WebfeedRSS
Loading

Geen handboek zonder hunebed

Antwoord aan C. Augustijn

Lieburg, F. van

Op verzoek van de redactie van Transparant geef ik – mede namens Joris van Eijnatten, die in de toebedeelde tijdspanne van een welverdiende vakantie geniet – een reactie op de bijdrage van professor Augustijn, voorzover die betrekking heeft op ons boek Nederlandse religiegeschiedenis.

Uiteraard past ons waardering voor zijn evaluatie met de plus- en minpunten die daarbij horen. Wat wij er nog aan kunnen toevoegen zijn slechts toelichtingen op keuzen die Augustijn kennelijk niet helder geworden zijn of gewoon niet overtuigd hebben. Dat laatste geldt in elk geval voor onze strikte beperking tot het grondgebied van Nederland, die ongelukkig uitpakt voor de behandeling van de Nederlandse religiegeschiedenis buiten de grenzen. Wij hebben daarover nagedacht, een beslissing genomen en ons daar verder consequent aan gehouden.

Een beetje fantasieloos is Augustijns moeite met onze speelse behandeling van de hune- bedden, zowel in de proloog (inderdaad om aan te geven dat dáár ons verhaal niet kon beginnen) als in de epiloog (om de Nederlandse religiegeschiedenis zelf weerspiegeld te zien in de veranderende visies op de hunebedden in de loop der eeuwen). Behalve een stilistische overweging zit hier de gedachte achter, dat een 'gemiddelde lezer' juist vanwege de stereotiepe associatie van hunebedden met een soort van 'oerreligie' in onze contreien toch een correcte behandeling van dit onderwerp in ons handboek mag verwachten. Door de invlechting van dit fenomeen in een theoretisch-historiografische voor- en nabeschouwing, komt het in didactisch opzicht uitstekend tot zijn recht.

Een soortgelijke motivering kan worden gegeven bij Augustijns afkeuring van onze bespiegelingen over de vraag wat de Nederlandse religiegeschiedenis typisch Nederlands maakt. Ik ga dan maar voorbij aan het feit dat vooral Nederlandse protestanten (Kuyperianen uitgezonderd) zich in het verleden, en soms tot in het heden, diepgaand bezonnen hebben op de verwevenheid van geloof en natie. Zo onzinnig is de probleemstelling dus niet. Maar zeker nu de Nederlandse samenleving sinds enkele jaren zo intensief bezig is met haar culturele en historische identiteit, is er alle reden voor zo'n uitweiding. Augustijn mag de vraag 'totaal overbodig' vinden, maar zou zich even moeten verplaatsen in het algemene lezerspubliek waarvoor dit boek bestemd is.

Het belangrijkste punt van de recensent betreft de invulling van het begrip 'religie- geschiedenis'. Hij citeert in dit verband een volzin uit ons boek, waarin het woord 'kerkelijke' vervangen moet worden door ‘religieuze’. Dan zal voor hem helemaal duidelijk zijn wat uit het gehele boek vanzelf spreekt, namelijk dat wij met religiegeschiedenis niet alleen op het christendom doelen maar ook op andere al of niet ‘grote godsdiensten’ die de bewoners van Nederland hebben aangehangen of uitgeoefend. Zeker, een groot deel van de Nederlandse godsdienstgeschiedenis gaat nog altijd over christenen, en wij misgunnen niemand het genoegen om dan liever of uitsluitend over kerkgeschiedenis te spreken. Dat neemt niet weg dat wij, gegeven het uitgangspunt om ook over niet-christenen te schrijven, geen andere keus hadden dan de term ‘religiegeschiedenis’. En uiteindelijk achten wij die term ook voor het christendom beter, om elke classificatie binnen de christelijke traditie, ja van het christendom zelf, te voorkomen. Op de consequenties van die keuze voor de mogelijkheid van een specifiek christelijke geschiedbeoefening gaat Augustijn helaas niet in.

Interessant is de illustratie van de uiteenlopende benaderingen die mogelijk zijn als je de (voor)geschiedenis van de Dordtse synode in een handboek moet weergeven. Het zou overigens onjuist zijn om aan de hoeveelheid alinea’s of bladzijden af te meten, welke waarde wij in het kader van onze proeve van een religiegeschiedenis hechten aan de plaats die theologie in kerk en samenleving inneemt. Wat betreft het debat tussen de remonstranten en hun tegenstanders, had er ook in onze conceptie best iets meer godgeleerdheid mogen zijn. Daarbij moet wel worden bedacht dat de predestinatieleer als zodanig al eerder in het boek werd besproken en dat de scholastieke discussie over de volgorde van Gods eeuwige besluiten in onze compassie met die ‘gemiddelde lezer’ toch wel iets teveel van het goede was. Waarom wij het mis zouden hebben met onze stelling dat in het Bestandsconflict ook de zelfstandigheid van de kerk tegenover de overheid in het geding was, ontgaat ons ten enenmale.

Tegen het einde van zijn bespreking valt Augustijn uit zijn rol van objectief vakman. Niet zozeer wanneer hij alleen in ons boek slordigheden heeft opgemerkt, maar vooral wanneer hij onze persoonlijke betrokkenheid en/of vaderlandsliefde in twijfel trekt. Vond hij het eerst nog ‘totaal overbodig’ om over een Nederlandse eigenheid te mediteren, uiteindelijk lijkt hij Nederlanders interessanter te vinden dan Sumeriërs en Patagoniërs... En terwijl hij eerder signaleerde dat wij ‘graag’ aandacht schonken aan geloofsbeleving en ook nog eens ‘graag’ de beperkte reikwijdte van de Verlichting in het licht stelden, mist hij per saldo weer de nodige betrokkenheid bij de stof. Inderdaad, het is niet gauw goed, maar de lezer mag het weten: graag hebben wij in ons boek laten zien welke grote betekenis het geloof voor mensen had en heeft – in allerlei religieuze tradities en op alle terreinen van het leven.


1- De reflex om bij 'onze' religiegeschiedenis te denken aan de klassieke 'godsdienstge- schiedenis' kwam al aan de orde bij Fred van Lieburg, ‘Religiegeschiedenis versus kerk- geschiedenis’, in: Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (TNK) 9 (2006) 103-105.
2- Vakgenoten kunnen anders oordelen blijkens Willemien Otten, ‘Theologie gedijt ook onder de vlag van de religiegeschiedenis’, in: TNK 9 (2006) 106-111.
3- Stadgenoten werden iets ruimer bedeeld in Fred van Lieburg, ‘De toekomst van de Dordtse synode’, in: Oud-Dordrecht 25.1 (2007) 75-87.

Personalia
Prof. dr. Fred van Lieburg is hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands protestantsime aan de Vrije Universiteit in Amsterdam


 Laatst gewijzigd: 31-03-09 - Geplaatst: 15-04-08