Eerherstel voor Cornelis Veenhof
Siebe, P.H.
Vijftien jaar geleden trok ik in een Friese logeerkamer een boek uit de kast. De naam van de auteur viel mij op: C. Veenhof. Was dat niet één van de twee hoogleraren die – zo had ik in mijn vrijgemaakt-gereformeerde jeugd meegekregen – fout zaten? Wat zou er voor verderfelijks in staan, vroeg ik me af. Ik begon te lezen en was al snel zo geboeid dat ik besloot het boek antiquarisch aan te schaffen. Niet lang daarna mocht ik me na betaling van ƒ10,- eigenaar noemen van Om kerk te blijven. Ik las het in één adem uit. Hier vond ik de ontspannen omgang met de belijdenis waar ik naar hunkerde. Hier vond ik de kerkelijke ruimte die ik zocht.
Zo vond ik me op 17 november terug in de middeleeuwse ambiance van de Broederkerk te midden van een 150-tal vrienden van Veenhof. Voor het eerst sinds de kerkelijke breuk in 1967 hielden Nederlands gereformeerden en vrijgemaakt- gereformeerden zich gezamenlijk bezig met hun gezamenlijke verleden, op een congres over de gereformeerde Kamper theoloog Cornelis Veenhof, georganiseerd door het Archief- en Documentatiecentrum van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gevestigd in Kampen. De dag vormde het eerste, aarzelende begin van de verwerking van een onverteerd en onverteerbaar verleden. De spanningen uit dat verleden bleken voelbaar. Toch was de dag onmiskenbaar een vorm van eerherstel van Veenhof. Wie was deze man ook al weer?
Wie was Veenhof?
Cornelis Veenhof was een overtuigd, enthousiast en gevoelig mens. Zijn gevoeligheid maakte hem kwetsbaar voor de narigheid die hij – door twee kerkelijke breuken – ondervond als gevolg van krachten die hij zelf had opgeroepen. Hij was geen oorspronkelijk denker maar ‘opgebouwd uit citaten’, zoals een tijdgenoot en tegenstander eens vilein opmerkte. Hij kroop door Calvijn, Kuyper, Bavinck heen en dolf vele schatten uit hun werk op. Hij was een begenadigd popularisator en prediker, die diepe indruk maakte door zijn eenvoudige, beeldende preekstijl. Mensen bij hem in de kerk voelden hoezeer ze zondaar waren – maar daarna ging de hemel weer voor hen open. ‘Als Veenhof het uitlegt, begrijpen we waar het om gaat’, zei het kerkvolk. Na zijn benoeming als hoogleraar ambtelijke vakken waaronder homiletiek (predikkunde) aan de Theologische Hogeschool in Kampen (1946) heeft hij een hele generatie dominees leren preken. De openheid, ruimte en veelkleurigheid die de Nederlands Gereformeerde Kerken van nu kenmerken, zijn ondenkbaar zonder Veenhofs spreken en schrijven over het wezen van de kerk.
Spokend verleden
Historicus George Harinck opende het congres met erop te wijzen dat een publieke verwerking van de betekenis van Veenhof tot nu toe nooit heeft plaatsgevonden.’ Het openlijk en vrijmoedig bespreken van wat er in de jaren 1960 gebeurd is, wordt in vrijgemaakt kring niet altijd op prijs gesteld. Bovendien schreef men daar lange tijd de geschiedenis als een verhaal van overwinnaars en komt er pas de laatste tijd meer aandacht voor de slachtoffers. Maar’, aldus Harinck, ‘het verleden laten rusten omdat het er spookt, is geen optie. We moeten het ons herinneren en recht doen aan de mensen die we er tegen komen’.
Harinck schetste de diepe tragiek in het leven van Veenhof. Geboren in 1902 en opgeleid tot onderwijzer, kreeg hij de kans om in Kampen te studeren en werd hij als jong predikant gegrepen door de beweging van de jongeren rondom de aanstormende theoloog Schilder en de filosofen Dooyeweerd en Vollenhoven. De Eerste Wereldoorlog en de nasleep er van brachten een enorme crisis teweeg in de cultuur, die niet voorbij ging aan het gereformeerde volksdeel. God leek van het toneel verdwenen. Oude antwoorden en opvattingen leken verdampt. Er was behoefte aan nieuwe, eigentijdse vormen en gedachten en daarin voorzag deze beweging – en hoe. Tegen het eind van de jaren ’30 waren de kansels in gereformeerde bolwerken als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Amersfoort, Groningen, Enschede en Haarlem alle in handen van predikanten die bij deze beweging hoorden.
Veenhof werkte mee aan een invloedrijk boek van deze beweging: De verborgenheid der godzaligheid (1941) en schuwde daarbij stevige taal niet: ‘Alleen een keurbende zal kunnen standhouden. O, laten de weifelaars, de onbeslisten, de laffen nu maar gaan! Laten ze toch verdwijnen, vooral als ze op de voorste posten zijn, vooral als ze aanvoerders zijn.’ (C. Veenhof, ‘Christus de kerkbouwer’, in: De verborgenheid der godzaligheid. De hoogtijden van het kerkelijk jaar, pag. 294). Veenhof en zijn medeauteurs namen hun lezers mee in een alomvattende visie, die het leven glans gaf en niet opriep tot vage stichtelijkheid maar tot actie, tot concrete inschakeling in het wereldomspannende werk van Jezus Christus.
De beweging der jongeren riep in de gereformeerde kerken ongekend enthousiasme op, maar ook grote spanningen. ‘Dat onbeslisten lafaards waren, zei Veenhof in latere jaren niet meer. Maar de storm die zich toen tegen hem keerde had hij in zijn jonge jaren zelf gezaaid. De religieuze spanningen zijn door de reformatorische beweging zo hoog opgevoerd dat de vrijgemaakte kring onder die last is bezweken’, aldus Harinck. Tot tweemaal toe zouden de mede door Veenhof zelf opgeroepen krachten zich tegen hem keren. Eerst in 1945 toen hij koos voor de Vrijmaking (het conflict in de Gereformeerde Kerken dat in 1944 leidde tot de uittocht van zo’n 100.000 kerkleden) en daarom werd geschorst als predikant. En ten tweeden male in 1969. In dat jaar raakte hij uit het kerkverband van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken doordat de kerk van Kampen, waarvan hij lid was, buiten dat kerkverband werd gestoten. Met vele andere kerken ging de kerk van Kampen verder als Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (‘buiten verband’), later de Nederlands Gereformeerde Kerk geheten. In hetzelfde jaar zette de (‘binnen verband’) synode van Hoogeveen hem uit de senaat van de Theologische Universiteit en ontnam hem zijn emeritaatsrechten. De synode was van oordeel dat hij ‘doortocht verleende aan dwaling’ doordat hij over de belijdenisgeschriften als ‘feilbaar mensenwerk’ schreef. In de constellatie van toen – waarin er in de vrijgemaakte kerken controversen woedden o.a. over het leven na de dood, over de kerkleer en over de juistheid van het zoeken van contact met de (synodaal) Gereformeerde Kerken waar men in 1994 uit gezet was -beoordeelde de synode dat als kwalijk en schadelijk. Zijn portret werd uit de senaatskamer van de Theologische Hogeschool verwijderd. En dat alles speelde zich af aan het eind van een periode waarin hij alle moeite had gedaan in spreken en publicaties om de gereformeerde geest weer in de fles te krijgen…
‘Alle malen zal ik wenen’
Onder deze titel schetste Ab van Langevelde hoe Veenhofs denken over de kerk zich vormde onder de dramatische gebeurtenissen in zijn leven als leidend en lijdend figuur. Gevormd door Abraham Kuypers kerkbegrip, daar van af geraakt onder invloed van Schilder, veranderde zijn denken over de kerk nogmaals – en dat moet gebeurd zijn door de paleisrevolutie bij De Reformatie, het toonaangevende vrijgemaakte blad waarvan hij in 1956 niet langer redacteur mocht zijn. Dit greep hem zo aan, aldus Van Langevelde, dat hij verlangde te sterven.
Qua kerkbegrip vond hij vanaf die tijd rust bij Bavinck, zoals bleek in zijn magnum opus Prediking en uitverkiezing (1959). Hij benadrukte in dat boek:
1. dat het christendom een geloofsgemeenschap in verdeeldheid is en het dus noodzakelijk is verschil te maken tussen fundamentele en minder fundamentele onderwerpen; over de minder fundamentele kun je van mening verschillen
2. wie niet tegen Christus is, is voor Hem – een besef dat je mild maakt voor je tegenstanders en streng voor jezelf
3. dat de Schrift koninklijke waardigheid heeft en de belijdenis die van een ‘dorpsveldwachter’
4. dat hij de ware en de valse kerk niet exact meer durfde aanwijzen.
Van de kerk als organisme (Kuyper), via de kerk als congregatio (kudde zie zich laat verzamelen – Schilder) was Veenhof uitgekomen bij de kerk als volk van God (Bavinck). Niet meer en niet minder. Alles wat hij sindsdien over de kerk schreef – inclusief Om kerk te blijven – vloeide voort uit deze kerkopvatting, die hij verwierf door wat er om en met hem gebeurd was in de eerste helft van zijn leven.
Preken
Zoon Jan Veenhof – zelf ook theoloog – vertelde vervolgens hoe zijn vader bij Calvijn de tweeslag ontdekte van het Woord als liefdesverklaring van God aan ons mensen, en van het sacrament als heilsmiddel waar je gegarandeerd van op aan kunt. C. Veenhof nam daarmee afstand van toenmalige theorieën over de ‘veronderstelde wedergeboorte’ bij de doop, en van de mijding van de avondmaalstafel in bevindelijk-gereformeerde kringen. Preken was bij hem: prediking van de genade, zonder dat daar het dogma van de verkiezing en verwerping als en zwaard van Damocles boven hing. In boeken als Prediking en uitverkiezing waarschuwde hij tegen zowel confessionalisme als dogmatisme. Typerend voor vader Veenhof was het spre¬ken over Jezus als onze ‘oudste broer’. Zoals bij een emigratie de oudste zoon eerst gaat en dan alles in gereedheid brengt voor de overkomst van de rest van het gezin, zo doet Jezus dat om ons te ontvangen in het huis van zijn Vader. ‘Deze typering spreekt van eerbied, maar ook van warmte en vertrouwen’, aldus een geëmotioneerde Jan Veenhof.
Uit de lezing van de vrijgemaakte predikant Jos Douma werd duidelijk dat C. Veenhof ook aan de overkant van de kerkelijke breuk tot op vandaag weet te boeien. ‘De prediking van het heil en de vergeving is het meest vernietigende vonnis over de mens dat er is’, citeerde Douma Veenhof. Maar tegelijk is die prediking ook genademiddel bij uitstek – tenminste als het in de preek niet zozeer over Gods genade gaat, maar als die genade wordt ervaren. Douma gaf aan tijdens het schrijven van zijn dissertatie Veni Creator Spiritus. De meditatie en het preekproces zeer geraakt te zijn door Veenhofs boek Prediking en uitverkiezing. Noot 133 van dat boek, een noot die maar liefst 20 pagina’s (215-234) van het boek beslaat, hoort wat Douma aangaat ‘thuis in de canon van de predikkunde’. Het gaat in die noot over de primaire functie van het Woord – en ze hebben niet alleen Douma geraakt maar velen met hem (zie de naast dit artikel afgedrukte persoonlijke herinnering van ds. Veefkind die de eerste alinea uit deze noot citeert).
Eerherstel?
Tegen het einde van het congres werd het spannend. Want, vroeg zoon Klaas Veenhof zich hardop af, dit congres kan nu wel een vorm van eerherstel zijn, maar: ‘Waarom hangt het portret van mijn vader sinds een aantal jaren wel weer in de senaatskamer van de vrijgemaakte Theologische Universiteit in Kampen, terwijl hij in die kamer niet meer mocht komen na de breuk in deze kerken tussen “binnen verband” en “buiten verband” in 1967? Daar mag de senaat van die universiteit nog wel eens op terugkomen.’ Meerdere sprekers mengden zich in het debat en wat wijsheid is, bleek nog niet zo eenvoudig. De een drong aan op schuldbelijdenis en ongedaan maken van de vrijgemaakte be- sluiten van destijds. De ander noemde een dergelijke vorm van afstand nemen goedkoop en ook niet de beste weg, want wij kunnen ons moeilijk in de gedachten en omstandigheden van onze ouders verplaatsen. Ook werd het voorbeeld genoemd van Nehemia die zich verootmoedigde over zijn voorouders maar daarbij niet zei ‘zij hebben gezondigd’, maar ‘wij hebben gezondigd’.
Ik vroeg Jan Veenhof op de man af wat hij vond dat er zou moeten gebeuren op dit punt. ‘Het had destijds anders moeten gaan’, zei hij. ‘Dit congres is een goede eerste stap. Wat toen gebeurd is, moet niet langer doodgezwegen worden. En aan de hoofdrolspelers van destijds, de professoren Kamphuis en Trimp, zou ik willen vragen: wat vinden jullie in het licht van de ontwikkelingen van nu – de evangelicalisering en de openheid in jullie kerken – van de besluiten van toen?’
Cornelis Veenhof
1902: geboren in Doorn als bakkerszoon
1920-23: onderwijzer in Spakenburg
1926: studie theologie aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken in Kampen
1933: predikant in Harkstede, 1936 Haarlem, 1941 Utrecht
1945: kiest met pijn in het hart voor de Vrijmaking en wordt daarom geschorst als predikant
1946: hoogleraar ambtelijke vakken waaronder homiletiek (predikkunde) aan de Theologische Hogeschool van de vrijgemaakt-gereformeerde kerken te Kampen
1968: eervol ontslag
1969: zijn emeritaatsrechten worden hem ontnomen i.v.m. het conflict tussen ‘buiten- en binnen verband’ in de vrijgemaakt-gereformeerde door de synode van Hoogeveen wegens het verlenen van doortocht aan dwaling. Veenhof wordt ‘buiten verband’ (nu Nederlands gereformeerd)
1983: overleden te Oudemirdum
Herinneringen van oud-studenten
CV: doctor sine quo non‘C. Veenhof wilde van zijn studenten letterlijk terughoren wat hij hun had geleerd. Voor het gevreesde tentamen ambtelijke vakken waren er onder de studenten hele vragenlijsten in omloop. Ik heb daar veel profijt van gehad, niet alleen omdat ik in een recordtijd voor het tentamen geslaagd was; maar vooral, omdat ik na bijna een halve eeuw nog hele lappen van Prediking en uitverkiezing uit het hoofd ken. Bijvoorbeeld bladzij 215: ‘Een van de voor- naamste oorzaken van de chronische misverstanden, de blijvende verwarring en de nog altijd voortdurende strijd, welke tussen de verschillende nuances onder de gereformeerden ten aanzien van verbond, belofte en sacrament heersen, moet gezocht worden in het niet meer verstaan van de primaire functie van het woord Gods in het werk der verlossing. (…) Men zag dat woord veelal niet anders dan als volstrekt betrouwbare mededeling omtrent schepping, zondeval, verlossing, kortom, omtrent God en zijn werk. En voorts als een regel om naar te leven. Maar dat de primaire functie van het woord deze is, dat God in Christus door de Geest de vergeving der zonden, het eeuwige leven, ja, Zichzelf schenkt; dat het woord naar zijn specifieke aard het heil ‘bevat’; dat het heil in dat woord voor de mensen concrete gestalte krijgt; daarin aan hen wordt geschonken en daarin door hen, in de weg des geloofs, ook wordt ontvangen en ‘bezeten’ – dat werd weinig verstaan. En toch behoorde juist deze visie op het woord tot het essentiële van de reformatie. Het ging daarin immers vóór alles over de wijze waarop God zijn genade schenkt: sola fide, dat correlaat is aan het solo verbo Spiritus Sancti’. Als CV (Veenhof, PHS) je op tentamen vroeg: ‘Wat is het Woord?’ dan kon je het beste zeggen: ‘heilbrengend, levenwekkend en wederbarend’ – daar had hij het over op college. Voor mij bleek dat een heilbrengende boodschap die mij geleid en beschermd heeft te midden van de chronische misverstanden, blijvende verwarring … enzovoorts. Dat een oudere collega eens tegen mij zei: ‘Jij bent een leerling van Veenhof’ beschouw ik als de grootste bemoediging die ik ooit heb gekregen. Oftewel: CV, doctor sine quo non.’
drs. J.H. Veefkind, emeritus-predikant Nederlands Gereformeerde Kerk Amersfoort. Hij volgde colleges bij
Veenhof van 1955-1957.
Houvast bij Veenhof
‘Het meeste heb ik als student theologie in Kampen – naast oudtestamenticus Holwerda – gehad aan Veenhof. Veenhof gaf mij houvast voor mijn geloofsleven door zijn levende en bezielende nadruk op de waarachtigheid van Gods beloften. Hij kon daar zo boeiend over spreken en preken, dat je iedere keer dacht: zo IS het gelukkig, daar mag en kan ik uit en mee leven! Toen ik mijn eerste proefpreek hield voor de studenten was zijn oordeel ‘roggebrood’ – stevige kost maar zwaar om te verteren. Ik dacht toen meteen: daar heeft hij de spijker precies mee op de kop geslagen, die kant moet ik niet uit. Het was voor mij te hoog gegrepen om zó te preken dat ‘het heilige bloed van Christus tegelijk met de stem neerdrupt op de gemeente’, zoals Veenhof zei. Ik heb me later dan ook niet meer met de theologie bezig gehouden en me in een heel andere richting ontwikkeld. Veenhof was niet alleen maar theoloog, hij had een ruimere blik. We waren het als studenten niet altijd met hem eens, maar hadden wel altijd respect voor hem. Ik vind het een schande wat ze hem later aangedaan hebben.’
drs. Ph. Roorda, oud-docent klassieke talen en lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Zuidhorn. Hij
volgde colleges bij Veenhof van 1945-1951.
Personalia
Drs. Peter H. Siebe is van origine historicus en werkt als onderzoeksjournalist bij de Evangelische Omroep. Hij schreef in Vuur en vlam - aspecten van het vrijgemaakt- gereformeerde leven 1944-1969 (deel 1, Amsterdam 1994) het hoofdstuk ‘Tussen wereldkerk en ware kerk. Kerk, kerkverband en de Open Brief’. Hij is Nederlands gereformeerd.Recent zijn de congreslezingen verschenen bij het ADC in Kampen in een interessante bundel, getiteld:
G. Harinck (red.), "Niets is overbodig, niets is toevallig". Leven en werk van Cornelis Veenhof (1902-1983) (Barneveld: De Vuurbaak, 2009).
Dit boek is verkrijgbaar bij uitgeverij De Vuurbaak.
Jaargang 18 (2007) No 1
Trefwoorden: Cornelis Veenhof, Vrijgemaakt-gereformeerd, Vrijmaking.
