deze refugiés te ontvangen en hen op weg te helpen naar een toekomst in dit voor hen vreemde land.


De vroege immigratie

De eerste Waalse kerken in de noordelijke Nederlanden waren in de jaren tachtig van de zestiende eeuw gesticht door gereformeerden afkomstig uit de zuidelijke provincies die waren gevlucht voor de Spaanse repressie. Daar was het protestantisme een dertigtal jaren tevoren gegroeid, tegen de verdrukking door Karel V in. Aanvankelijk liepen er allerlei stromingen door elkaar heen: lutheranen, sacramentariërs en baptisten en volgelingen van Windesheim (beide laatste tendenties zouden later als libertijnen zou worden aangeduid). Hier en daar vormden deze protestanten groepjes voor bijbelstudie die verstolen samenkomsten hielden. Op verzoek van enkele van die clubjes stuurde de gereformeerde kerk van Straatsburg Pierre Brully – die in die stad huisgenoot van Calvijn was geweest – om er orde te scheppen en hij stichtte in enkele jaren tijd kerken die, weliswaar nog altijd clandestien, maar toch naar ordentelijk calvinistisch model gingen functioneren. Dat gebeurde onder meer in Valen- ciennes, Doornik, Brugge, Oudenaarde en vooral Antwerpen, welke laatste stad een knooppunt werd vanwaaruit de nieuwe beweging aan invloed won. In de jaren zestig zouden er gereformeerde synodes worden gehouden.

Guido de Brès

Aan deze ontwikkeling is ook de naam van Guido de Brès verbonden. Hij bewerkte in 1561 voor Nederlands gebruik de geloofsbelijdenis die de Franse gereformeerde kerken twee jaar tevoren tijdens hun eerste synode – in het diepste geheim gehouden in het hart van een zeer katholiek Parijs – hadden vastgesteld. De Fransen hadden al een jaar of dertig een hevige repressie verduurd en hoopten het koninklijk gezag milder te kunnen stemmen. De Confessio gallicana (en een kerkorde) moest het koninklijk gezag overtuigen zowel van hun orthodoxie als van hun vreedzame bedoelingen en het mogelijk maken dat de gereformeerde minder- heidskerk zou worden geduld naast de officiële staatskerk, de Rooms-Katholieke Kerk. Een dergelijke pluralistische situatie had nog nooit ergens bestaan; de hoogst voorzichtige Calvijn had er niet in geloofd en hij was het initiatief van zijn Franse volgelingen dan ook niet gunstig gezind geweest. Het zou dan ook niet het verhoopte resultaat oogsten.

Maar Guido de Brès koos voor dezelfde strategie. Hij nam van de Franse geloofsbelijdenis en kerkorde de hoofdlijnen over. Zo ontstond de Confessio belgica die het hart van Philips II moest winnen. De Brès vond een eigenaardige manier om hem zijn stuk aan te bieden: in het holst van de nacht van 2 november wierp hij het stuk eenvoudig over de muur van het kasteel van Doornik waar de koning op dat moment toevallig verbleef, een wijze van bestellen die geen blijk gaf van groot vertrouwen. En inderdaad zou de vorst de dissidente kerken nooit enige ruimte van bestaan hebben geboden. Toch zou de Confessio belgica een grote toekomst tegemoet gaan. Het stuk werd een basisdocument voor de Nederlandse gereformeerde kerken. In het Nederlands vertaald, werd het in 1571 door de synode van Emden aanvaard als hun officiële geloofsbelijdenis. Enigszins bewerkt zou het krachtens een besluit van de synode van Dordrecht van 1618/1619 deel gaan uitmaken van de 'Formulieren van Enigheid' van de Nederlandse kerk.

 Download het complete artikel (Pdf)

 Download het complete artikel (Word)

 Geschiedenis van de Waalse Kerk in Nederland

 Geschiedenis van de Waalse Kerk in Zeeland

 Geschiedenis van de Waalse kerk in Amsterdam


 Laatst gewijzigd: 28-01-11 - Geplaatst: 24-03-09