WebfeedRSS
Loading

'Ze moeten ons niet'

Vlastuin, E. van

De Hongaarse ingenieur Péter Schermann vierde zijn 75ste verjaardag op 29 mei met de VCH bij het congres ‘Hongarije 1956’ . Na vijftig jaar in Nederland te hebben gewoond, is de kloof met zijn geboorteland groot geworden, vertelt hij. Hieronder het verslag van het congresinterview, met latere uitbreidingen.


Heeft u vandaag op uw 75ste verjaardag nog iets nieuws gehoord?
„Nou, 90 procent was me al bekend. Er was eigenlijk niets waarbij ik dacht: dat heb ik nog nooit gehoord. Toch was het heel interessant deze dag mee te maken. Sommige lezingen vond ik heel goed. Van veel dingen vond ik het goed dat ze hier naar voren kwamen, omdat ze in de algemene opinie onder- belicht blijven.”

U was student toen de opstand begon, maar u zat in de gevangenis. Waarom zat u vast?
„O, dat was in die tijd helemaal niet moeilijk”, antwoordt Schermann gevat, waarop de zaal in lachen uitbarst. „Ik was in 1951 tweedejaars student. Ik had een motorfiets van 100 cc, maar de benzine was op de bon. Een vriend van mij was motorcoureur. Dus ging ik in een middagpauze naar hem toe om te vragen of hij benzine kon organiseren. Ik belde aan. Maar toen deed een officier van de staatsveiligheid open. Die vroeg wat ik kwam doen. Ik zei: “Ik zoek die en die”. Ik mocht naar binnen. De hele familie stond al in de hal tegen de muur. En ik mocht erbij. Maar ik mocht weer gaan, nadat mijn paspoort was gecontroleerd. Ik liep naar beneden, trapte de motor weer aan. Juist toen ik gas wilde geven om weg te rijden, voelde ik een hand op mijn schouder. „Wacht nog even”, zei iemand, „ik wil nog even met je praten. Zet de motor maar onder de poort.” Toen mocht ik met hem mee. Ik werd dus al verdacht omdat ik iemand bezocht die ook verdacht was. Zo ging dat.” Had u ooit iets gedaan op grond waarvan u ook zelf verdacht zou kunnen worden? „Nee. Na een half jaar van verhoren kwam de rechtszitting. Daar werd ik aangeklaagd als deel van een groep van vijftien die het systeem wilden omverwerpen. Ik kreeg acht jaar celstraf voor het deelnemen aan een samenzwering tegen de staat. Vlak voor het begin van de opstand kwam ik echter weer vrij.”

Hebt u er nog aan meegedaan?
„Het eerste deel –dus vanaf 23 oktober– ging vrijwel aan mij voorbij. De gebeurtenissen waren een complete verrassing voor me. Ik had zo mijn buik vol van het systeem dat ik het nieuws helemaal niet volgde. De hoofdzaak was dat ik van een bord met mes en vork mocht eten, in een bed mocht slapen en dat aan de binnenkant van de deur ook een deurkruk zat. Tijdens het tweede deel –dus vanaf de Russische inval op 4 november– was ik actiever. Ik hoorde ’s ochtends kanonnen en zette direct de radio aan. Daar luisterde ik naar de toespraak van Imre Nagy. Toen ben ik naar de stad gegaan en heb me bij de opstandelingen gevoegd. Ik heb daarna ook wel wat rondgeschoten. Maar uiteindelijk was mijn bijdrage bescheiden. Al snel daarna kwamen de Russen met tanks, waartegen niets te beginnen was. De situatie was totaal uitzichtloos. Toen heb ik nog even gewacht op een wonder. Maar dat kwam niet. Eind november werden de politieke gevangenen weer één voor één opgepakt. Omdat ik geen zin had om weer de gevangenis in te draaien, ben ik vertrokken.”

Kende u mensen die de opstand organiseerden?
„Nee. Ik had de hele tijd in de gevangenis gezeten en kende dus niemand.”

Wat is volgens u de oorzaak van het mislukken van de opstand?
„Die is vrij duidelijk: Het ging om geweren tegen tanks. Het enige dat we konden, was laten zien dat we niet berustten in de Russische dictatuur. Het was zodoende symbolisch verzet. Maar dat was niet vol te houden.”

Hoelang bent u toen nog in het land gebleven?
„Op 21 november heb ik thuis afscheid genomen, op weg naar het Westen.”

Hoe bent u gevlucht? Op diezelfde motorfiets misschien?
„Nee, die heb ik nooit meer teruggezien. Kort gezegd komt het hierop neer: via anderen kende ik iemand, die ons over de grens wilde brengen. Zo kwamen we in Oostenrijk. Die jongen is toen zelf met mijn zus naar Toronto gereisd en daar leven ze nog steeds samen.”

Welk reisdoel had u zelf?
„Ik had een soort verloofde in Nederland, wier vader Hollander was. Zodoende kwam ik aan met het derde transport van 1000 vluchtelingen dat hier in Utrecht aankwam.”

Op het congres hebt u gehoord dat de regering-Drees eigenlijk niet zat te springen om Hongaarse vluchtelingen. Hoe bent u ontvangen?
„De ontvangst was heel goed. Ontroerend zelfs. Verder is het het bekende verhaal. We werden opgevangen in de Julianahallen, de latere Jaarbeurs. Daarna werden we overgebracht naar vakantiehuisjes in het Brabantse Oss. Van lieverlee kregen we meer zelfstandigheid om onszelf te bedruipen.”

U hebt daarna zelfs academische carrière gemaakt en bent hoogleraar geworden. Hoe is dat in zijn werk gegaan?
„We kregen hulp bij het zoeken van onderdak en van werk. Want wij wisten hier natuurlijk heg nog steg. Ook werden we begeleid bij sollicitaties. Zodoende vond ik midden januari 1957 werk in Amsterdam. Als technisch tekenaar bij een bedrijf in de regeltechniek. In dat vak ben ik altijd gebleven. Het jaar daarop, in 1958, ben ik naar Delft gegaan voor verdere studie. Als avondstudie duurde dat tot 1968. Begin jaren tachtig ben ik gevraagd bijzonder hoogleraar te worden in de procesdynamica (regeltechniek) aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 1993 ben ik met de VUT gegaan”, vertelt prof. ir. Schermann.

Wat was uw afkomst in Hongarije?
„Ik kom uit een goed burgerlijk milieu. Intellectueel, tolerant, vrijdenkend en eerlijk. Dat was de basis. Dat strookte in het geheel niet met de visie van de communistische regering.”

Was in uw opvoeding ook plaats voor religie en godsdienst?
„Jazeker, ik ben luthers opgevoed. Wij kregen ook godsdienstlessen. Maar in Nederland heb ik me niet meer bij een lutherse kerk aangesloten. Ik behoor nu tot de Christengemeenschap, dat is een antroposofische beweging.”

De jaren na 1956 waren de hoogtijdagen van de Koude Oorlog. Is er nooit een poging gedaan u voor spionage te ronselen?
„Van Nederlandse kant niet. In Hongarije wel. Toen ik er in 1973 voor de tweede keer naartoe ging, werd mij een soort verhoor afgenomen door de dienst buitenlandse bezoekers. Dat gesprek ging over mijn werk, mijn inkomen en andere omstandigheden in Nederland. Ik was toen ook betrokken bij het ultracentrifugeproject van Urenco. Het was duidelijk dat men uit was op informatie daarover. Als ik daarop was ingegaan, had ik natuurlijk meer voor hen kunnen betekenen. Uiteraard heb ik dat afgewimpeld.” Urenco hield (en houdt) zich bezig met nucleair onderzoek. Via diefstal bij deze instelling heeft bijvoorbeeld Pakistan zijn atoombom gekregen. Was het niet vreemd dat een immigrant uit Oost-Europa daar toegang had tot zulke gevoelige informatie? „Nee. De BVD (Binnenlandse Veiligheidsdienst) had mij gescreend en blijkbaar was ik goed genoeg bevonden. Zo’n onderzoek door de BVD was geen geheim. Men keek naar je afkomst en je werk- en kennissenkring. Ik heb daar nooit een probleem mee gehad. De dienst hield mij wel doorlopend in de gaten, zo bleek mij later eens. Voor mijn werk was ik eens in Wenen en ging toen daarvandaan voor een weekwisseling naar Boedapest. Enige tijd later kreeg ik bezoek van een BVD-agent, die stelde dat ik een half jaar in Hongarije was geweest. Dat had de marechaussee op Schiphol gezien op het visum in mijn paspoort. Maar die had zich vergist; het visum was alleen voor een half jaar geldig.”

Hebt u later nooit de drang gehad om weer terug te gaan naar Hongarije?
„In de begintijd was ik er vast van overtuigd dat ik Hongarije nooit meer zou terugzien. Zestien jaar lang heb ik niets meer van het land gezien. Ik kon ook niet naar huis, omdat ik nog twee jaar van mijn gevangenisstraf tegoed had. Mijn vrijlating was voorwaardelijk geweest. De eerste keer dat ik weer in Hongarije was, was op de begrafenis van mijn moeder in 1972. Toen heeft de Hongaarse consul in Nederland een speciaal visum geregeld. Het jaar daarop zijn we er met vakantie gegaan. En sindsdien hebben we dat zo nu en dan gedaan. Ook voor mijn werk ben ik er, na de val van de Muur, enkele keren geweest.”

Zou u zich vandaag nog thuis voelen in Hongarije?
„Ik denk van niet. Het land is wel een min of meer functionerende parlementaire democratie en behoort tot de Europese Unie. Maar het draagt nog sterk de sporen van veertig jaar communistische overheersing. Misschien niet zozeer in de materiële situatie van het land, bijvoorbeeld in de industrie. Maar meer in de mentale toestand van het volk. De grootste ramp heeft zich voltrokken in het denken van de mensen. Dat is beschadigd.”

Waaruit blijkt dat?
„Alles is bijvoorbeeld gebouwd op relaties. De regering is corrupt. Als je als burger iets voor elkaar wilt krijgen, moet je contacten hebben. Het denken van de mensen is ook sterk zwart-wit, vriend tegenover vijand. Afgelopen zomer waren we weer in Hongarije. Het was schokkend om de scherpe tegenstelling te zien tussen de twee grote partijen, de liberale en socialistische. Die splijt zelfs gezinnen. Mensen van de andere partij zijn vanzelf schurken en criminelen. Toch ga ik er nog heen. Ik zie er familie, zoals mijn broer en zijn gezin, we bezoeken er vrienden en verder is het land erg mooi.”

De jaren na 1990 had u natuurlijk heel veel voor uw volk kunnen betekenen.
„Na de val van de Muur werd die vraag me ook regelmatig gesteld. Ik heb wel eens plannen gehad om mijn oude landgenoten te gaan helpen het land op te bouwen. Maar ik heb dat niet gedaan. Want ze moeten ons niet.”

Wie moeten u niet?
„De Hongaren.”

U bent toch zelf Hongaar?
„Ja, maar ik leef al vijftig jaar in het buitenland. Ze beschouwen ons als de beterweters uit het Westen, die alle jaren in vrijheid hebben geleefd. De Hongaren die bleven, mochten alle ellende ondergaan. En nu komen de vluchtelingen hen vertellen hoe ze het moeten doen. Dat is een beetje cru geformuleerd, maar zo zit het in elkaar. Ik kan die reserve daarom best begrijpen.”

Is Nederland daarmee uw nieuwe vaderland?
„Ja. Ik voel me hier helemaal thuis. Toen ik hier aankwam, was dit echt de hemel voor me. Ik bedoel dan niet zozeer de materiële zijde, maar de vrijheid die hier was. Dat je zonder angst kon ademen. Dat je niet door een ander wordt verteld wat je wel en niet mag doen en lezen. Dat er niet meer dag en nacht op je wordt geloerd. Dat was een bevrijding. Maar je houdt je wortels natuurlijk. De cultuur, de muziek, de literatuur. Ik heb geprobeerd een synthese van de twee werelden te maken.”

Ziet u uit naar de herdenkingen in oktober en november?
„Ja en nee. Het is goed dat dit gebeurt en daarom heb ik ook wat gesponsord. Ik ga ook wel naar bijeenkomsten. Maar persoonlijk ben ik niet zo’n liefhebber van feestelijkheden. Mogelijk een trauma uit de dictatuur.”

Personalia

Geïnterviewde

Schermann (1931) werd als tweedejaars student aan de Technische Universiteit in 1951 aangeklaagd vanwege samenzwering tegen de staat en veroordeeld tot acht jaar celstraf. Aan het begin van de opstand in 1956 werd hij echter vrijgelaten. Nadat begin november de Russische troepen binnenvielen, nam hij deel aan het verzet. Na het neerslaan van de opstand, vluchtte hij naar Nederland. Vanaf 1958 studeerde hij in deeltijd verder aan de Technische Hogeschool in Delft. In 1968 studeerde hij af. Begin jaren tachtig werd hij benoemd als bijzonder hoogleraar in de procesdynamica (regeltechniek) aan de Rijks- universiteit in Groningen. Dat bleef hij tot zijn pensionering in 1993.

Interviewer

Evert van Vlastuin (1972) studeerde aan de Evangelische School voor Journalistiek (ESJ) in Amersfoort, politicologie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam en massa- communicatie aan de Potchefstroomse Universiteit vir Christelike Hoër Onderwys (PU vir CHO) in Zuid-Afrika. Hij werkt momenteel als buitenlandredacteur bij het Reformatorisch Dagblad.


 Laatst gewijzigd: 25-02-09 - Geplaatst: 01-11-06