Loading
'Ik hoop op een geestelijke opwekking'
Interview met dr. M.J. Arntzen
Schans, A.A. van der en J.L. Vos-Arwert
Dr. M. J. Arntzen is ondanks zijn hoge leeftijd van 94 jaren nog zeer betrokken bij kerk en samenleving. Regelmatig verschijnt van zijn hand in het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad een bijdrage. In de jaren vijftig was hij actief als dominee in een aantal gemeenten en maakte hij de kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen van nabij mee. Toen we hem vroegen om mee te werken aan een interview was hij daar direct enthousiast over.
Hoe heeft u uw jeugd ervaren. Waren er conflicten over wat wel en niet mocht?
‘Ik kom uit een gezin van negen kinderen, waarvan ik de oudste ben. Zeven zijn er nog in leven. Mijn vader werkte als handelaar op een effectenkantoor in Amsterdam, de stad waar we ook woonden en waar ik geboren ben. Zelf had hij niet veel opleiding gehad, maar door zelfstudie had wel veel kennis opgedaan door veel te lezen en door zijn voorzitterschap van de jongelingsvereniging in zijn jeugd. Mijn moeder was onderwijzeres. Mijn ouders waren strenge, maar oprechte christenen, en bij ons thuis heerste een gezellige sfeer en we vormden een harmonieus gezin. Ik heb daarom geen conflicten gevoeld over wat wel en niet mocht; dat we niet naar de bioscoop gingen of niet dansten was geen probleem’.
Wat bracht u er toe theologie te gaan studeren?
‘Ik ben pas laat aan de studie begonnen. Ik heb eerst, vanaf 1928, een aantal jaren bij een bank gewerkt. Ik heb door omstandigheden maar drie jaren op de HBS gezeten. Tijdens de periode bij de bank heb ik allerlei cursussen gevolgd, hoewel de interesse toch meer lag bij de theologie. Maar om aan de Vrije Universiteit toegelaten worden, moest ik nog wel eerst het staatsexamen afleggen. Daar heb ik een aantal jaren voor moeten studeren. Maar uiteindelijk is het in 1937 gelukt. Ik had toen nog niet een direct verlangen predikant te gaan worden, maar wilde me gaan verdiepen in de grote levensvragen als wie is God en wie zijn wij? Tijdens mijn HBS tijd ben ik bewuster gaan geloven door wat ik in de prediking in de kerk hoorde, door de catechisatie en door het bijbellezen thuis. Catechisatie kreeg ik toen van ds. D. Sikkel, deze had aandacht voor zowel de vrome mens van de ethische theologie als het gezagvolle Woord. In 1928 , in hetzelfde jaar dat ik de HBS verliet, ging ik naar de jongelingsvereniging. Daar bestudeerden we bijbelse onderwerpen en andere onderwerpen als de geloofsbelijdenis. Hierdoor leerden we debatteren, beargumenteren vanuit de Bijbel. In dezelfde jaren kreeg ik catechisatie van ds. Ferwerda tot aan mijn belijdenis in 1931. Deze dominee was een echte kuyperiaan.’
Heeft u nog een herinnering aan Abraham Kuyper?
‘Van Abraham Kuyper heb ik zelf geen herinnering, maar mijn vader heeft hem wel eens horen spreken tijdens een bijeenkomst van de jongelingsvereniging. Wel herinner ik me dat Kuyper was overleden. Dat maakte op velen grote indruk, hij was een man met veel gezag.’
Welke theologen aan de VU maakten grote indruk op u?
‘Voor professor Berkouwer had ik heel veel waardering en deels nog steeds. Berkouwer is ook de man waarbij ik in 1956 ben gepromoveerd. Berkouwer gaf een goed beeld van Karl Barth. Schilder maakte ook indruk, alleen vond ik wel dat deze te kerkkritisch werd. Dat bleek uit de kwestie waar de kerkscheuring van 1944 op uit liep, namelijk het synode besluit uit 1905. Toen werd gesteld dat alle kinderen van gelovige ouders te houden zijn voor wedergeboorte, maar dat ook niet alle kinderen automatisch wedergeboren zijn. Dat laatste is vaak vergeten er bij te vermelden.’
Had u al snel een eigen gemeente?
‘In mijn studietijd was er een overvloed aan kandidaten. Je kon dan hulpprediker worden voor de catechisatie e.d., maar je had geen eigen gemeente. Er waren gewoon te weinig vacatures bij de Gereformeerde Kerken. Ik ben dan ook een paar jaar hulpprediker geweest in Amsterdam-Zuid en Amstelveen. In 1944 kreeg ik mijn eerste gemeente, van Oegstgeest- Morsch Rijndijk. Daar kerkten we in een schoollokaal’.
U bent nu al jaren met emeritaat. Maar preekt u nu nog wel eens?
‘Nee, nu preek ik niet meer. Tot zo’n tien jaar geleden heb ik het nog wel gedaan, maar vanwege mijn leeftijd gaat het niet meer, ik zie ook niet zo goed meer. Wel doe ik nog wel regelmatig de weeksluitingen in het verzorgingstehuis waar ik nu woon.
U heeft veel kennis van de zogenaamde rechtervleugel van kerkelijk Neder- land. Hoe is dat zo gekomen?
‘In de plaatsen waar ik predikant was waren kerkgenootschappen als de gereformeerde gemeenten. Oegstgeest-Morsch Rijndijk had ook een licht bevindelijke inslag. Ik maakte wel eens een kerkdienst mee van de Gereformeerde Gemeenten en er kwamen van deze gemeente ook wel mensen bij ons kerken en praatte ik met hen. Mijn tweede gemeente was die van Anna-Jacobapolder bij St. Philipsland. Hier was een grote Oud-Gereformeerde Gemeente. In deze kerk zong men de psalmen van Datheen, zonder orgelspel en op hele noten. Uit schroom namen weinigen deel aan het Heilig Avondmaal. Het moet natuurlijk ook niet automatisch worden. In deze kringen speelt zeer sterk dat je iets bijzonders mee moet hebben gemaakt, je moet eigenlijk een soort bekering hebben meegemaakt, om een christen te zijn.’
U heeft ook veel belangstelling voor de katholieken, hoe is dat ontstaan?
Met rooms-katholieken werkten we wel samen, net als met andere kerken, zonder daarbij de verschillen in de leer te vergeten. Ik bleef overtuigd van een diepe kloof tussen de ka- tholieken en de gereformeerden, maar wel hebben we veel gemeen met rechtzinnige rooms-katholieken.
U hebt in 1971 de Gereformeerde Kerk (synodaal) verlaten om Nederlands Gereformeerd te worden en kort daarop werd u Vrijgemaakt Gereformeerd. Was de kerk te veel veranderd of bent u zelf ook veranderd in uw opvattingen?
‘Over het algemeen ben ik in mijn opvattingen dezelfde gebleven. Ik noem mij zelf klassiek gereformeerd. Wel heb ik wat meer aandacht gekregen voor het bevindelijke. Dit heeft in de vrijgemaakte kerk niet veel aandacht.
Ziet u parallellen tussen de Vrijgemaakte Kerken nu en de Synodaal Gerefor- meerde Kerken van ongeveer 50 jaren geleden?
‘Ja, eigenlijk wel. Prof. De Bruijne in Kampen heeft in "Woord op schrift" blijk gegeven van relativistische schriftopvattingen. De historische kern wil hij vasthouden, maar toch neemt hij de Bijbel minder letterlijk. Bij de gereformeerden-synodaal gingen de theologen voorop in het modernisme binnen hun kerken.’
Zijn bij veranderingen in de theologie de theologen daarmee begonnen of komen de veranderingen vanuit de samenleving?
‘Volgens mij is er meer sprake van een wisselwerking van theologische opvattingen en meningen vanuit de samenleving.’
Kunt u aangeven welke ontwikkelingen in de samenleving de klassieke belij- denis beïnvloeden?
‘Dergelijke ontwikkelingen liggen in een bepaalde tijd zelf opgesloten. In onze tijd speelt het postmoderne denken een grote rol. Het aan alles twijfelen is haast nog erger dan het moderne denken waarbij de ratio overheerst.’
In de jaren ’50 kwam de TV. Vanaf het begin werd daarover verschillende gedacht. Hoe denkt u over de tv?
‘Op de tv is veel pulp te zien. Maar tv op zich is niet verkeerd, wel is het verkeerd te gebruiken. Maar zonder tv, computer en internet doe je niet meer mee, je kunt er eigenlijk niet zonder. Men zou meer moeten lezen in plaats van tv kijken. Er zijn heel veel kranten en bladen met opiniërende artikelen die te weinig worden gelezen, zodat er te weinig kennis is. Dit is een van de oorzaken van de hedonistische cultuur van tegenwoordig, ook in de kerken. Die cultuur barstte los in de jaren zestig, dit waren ook erg turbulente jaren. Maar in de jaren vijftig waren er ook al geluiden van veranderende inzichten, het waren voorbereidende jaren op de jaren zestig.’
Kunt u een aantal van die geluiden noemen?
Aan de VU werden de vragen van de evolutie behandeld als serieuze wetenschap. Een ander voorbeeld: prof. Berkouwer schreef in 1955 de “Verkiezing Gods”. Hierin werd niet openlijk kritiek op de Dordtse Leerregels gegeven, maar tussen de regels door bespeur je dat hij geen raad wist met de verkiezing en verwerping van eeuwigheid. Later ging Berkouwer verder met het loslaten van de gereformeerde theologie. Thijs Booy schreef in die tijd Gereformeerden waarheen?, hij vond de Gereformeerde Kerken erg verstard. Sietze Zuidema protesteerde hier flink tegen. In de jaren vijftig leek het wel of de antirevolutionairen de macht herkregen hadden. Zij waren ook voor een pro-koloniale politiek. Ze konden Indonesië niet loslaten. Toch heerste er wel een nasmaak over de scheuring van 1944 na de oorlog. In die jaren waren er al discussies over wel of niet dansen, één of twee keer naar de kerk. De verslapping begon al.
Waarom wel verslapping in de jaren vijftig en niet in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog?
‘De verslapping komt van de wereldgelijkvormigheid. Deze was echter nog ondergronds, uiterlijk zag alles er wel goed uit. Waarom wel in die tijd en niet eerder? Voor de oorlog werd het vijfde gebod dieper beleefd, en werden gezin en huwelijk onaantastbaar gezien. In de jaren vijftig werd de moraal losser. Ik denk dat het door de vrijheidsbeleving komt. Dit had onder andere tot gevolg dat er bij de jongelingsverenigingen meer aan ontspanning en minder aan studie werd gedaan. Aan de VU was men erg tegen Schilder, ook tegen de Wijsbegeerte der Wetsidee. Dooyeweerd en Vollenhoven hadden het er niet gemakkelijk. In de jaren zestig kwam bovengronds wat in de voorgaande jaren ondergronds al leefde. De schriftkritiek kwam toen sterk op, de teksten in de Bijbel fungeerden als omkleding, het ging alleen om de bedoeling van de teksten, niet meer of het ook echt gebeurd was’.
Wat was de aanleiding dat u in 1971 uit de Gereformeerde Kerk (synodaal) stapte?
‘Dat ik de synodaal Gereformeerde Kerk verliet, was niet van de ene dag op de andere, maar was een geleidelijk proces. Het begin was het boek van Berkouwer “De wederkomst van Christus” uit 1963. Daaruit bleek grote onduidelijkheid over het eeuwig wel en wee, over wel of geen alverzoening. Dit is in tegenspraak met de Bijbel, de Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis waarin staat dat er wel degelijk een hel is en dat er mensen verloren zullen gaan. Prof. Herman Ridderbos en Berkouwer redigeerden het Gereformeerd Weekblad en Ridderbos vroeg me of ik iets wilde schrijven. Ik heb daarop in 1964 o.a. het artikel “Worden alle mensen zalig” geschreven als reactie op het boek van Berkouwer en dan met name het hoofdstuk “Apokatastasis”. Dit was de knuppel in het hoenderhok. Ik had het scherp geschreven, ik nam de gereformeerde theologen op de schop en dat is me niet in dank afgenomen, zeker niet door Berkouwer. Deze schreef vier artikel in het weekblad als reactie, maar liet mijn vraag onbeantwoord. Hij vond de vraag of er echt een hel was ongeoorloofd. De relatie met Berkouwer die mijn promotor geweest was, was flink verstoord. Van Kuitert hoorde ik dat Berkouwer niet alleen boos was, maar ook verdrietig. Als ik het nu over zou moeten doen, zou ik milder hebben geschreven. Kuitert zelf was in zijn denken al een stuk verder dan Berkouwer. Deze laatste schoof steeds meer in de richting van Karl Barth. Volgens Barth waren we allen verloren, maar is Christus voor ons allen de verworpene zodat we allen aangenomen zijn. Maar volgens de gereformeerde belijdenis is er wel degelijk tweeërlei uitkomst, een eeuwig zalig worden of juist verloren gaan.
In deze periode (jaren ’50) kwamen vele Indiëgangers terug, Heeft u in uw gemeente te maken gehad met de repatrianten en nieuwkomers uit het over- zeese gebied?
In mijn gemeenten heb ik er weinig mee te maken gehad. Ik heb het van verre aanschouwd. Indonesië was na de oorlog niet te houden, maar dat besef drong maar langzaam door. Het is jammer dat er jongens naar het gebied werden gestuurd en in de politionele acties sneuvelden. De jongens gingen wel, maar in die tijd gold nog sterk dat gezag ook gezag was. Je onttrok je er niet aan, bovendien werd Soekarno gezien als collaborant, waar je niet mee onderhandelde.
Was er speciale aandacht voor de jeugd in het kerkenwerk?
Mijn gemeente in die tijd te ’s-Gravendeel was tamelijk behoudend. Daar was de jeugd positief, ze gingen gewoon mee naar de kerk. Speciale aandacht voor hen als groep was er niet. Later werd de jeugd daar ook meer meegaand.
De jaren vijftig zijn net een hellend vlak. In de loop der tijd wordt er afgeweken van het klassieke spoor en het verval treedt in. Had het anders kunnen lopen?
In de jaren vijftig werd Nederland gezegend met materiële welvaart. De schaarste verdween, de mensen kregen meer te besteden. Echter er is toen wel geestelijke armoede ontstaan. In de geschiedenis is er altijd eb en vloed. Zo was er in de jaren vijftig in de RK kerk ook veel vrijzinnigheid. Paus Pius XII was behoorlijk rechtzinnig, de kerken waren na de oorlog nog vol, maar na het Tweede Vaticaanse Concilie kwam er veel vrijzinnigheid. Maar mensen kunnen geestelijke eb en vloed beïnvloeden. In tijden van neergang is de macht van het ongeloof groot. Tegen het ongeloof het Evangelie. Maar dat moet je wel duidelijk brengen.
Hebben eigen organisaties van kerkelijke richtingen, de zogenaamde zuilen, een positieve of negatieve invloed?
De zuilen van de richtingen met eigen de christelijke organisaties zoals de SGP, ChristenUnie, zijn op zich wel goed. Vanuit het idee van de antithese –niet van de wereld zijn, wel in de wereld- is het noodzakelijk eigen organisaties te hebben. Het is echter niet goed wanneer mensen zich isoleren binnen hun eigen bolwerk. Maar eigen organisaties hebben is niet voorbehouden aan christenen alleen, anderen zoals de socialisten en liberalen organiseren zich ook. Je moet je eigenlijk altijd organiseren om iets te bereiken.
Wat de islam betreft, deze is eigenlijk een gewelddadige godsdienst, is gevaarlijk. Kijk maar naar de situatie in Saoedi-Arabië en Iran, die landen zijn gewelddadig tegenover christenen. Overal zie je dat de orthodoxen binnen de islam de macht grijpen met alle gevolgen van dien. In onze tijd zijn er ook andere bedreigingen, zoals de grote criminaliteit en het zinloze geweld. Denk maar aan het geweld op scholen. De samenleving is verruwd. Niet dat alles vroeger zo goed was, toen werden bijvoorbeeld de arbeiders onderdrukt. In onze tijd gaat ook veel mis, ook binnen de kerken. Er is teveel vergadercultuur. Er wordt daarmee teveel tijd verdaan. De zogenaamde gaventesten of iemand voor een specifieke taak geschikt is, daarover heb ik zo mijn twijfels. Natuurlijk heb je mensen met grote gaven. Denk maar aan mensen als Billy Graham, Wesley en Spurgeon. Zij hebben bijzondere gaven, maar brachten wel het Evangelie en daardoor bereikten ze zoveel mensen. Niet door het hebben van gaven op zich. Onze maatschappij verandert. Tot in de jaren vijftig was Nederland een agrarische samenleving, maar nu veranderen we van een nationale naar een internationale samenleving. De vrouwenemancipatie is doorgegaan, in vele kerken zie je vrouwelijke ambtsdragers. In zondag 31 van de Catechismus wordt opgeroepen de ongelovigen te waarschuwen. Dit wordt in de Vrijgemaakte Kerken praktisch niet meer gedaan. Natuurlijk moet je niet alleen hel en verdoemenis preken, maar wel zijn waarschuwingen nodig. Ook kerkmensen kunnen verloren gaan.
Heeft u nog een slotopmerking?
Ik hoop op een geestelijke opwekking. Er is nu teveel gekibbel. Het zou zo mooi zijn wanneer mensen weer horen naar het woord van God en dat mensen weer zien dat de geboden van God heilzaam zijn voor ons allemaal.
Bestel de autobiografie van ds. M.J. Arntzen, Een theologenleven in woelige tijden (2004), bij uitgeverij De Vuurbaak in Barneveld.
Jaargang 18 (2007) No 2 - themanummer jaren vijftig
Trefwoorden: GKN, Interview, Vrijgemaakt-gereformeerd.
