WebfeedRSS
Loading

Humanitaire interventie en soevereiniteit

Recensie

Schennink, B.

n.a.v. Duco Hellema en Hilde Reiding (red.), Humanitaire interventie en soevereiniteit. Geschiedenis van een tegenstelling (Amsterdam: Boom, 2004), 307 blz., €29,50.

In september 2005 vergaderden de regeringsleiders over het advies van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om de verantwoordelijkheid van de wereldgemeenschap voor het recht op human security van alle wereldburgers in het werk van de VN centraal te stellen. Tegen de achtergrond van onder meer het falen van de VN bij de genocide in Rwanda, bepleitte Kofi Annan de VN en de wereldgemeenschap meer mogelijkheden te geven op te treden in humanitaire noodsituaties. De regeringsleiders werden het niet eens en zeiden in hun slotverklaring: ‘We commit ourselves to discussing and defining the notion of human security in the General Assembly’ (VN, A/60/L.1, no. 143). Hellema en Reiding leveren met het door hen geredigeerde boek over de geschiedenis van de spanning tussen soevereiniteit en humanitaire interventie een welkome bijdrage aan deze discussie.

In hun inleiding maken Hellema en Reiding duidelijk dat de twee begrippen niet gemakkelijk eenduidig te definiëren zijn. De definities laten veel ruimte voor nadere invulling en vertegenwoordigen ook twee verschillende idealen. Mensen die soevereiniteit voorop stellen benadrukken de gelijkwaardigheid en vreedzame relaties tussen afzonderlijke staten en het afzien van geweld. Komt het recht op veiligheid op de eerste plaats dan benadrukt men de verantwoordelijkheid van de soevereine overheid voor die veiligheid en de plicht van de wereldgemeenschap om op te treden als die verantwoordelijkheid ernstig verwaarloosd wordt. Dat het gaat om een spanning tussen twee idealen en niet om de tegenstelling tussen idealisten en realisten, maakt het debat niet gemakkelijker, wel spannender.
In het historische deel van het boek schetst Duindam het ontstaan en de groei van het soevereiniteitsbeginsel voor 1815. Kuitenbrouwer laat zien hoe soevereiniteit in de koloniale periode door de Europese kolonisatoren buiten Europa gevestigd werd, en hoe ze die moesten doorgeven aan onafhankelijkheidsbewegingen in de dekolonisatie na 1945. Met name in Afrika heeft dat geleid tot falende staten en tot situaties waarin geroepen werd om humanitaire interventie. Van Vuurde laat aan de hand van Groot-Brittannië in de negentiende eeuw zien hoe groeiend nationaal zelfbewustzijn tegelijk meer afwerend maakt tegen inmenging van buiten en opener voor bemoeienis met problemen in het buitenland. In de twintigste eeuw werd na de Eerste en Tweede Wereldoorlog de soevereiniteit van landen wat ingeperkt ten gunste van de opbouw van de internationale rechtorde, maar werd de ruimte voor humanitaire interventie amper groter. Van Ginneken beschrijft hoe in de periode van de Volkenbond een begin gemaakt werd met controle van lidstaten op naleving van afgesproken regels en Baudet hoe tijdens de Koude Oorlog wel ruimte ontstond voor elkaar op de vingers tikken – interference – maar niet voor interventie.

In deel II worden actuele problemen behandeld. Baehr en Flinterman stellen dat volgens het huidige internationale recht humanitaire interventies buiten de VN om niet gerechtvaardigd zijn, maar dat ze wellicht op weg zijn onderdeel te worden van het internationale gewoonterecht. Zij vinden dat er sprake is van een plicht tot ingrijpen bij zeer ernstige humanitaire problemen, en dat in zeer uitzonderlijke gevallen het verbod op gebruik van geweld overtreden mag worden. Malcontent analyseert of dat niet betekent dat CNN en andere massamedia gaan bealen wanneer geïntervenieerd wordt. Zijn conclusie, onder meer aan de hand van de besluitvorming in Den Haag betreffende Srebrenica, is dat de zelfstandige rol van de media kleiner is dan gevreesd wordt. Deel II wordt afgesloten met twee nogal tegengestelde pleidooien. Grünfeld bepleit vroegtijdige interventie. Daarmee is het vaak nog mogelijk te voorkomen dat problemen uitmonden in grootschalig geweld. Hellema is voor terughoudendheid. Hij vreest dat humanitaire interventies misbruikt worden om westerse democratiseringsprojecten te bevorderen. Dat tast naar zijn mening de noodzakelijke proportionaliteit en de neutraliteit van dergelijke interventies aan.

In deel III worden in vier case-studies interventies vroeger en nu beschreven. Twee ervan hebben betrekking op de Balkan: De Graaff over het Britse optreden tussen 1875 en 1878 en Eysink over de Kosovo-interventie in 1999. De andere twee spelen in Indonesië: Van Goor over de Nederlandse interventie in Lombok in 1894 en Glasius over de VN-interventie in Oost-Timor in 1999. Om historische vergelijking mogelijk te maken zijn cases uit dezelfde regio gekozen. De verschillen in de tijd maken vergelijking binnen de regio echter vrijwel onmogelijk. De politieke contexten van honderd jaar geleden en nu zijn te verschillend. De meer identieke internationale context maakt vergelijking tussen de hedendaagse interventies beter mogelijk. Het boek zou meer richting geven aan het hedendaagse debat als de spanningen tussen de twee idealen die uit de historische studies en de analyse van de actuele problemen volgen aan de hand van meerdere hedendaagse cases onderzocht waren. Ook een afsluitende analyse had kunnen bijdragen aan betere bruikbaarheid in het debat. Nu nodigt het boek zowel voorstanders van humanitaire interventie als verdedigers van geweldloze conflictoplossing te gemakkelijk uit op zoek te gaan naar steun voor de eigen positie. Die kunnen ze in het boek in ruime mate vinden, maar het debat tussen de twee idealen wordt niet spannender als ze zich ook niet in de argumenten van de ander gaan verdiepen.


 Laatst gewijzigd: 31-03-09 - Geplaatst: 26-04-07