Geloof en geschiedenis in Noord-Amerika
Een dubbelinterview met Hubert Krijgsman en Keith Se- well
Kuiper, R.
‘Er is een renaissance gaande in Noord-Amerika op het gebied van christelijk wereldbeschouwelijk denken. Ook in de geschiedbeoefening is er veel meer ruimte gekomen voor een specifiek christelijke benadering. Maar ik geloof dat die ruimte nog veel beter benut zou moeten worden’. Aan het woord is dr. Hubert Krijgsman, één van de drie professoren van de geschiedenisfaculteit van Dordt College in Iowa. Van dit drietal is verder nog dr. Keith Sewell – Engelsman van geboorte en enkele jaren geleden overgekomen uit Australië – aangeschoven voor een gesprek over hun visie op geloof en geschiedenis, de nieuwe evangelical historiography en hun werk als christen-historici in een Noord-Amerikaanse context.
Dordt College is een instelling voor hoger onderwijs met een duidelijk gereformeerde signatuur. Voortgekomen uit de emigrantengemeenschappen van de Dutch Americans heeft het nog veel bewaard van het Nederlandse calvinisme. Toen Dordt College in 1957 werd gesticht zei B.J. Haan, de eerste president van Dordt, te willen werken in de geest van Groen van Prinsterer, Kuyper, Bavinck en Dooyeweerd. Die inzet is nog volop aanwezig en kleurt ook het werk aan de kleine geschiedenisfaculteit van Dordt, waar zo’n zestig studenten hun bachelorsgraad voor- bereiden.
"Ik heb Dooyeweerd intensief gelezen"
Zouden jullie beiden iets kunnen zeggen over jullie vorming als christen-historicus? De meeste christen-historici worden opgeleid aan seculiere univer- siteiten en moeten hun eigen bezinning op het vak helemaal zelf vormgeven. Hoe is dat bij jullie gegaan?Sewell: 'Ik ben christen geworden door het lezen van de Bijbel. Mijn opleiding en mijn vroege jaren als jonge christen waren nauw met elkaar verbonden. Ik ben op mijn 26ste geschiedenis gaan studeren om mijn inzicht in het christendom te vergroten en te kunnen dienen als discipel. Toen ik na jaren van zelfstudie in 1971 mijn geschiedenisstudie aan de Universiteit van Canterbury in Nieuw Zeeland, had ik al kennis gemaakt met het werk van Kuyper en Dooyeweerd, dat ik zelfstandig probeerde te lezen. Drie personen hebben mij in neocalvinistische richting gestimuleerd: Jan Dengerink, Paul Schrotenboer en David Hanson. Gevormd door dit denkklimaat zag ik als student alle culturele activiteit als een religieus antwoord van de mens. Dat inzicht heeft me nooit meer verlaten. Ik studeerde nog een jaar aan het Institute for Christian Studies in Toronto en studeerde aan de Universiteit van Wellington. In 1975 ben ik naar Amsterdam gegaan en heb Dooyeweerd ontmoet, een zeer aimabele man. Hij was zeer geïnteresseerd in de toepassing van zijn filosofie op andere vakgebieden. Concrete richtlijnen daarvoor gaf hij niet. Ik beschouw dat overigens ook als het werk van historici zelf.'
Krijgsman: 'Ik ben grootgebracht in een Canadees emigrantengezin met een duidelijke holistische wereldbeschouwing: heel het leven en alle terreinen van het leven dienstbaar aan God. Ik studeerde aan King’s College (Edmonton) en Calvin College (Michigan), waar ik gevormd ben door intensieve discussie over de rol van geloof in geschiedenis en filosofie. Daarna studeerde ik in Calgary en Ottawa, waar ik ben gepromoveerd. Dat waren inderdaad seculiere instellingen. Men maakte daar net de overgang mee van neo-marxisme naar postmodernisme. Dat was uitdagend voor me en tegelijkertijd iets dat ik wilde beantwoorden. Komend uit een emigrantenmilieu, dat in sommige opzichten vreemd stond tegenover de Canadese cultuur, wilde ik die Canadese cultuur bestuderen vanuit een christelijk perspectief. Daarbij heb ik Dooyeweerd intensief gelezen om een eigen benadering te ontwikkelen. Ook voor mij is het antwoordkarakter van alle cultuur essentieel.'
Voor jullie is het hebben van een christelijk perspectief op de geschiedenis heel belangrijk. Er zijn echter ook christenen die zeggen dat de geschiedbeoefening een ambacht is en dat de enige vraag is of je het goed of slecht uitvoert. Hoe reageren jullie daarop?
Sewell: 'Tot op zekere hoogte is de geschiedbeoefening ook een ambacht, maar het punt is dat niemand het vak kan beoefenen zonder een uitgangspunt, zonder een allesomvattend kader. Historici zouden zich daarvan bewust moeten zijn. Je rekenschap geven van je uitgangspunten behoort tot de meest gedisciplineerde benadering van het vak.'
Krijgsman: ‘Ik ben het met Keith eens. Iedere historicus werkt met aannames en daarin komen geloofsovertuigingen mee, bijvoorbeeld in de hantering van een bepaald mensbeeld, de veronderstellingen over wie de mens is en hoe hij zich verhoudt tot anderen en tot de buitenwereld. Sewell: ‘Er zijn historici geweest die alle filosofische vragen bewust opzij zetten en volkomen blanco te werk wilden gaan; vervolgens verschijnen in hun werk allerlei vooronderstellingen die niet verantwoord worden. In de Britse geschiedschrijving is dat herhaaldelijk aan de orde. Neem het werk van Hugh Trevor-Roper over het vroegmoderne Engeland. Hij beschouwt de aristocratische wereldbeschouwing als wezenlijk voor het welslagen van het Rijksbestuur. Opvattingen over de aard van de staat, de betekenis van traditie en de waardering voor bepaalde deugden larderen zijn werk. Daarmee is Trevor-Roper een geharnast verdediger geworden van een neo-feodale, conservatieve inrichting van Engeland in de 20ste eeuw. Zijn vooronderstellingen nemen de gevestigde orde op een bepaalde manier tot uitgangspunt. Een dergelijke benadering kan instructief zijn, maar is tegelijkertijd beperkt en uiteindelijk niet bevredigend. Dat komt omdat een dergelijke naïeve benadering wezenlijk reductionistisch is. Reductionisme maakt blind voor de breedte van de historische ervaring. Ook de verdediging van de status quo kan dus reductionistisch zijn’.
Download het complete interview (Pdf)
Download het complete interview (Word)
Jaargang 14 (2003) No 3
Trefwoorden: Amerikaanse geschiedenis, Interview, Christenhistoricus.
