'Behulpsels' op de pastoriale markt
Recensie
Nobel, A.
n.a.v. Johan de Niet, Ziekentroosters op de pastorale markt 1550-1880 (Rotterdam: Erasmus Publishing, 2006), 291 pag., €27,50.
Arie Goedhart, de auteur van het in 1764 verschenen catechisatieboekje Pit en Merg, was een bescheiden man. Hij had een kerkelijke functie maar was geen ‘gewettigt en gezonden Leraar’. Integendeel, hij noemde zichzelf slechts ‘behulpsel en medewerker’. Wat bedoelde hij precies? Goedhart was in Rotterdam aangesteld als catechiseermeester en ziekentrooster en in die hoedanigheid ondergeschikt aan de leraren, de predikanten. Ook over zijn taken was hij kort. Zijn werkzaamheden dienden tot ‘stigting en onderwysing’.
Bepaalde kerkelijke functionarissen, bijvoorbeeld de ziekentroosters en de catechi- seermeesters, hebben in de Nederlandse historiografie lange tijd weinig aandacht gekregen. Over de ziekentroosters aan boord van VOC-schepen is nog relatief veel geschreven. Dat geldt echter niet voor de werkzaamheden van hun collega’s in de steden. Daar is echter verandering in gekomen met het verschijnen van het proefschrift van Johan de Niet, getiteld: Ziekentroosters op de pastorale markt 1550-1880.
De Niet neemt, als vertrekpunt voor zijn dissertatie, het door Fred van Lieburg geïntroduceerde model van de pastorale markt. Hij definieert deze markt ‘als het interactief geheel van de vraag naar en het aanbod van pastorale diensten’. In het boek wordt bekeken wat de plaats en de functie was van de ziekentrooster op deze pastorale markt. De auteur heeft hierbij gekozen voor lokaal onderzoek in drie plaatsen: Amsterdam, Leiden en Deventer.
Het boek valt in twee delen uiteen. Voor de eerste vier hoofdstukken zou de door Arie Goedhart gegeven naam voor zijn functie – ‘behulpsel en medewerker’ – als titel niet misstaan. Hier wordt namelijk een schets gegeven van de ontwikkeling van de beroepsgroep in de periode 1550-1880. De hoofdstukken vijf tot en met acht geven een inkijkje in de werkzaamheden van de ziekentroosters, ‘stigting en onderwysing’ om met Goedhart te spreken.
De eerste ziekentroosters in de Republiek werden al vrij snel na 1572 aangesteld. Het uitbreken van pestepidemieën en het gebrek aan geschoolde predikanten was voor stedelijke overheden vaak de aanleiding om speciale krankenbezoekers aan te stellen. Tot 1795 bleven de ziekentroosters in dienst van de stad. Aan het begin van de negentiende eeuw zien we echter een verschuiving, waarbij ze meer en meer in dienst kwamen van de kerk. In hun takenpakket werd vooral het godsdienstonderwijs steeds belangrijker. Tegen het einde van de negentiende eeuw verdwenen de ziekentroosters van de pastorale markt. Ze verloren de concurrentiestrijd met de predikanten, die steeds meer taken van hen overnamen.
Het boek van De Niet laat zich met één woord omschrijven: degelijk. Vooral het systematische archiefonderzoek verdient respect. De auteur heeft vele kerkenraadsacta, resoluties van stadsbesturen en andere archivalia doorgeploegd. Hoewel repertoria zijn taak vergemakkelijkt zullen hebben, is het bij elkaar een enorm werk geweest. De degelijkheid laat zich ook aflezen uit de schrijfstijl. Die is kort maar krachtig met af en toe een fraai staaltje onderkoelde humor. Geen enkele zin lijkt klakkeloos te zijn neergeschreven en zo bezien bevat het boek geen woord teveel.
De kracht van het boek ligt tevens in de periodisering. De Niet heeft gekozen voor een lange onderzoeksperiode (1550-1880). Hierdoor ontstaat niet alleen een doorlopend beeld van de opkomst, bloeiperiode en ondergang van een vergeten kerkelijke beroepsgroep, maar worden ook de veranderingen in de werkzaamheden van de ziekentrooster helder. Belangrijk daarbij is dat De Niet geen cesuur legt tussen de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Hij weet duidelijk te maken dat er in de gereformeerde zielzorg van de zestiende en zeventiende eeuw werd teruggegrepen naar de laat-middeleeuwse ars moriendi traditie.
In de kracht van het boek schuilt echter, mijns inziens, tevens een zekere zwakte. Het verhaal blijft nu wat algemeen. Wellicht had de auteur toch wat meer de schijnwerpers kunnen plaatsen op enkele individuele ziekentroosters. Dat had het verhaal niet alleen levendiger gemaakt maar daardoor waren waarschijnlijk ook de verschillen binnen de beroepsgroep duidelijker geworden. Want niet iedere ziekentrooster was bijvoorbeeld zo bescheiden en deugdzaam als Arie Goedhart. Wat te denken van de Amsterdamse ziekentrooster Dirk Springstok die werd geschorst vanwege zijn zwak voor alcoholische dranken? Misschien is het in dit verband wel tekenend dat De Niet in zijn boek geen lijst heeft opgenomen met daarin de door hem gevonden ziekentroosters. Een bijlage met biografieën, zoals Gian Ackermans die heeft opgenomen in zijn boek Herders en huurlingen over priesters die werkzaam waren in de Republiek, zou teveel gevraagd zijn. Maar lokale historici uit de drie onderzochte steden hadden zeker geprofiteerd van een eenvoudig overzicht.
Dit neemt echter niet weg dat Johan de Niet belangrijk en degelijk werk heeft geleverd. Voor het eerst is er nu een samenvattend overzicht over de ziekentroosters en hun functioneren op de pastorale markt. Daarbij moet wel gezegd worden dat vooral het aanbod van pastorale diensten wordt beschreven. De vraagzijde – de zieken – komt wat minder aan bod. Hoe dan ook, in ieder geval wordt duidelijk dat Arie Goedhart zichzelf tekort deed met de aanduiding ‘behulpsel’. Een ziekentrooster was dan wel geen ‘gewettigt en gezonden Leraar’, zijn taak in en buiten de kerkelijke gemeente moet niet onderschat worden. Zeker tijdens pestepidemieën was die niet zonder gevaar. Om met De Niet zelf te spreken: ‘ziekentrooster zijn is veel moeilijker dan schrijven over ziekentroosters’.
Jaargang 18 (2007) No 2 - themanummer jaren vijftig
Trefwoorden: Ziekentrooster, Recensie (artikel), 17e eeuw.
