Relevant:
Loading

Transparant 18.4

Themanummer "Religie, kunst en geschiedenis"

Op 22 oktober werd in Amersfoort het Armandomuseum door een grote brand verwoest. De Elleboogkerk waarin het museum van de schilder Armando was gevestigd, brandde compleet af.

Dit voorjaar nog presenteerde het museum de tentoonstelling 'Mijn schuld is niet van hier', over de invloed van de Bijbel en de mythologie op het werk van Armando, een van de belangrijkste Nederlandse naoorlogse kunstenaars. Gerard Raven, die de vaste bijdrage 'Vitrine' van Transparant verzorgt, wijdt zijn artikel in dit nummer aan de verhouding tussen kunst en religie. Hij signaleert een opleving in de moderne religieuze kunst na de roerige jaren zestig van de twintigste eeuw. In zijn artikel gaat hij in op het werk van huidige kunstenaars als Armando en ook op de vraag hoe de Nederlandse musea hierop gereageerd hebben.

Het openingsartikel van Hans Ester in dit nummer dat kunst, religie en geschiedenis als centrale thema heeft, is van cultuurhistorische aard. Ester bespreekt in zijn artikel hoe de mens voortdurend leeft in verschillende tijden, dat vragen uit het verleden reiken tot in het heden en dat vragen uit het heden bruggen slaan naar antwoorden uit het verleden. 'Leentjebuur spelen', noemt hij dat. Hij vertaalt drie dragende begrippen bij Nietzsche naar het terrein van de christen-gelovige, waarbij het werk van Burckhardt, Huizinga en Peter Burke een rode draad vormt. Ester schetst drie vormen van troost die het verleden kan geven, waarbij uiteindelijk het werk van de historicus – het scheppen van een totaalbeeld van de geschiedenis – een kunstzinnige handeling kan zijn.

Een andere vorm van scheppen als kunstzinnige handeling wordt behandeld in het artikel van Joop Smink. Hij beschrijft een aantal gebrandschilderde ramen van de St. Jan in Gouda, de zogenoemde Goudse Glazen. Smink geeft een beeld van de ontstaansgeschiedenis en de betekenis, en gaat in op de motieven en invloed van schenkers als Filips II & Mary Tudor, Margaretha van Parma en Willem van Oranje. Overigens recenseert Ton van der Schans in dit nummer de historische roman Het geheim van Erasmus, waarin een nieuw en spannend licht wordt geworpen op de in nevelen gehulde geschiedenis van het ontstaan van de Goudse Glazen.

Was er in de twintigste eeuw een opleving van religieuze kunst in reactie op de secularisatie in de twintigste eeuw zichtbaar, Joes Segal beschrijft een parallelle ontwikkeling in de negentiende eeuw. Ook toen trad herstel van de religieuze kunst op, in reactie op knellende conventies en rotsvaste tradities in het dogmatische classicisme. Segal bespreekt de rol en betekenis van twee van zulke spirituele kunstgezelschappen, de Nazareners en de Prerafaëlieten. Doel van de schilderkunst, zo werd gesteld, was om God te dienen en mensen in het hart te raken. Het is de vraag of de moderne kunstenaar aan het eind van de twintigste eeuw die drijfveer op dezelfde manier voor zijn rekening zal nemen.

Waar Gerard Raven in zijn bijdrage de glimlach van prof. H.R. Rookmaker vermoedt, roept Ida Slump in de discussierubriek op in navolging van deze gereformeerde kunstcriticus juist op te ‘wenen, te bidden’ in verband met de geestelijke crisis. Ze geeft een korte indruk van de manier waarop binnen het Nederlandse protestantisme van na de Tweede Wereldoorlog over kunst werd gedacht. Ook vraagt ze zich af of de kunst een bijdrage kan leveren door ons een raamwerk te bieden dat de werkelijkheid als zinvol laat zien. Deze werkelijkheid is geschonden, maar blijft het werk van de Schepper die een diepe interesse heeft en houdt voor zijn werk.

Ook de literatuur komt in dit nummer aan de orde. Tjerk de Reus wijdt een recensieartikel aan het boek van Ewoud Kieft over de (polemiek tussen de) atheïstische Menno ter Braak en de katholieke Anton van Duinkerken, twee ‘mastodonten’ uit de literatuurgeschiedenis. Beiden constateerden een levensbeschouwelijke crisis in de samenleving, maar hun oplossingen verschilden drastisch van elkaar. De Reus pleit voor een herwaardering van Van Duinkerken in reactie op de vooringenomen houding in de literatuurkritiek.

Om met een citaat van Van Duinkerken af te sluiten: ‘De problematiek mág voor den hedendaagsche mensch niet worden opgelost, want dan is het problematische eraf. De stroom mág nergens uitmonden, want dan valt er niets meer te aanbidden. In het stellen deze onmogelijke eisen is de moderne mensch niet minder star en dogmatisch dan de meest verstokte syllogistische middeleeuwer maar kan zijn geweest.’




 Laatst gewijzigd: 07-04-09 - Geplaatst: 14-01-08