WebfeedRSS
Loading

George Harinck neemt afscheid als voorzitter van de VCH

Harinck, G.

Wanneer je, zoals ik, op 23 september 1989 tot de oprichters behoorde van de Vereniging van Christen-Historici en de eerste zeven jaren uit het bestaan van de vereniging als bestuurslid hebt gediend en vervolgens, na een statutair noodzakelijke tussenpoos van een jaar, er ook nog eens acht jaar voorzitter van bent geweest, dan mag je met enig recht van spreken zeggen dat je deze vereniging kent...

Maar wat is kennen? Vijftien jaar geleden was deze vereniging anders dan ze vandaag is. De vereniging ontstond in de tijd dat de muur er nog stond. We zijn dus ontstaan in de vorige wereld, al was het op het nippertje. Bush was toen al wel president. Dat lijkt hetzelfde gebleven, maar het was de vader van de huidige George W. en Nederland stond aan de vooravond van een economische bloeiperiode, misschien net als nu, maar het was een vooravond die alle ideologische verschillen overbodig zou maken. Pim Fortuyn doceerde nog sociologie in kleine collegezaaltjes. Van paars, laat staan van puinhopen was nog geen sprake. En een congres over Klaas Schilder trok nog zeshonderd bezoekers. De vrijgemaakte kerken stonden als zuil nog recht overeind en het SoW-proces was een gebed zonder eind.

In deze wereld ontstond de VCH. De oprichters stonden twee zaken voor ogen: een platform bieden voor de ontmoeting van protestants-christelijke historici, studenten en docenten, en duidelijk maken dat protestants-christelijke geschiedbeoefening nog altijd volop inhoud en een eigen program heeft. Let op dat: nog altijd. De VCH leek een laatste stuiptrekking van het georganiseerde protestantisme, dat in de voorgaande eeuw zo sterk present was geweest in de Nederlandse samenleving. De VCH had een eigen niche en een eigen doelgroep, maar geen vernieuwende historische vraagstelling, ze wilde aanvankelijk vooral een lijn voortzetten en een leemte vullen. De gedachte was overheersend dat de christelijke geschiedschrijving had gebloeid in figuren als Groen, Van Schelven, Gerretson en Puchinger, maar dat het groepje christelijke historici gaandeweg was uitgedund. Wie stond er nog naast Puchinger? We hadden misschien Van Deursen kunnen noemen, maar die is eigenlijk pas in de jaren negentig doorgebroken als grote naam. Wij wilden als jonge historici verder gaan in een traditie. Achteraf moeten we zeggen dat het accent in de beginjaren sterker lag op de traditie dan op het verdergaan. Maar het belangrijkste leek ons in eerste instantie dat de VCH in de historische wereld zoiets zou roepen als: attentie, attentie, wij protestanten zijn er ook nog. De geschiedbeoefening in Nederland leek anno 1990 sterk op het politieke landschap van die jaren: het was ideologisch kleurloos en de stemming was opgewekt: het gaat goed met de geschiedschrijving.

In deze omstandigheden viel het de VCH niet mee om duidelijk te maken dat ze niet alleen een retro-club was, die slechts de draad van de verwaarloosde geschiedschrijving van de gereformeerde gezindte wilde opnemen, maar dat ze ook een stimulans wilde zijn voor een interessantere profilering van de geschiedschrijving, gebaseerd op ideologische tegenstellingen, waarvan de VCH beweerde dat die er ook onder paars, en onder de Wesselingen en de Blommen wel degelijk waren. Voor het ideologisch neutraal geworden Gezelschap van Christelijke Historici zullen we wel een stel dogmatici zijn geweest en de officiële historische wereld besteedde niet eens aandacht aan de vereniging, ook al had ze spoedig vierhonderd leden. We hadden ook een lastig verhaal te vertellen in een wereld die zich van ideologische tegenstellingen ontdeed en afstevende op het einde van de geschiedenis.

 Download het complete artikel (Pdf)

 Download het complete artikel (Word)


 Laatst gewijzigd: 21-10-09 - Geplaatst: 17-02-09