Het spanningsveld van civitas Dei en civitas terrena
Verheij, C.
Via de media kunnen we dagelijks kennis nemen van het feit dat het denken en handelen van sommige mensen wordt bepaald door nationalistische en racistische motieven. In dit artikel willen we proberen enkele aspecten van het verschijnsel nationalisme in historisch perspectief kritisch te evalueren vanuit een christelijke identiteit.
Het is uiteraard best mogelijk het begrip nationalisme op positieve wijze te definiëren. Smitskamp omschrijft nationalisme als het streven de eigen natie in stand te houden en haar welzijn te bevorderen, op grond van de overtuiging dat zij een zekere waarde vertegenwoordigt en een bepaalde taak te vervullen heeft. Een dergelijke definitie is betrek- kelijk neutraal.
Het gevaar schuilt echter in de omschrijving "een zekere waarde" en "een bepaalde taak". In de praktijk leidt nationalisme binnen een volk namelijk gemakkelijk tot een overaccentuering van de "zekere waarde" en de "bepaalde taak" groeit uit tot een vorm van messianisme. Dergelijke uitingsvormen zijn zonder meer discriminerend.
Jezus Christus en het nationalistisch-Israëlitisch ideaal
Het evangelie van Jezus Christus sluit elke vorm van discriminatie uit: want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. Christus gaat in tegen het nationalistisch-Israëlitisch ideaal van zijn dagen, dat bijvoorbeeld leidt tot discriminatie van de Samaritaan. In Jezus’ prediking wordt de gevloekte Samaritaan de barmhartige Samaritaan. Van de tien melaatsen die gereinigd worden, is er één die Gode de eer geeft: en dezelve was een Samaritaan. Nergens in Israël vindt men zulk een groot geloof als bij de hoofdman over honderd, een heidense officier. Zacheüs, de tollenaar, wordt een zoon van Abraham. Niet afkomst, maar de persoonlijke relatie tot God is de allesbepalende factor in het menselijk bestaan, zo blijkt uit Jezus’ prediking.
Abrahams kinderen zijn dan ook zij die de werken van Abraham doen. Het joodse verleden, zichtbaar in historische gebouwen, telt vanuit dit gezichtspunt niet. De historisch en godsdienstig belangrijke plaatsen en gebouwen stelt Jezus onder het oordeel. Jeruzalem, de nationale trots van de joden, is de stad die profeten doodt en stenigt. De tempel, het godsdienstig centrum, daarvan zal niet één steen op de andere gelaten worden. Het evangelie van Jezus Christus leidt niet tot een onafhankelijke joodse staat, bevrijdt niet van de Romeinse overheersing, want Zijn koninkrijk is niet van deze wereld.
In prediking van Paulus worden de consequenties van het evangelie van Jezus Christus verder duidelijk. De slaaf Onésimus, die naar het Romeins recht geen rechtspersoon is, stelt Paulus aan Filémon voor als een broeder in Christus, want in de doop van Christus is noch dienstbare noch vrije. Eenzelfde positieverbetering valt ook de vrouw ten deel. Ook zij is geen rechtspersoon, maar slechts voorwerp naar Romeins recht, maar in Christus’ doop is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus.
Ook de verschillen tussen de volken vallen weg: in Christus is nog jood noch Griek. Het koninkrijk Gods is geestelijk: niet Israël naar het vlees, maar naar de Geest. Niet het aardse Jeruzalem, maar het Jeruzalem dat boven is, ja, onze burgerschap is in de hemel. In Paulus’ prediking zijn de nationale verschillen volkomen onbelangrijk, want het evangelie van Jezus Christus leidt tot de vrijheid der kinderen Gods.
De oud-christelijke kerk en het Romeins patriottisme
Het is bekend dat de christenen in het Romeinse Rijk van opstandigheid worden beschuldigd, omdat zij weigeren naast hun God ook andere goden te dienen. Christenen zijn niet loyaal aan de Romeinse cultus, waar met name onder het principaat ook de keizerverering een essentieel deel van uitmaakt. Door hun houding schijnen ze vijanden van de staat. Dat hun geloof in de levende God, de Schepper van hemel en aarde, christenen, net als de joden, brengt tot afwijzing van de beeldendienst en keizercultus onttrekt zich aan de waarneming van hun Romeinse vervolgers. De centrale plaats die het evangelie van Jezus Christus in het leven van de christenen van de vroege kerk inneemt, maakt hen tot burgers van een koninkrijk dat niet van deze wereld is.
In de Epistula ad Diognetum uit de tweede eeuw na Christus wordt het vreemdelingschap van christenen als volgt verwoord: "Zij wonen in hun eigen vadersteden, maar als bijwoners. Elk vreemd land is hun vaderland en elk vaderland is hun een vreemd land." Christenen zijn burgers van twee werelden, werelden die enerzijds wel kwalitatief onderscheiden zijn, maar anderzijds op zodanige wijze met elkaar vervlochten, dat de hemelse burgerschap de bezieling is van de aardse. Het geloof in de onzichtbare wereld schenkt hen de kracht om in deze zichtbare wereld als vernieuwde mensen te leven. Daarom gaat in het leven van deze christenen het woord van Jezus in vervulling: "een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer: indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen."
Met Constantijn de Grote, die het christendom vrijheid van godsdienst verleent, lijkt de positie van de christenen fundamenteel te veranderen. Wordt de Romeinse staat omgezet in een civitas Dei? Het is Augustinus, die in zijn De civitate Dei contra paganos aantoont dat de civitas Dei en de civitas terrena tot aan de voleinding der wereld kwalitatief onderscheiden blijven en dat in deze bedeling door de realiteit van de zonde beide civitates gemengd zijn.
Voor een sterfelijk mens komt het er nauwelijks op aan onder wiens "imperium" hij leeft, als de staat hem maar niet tot goddeloosheid en ongerechtigheid dwingt. De waarheid van de twee werelden wordt niet uitgebannen door een politiek systeem, dus ook niet door een christelijke staat. In het licht van het Nieuwe Testament en de geschiedenis van de oudchristelijke kerk kan de nationale staat slechts een relatieve betekenis hebben, waaraan nooit een absolute waarde mag worden toegekend.
Civitas Dei en civitas terrena in de middeleeuwse samenleving
Heeft de evenwichtige visie van Augustinus op kerk en staat in de middeleeuwse samenleving krachtig doorgewerkt? Op deze vraag kan in het kader van dit artikel uiteraard geen genuanceerd antwoord worden gegeven. Sterk vereenvoudigd kan men stellen dat in de Middeleeuwen de christenheid gedacht wordt als een ondeelbare gemeenschap tegenover heidenen, joden en mohammedanen. Kerk en Staat vormen twee zijden van één en dezelfde gemeenschap: het Corpus Christianum.
In de gangbare interpretatie wordt de civitas Dei in de Middeleeuwen gelijk gesteld aan de katholieke kerk van Rome. De kerk als eschatologische grootheid is in deze theologie gedeformeerd tot een historisch fenomeen, waarbij de paus als plaatsvervanger van Christus aan het hoofd van de ene historische en universele kerk staat. De kerk is hier niet langer een geestelijk-zedelijke gemeenschap zoals bij Augustinus, maar wordt een instituut met grote pretenties op maatschappelijk en politiek terrein.
In de visie van middeleeuwse geleerden krijgt ook het Romeinse Rijk een veel positiever en absoluter betekenis dan in de visie van Augustinus. Dit rijk, dat volgens middeleeuwse theologen nog steeds bestaat, is een direct gevolg van Gods wil, waarin Hij uitdrukt dat de mensneid door een allesomvattend imperium moet worden geregeerd. Het Romeinse Rijk waarborgt in de wereld de gerechtigheid, vroomheid en algehele vrede. Zij is daartoe gerechtigd omdat ze de wereld door rechtvaardige oorlogen aan zich onderworpen heeft. Middeleeuwse publicisten, zoals Dante in zijn De Monarchia, legitimeren de wereldstaat. Keizers in de Middeleeuwen zien hun rijk als directe voortzetting van het Romeinse Rijk.
Het zal duidelijk zijn dat in een dergelijk levensbeschouwelijk klimaat nationalistische gevoelens nauwelijks een kans krijgen. De kerk van Rome heeft universele pretenties. Zij geeft richting aan het kloosterleven, het universitair onderwijs en weet ook op de ridderschap, die eveneens een internationaal karakter draagt, grote invloed uit te oefenen. Helaas ontaardt de kerk daardoor niet zelden in een ordinair machtsinstituut. Het instituut kerk identificeren met de kerk van Christus en menselijk en goddelijk gezag op een lijn stellen vormen de wortels van deze ontaarding.
Het universele karakter van de reformatie
Het is Calvijn geweest die de middeleeuwse pretenties van een wereldkerk en wereldstaat heeft afgewezen. Identificatie van de kerk van Christus met het hiërarchisch geleide heilsinstituut, dat over de genademiddelen beschikt en staat onder het primaat van de bisschop van Rome, is onjuist. Calvijn belijdt de onzichtbare kerk, de vergadering der uitverkorenen, die in één geloof, hoop en liefde aan Christus verbonden is. Die kerk bestaat uit gelovigen van alle tijden en plaatsen en uit alle natiën volken.
Naast de onzichtbare spreekt Calvijn ook van een zichtbare kerk, die zich kenmerkt door een zuivere prediking en bediening der sacramenten. Uiteraard is hier geen sprake van twee kerken, maar van de tweeërlei zin, waarin de Heilige Schrift over de kerk spreekt. Met nadruk stelt Calvijn vervolgens ook de eenheid der kerk: dwars door alle nationale, kantonale, locale grenzen is de kerk één.
Ook de positieve waardering van het Romeinse Rijk wijst Calvijn af. Zijn oordeel over dit rijk is vernietigend. Haar karakter was tiranniek. Het instituut wereldkerk en het instituut wereldstaat kunnen niet de brandpunten vormen van de kerk van Jezus Christus, die geestelijk van karakter is. Met dit geloofsstandpunt, gefundeerd in de Heilige Schrift, grijpt Calvijn terug op het getuigenis van de oud-christelijke kerk en is hij in de ware zin van het woord reformerend bezig.
Uiteraard impliceert Calvijns kritiek op de middeleeuwse conceptie van het Corpus Christianum niet dat hij nu als verdediger van de nationale staat kan gelden. De nationale staat beheerst niet het denken van Calvijn. Zijn arbeid richt zich op de kerk van Christus, Die heeft de liefde van zijn hart. Liefde voor de kerk is kenmerkend voor de gehele Reformatie. Vragen over de waarde en taak van de nationale gemeenschap spelen geen rol in Calvijns theologische arbeid. Dergelijke vragen zijn betrekkelijk modern en vinden hun oorsprong vooral in Verlichting en Romantiek.
De Nadere Reformatie in de republiek: een kerkelijke beweging
De vraag moet hier gesteld worden of de Nadere Reformatie met betrekking tot de visie op de natie in het spoor van de Reformatie is voortgegaan. Groenhuis heeft in een artikel – ‘Calvinism and national consciousness:the Dutch Republic as the new Israël’ – proberen aan te tonen dat in de zestiende en zeventiende eeuw leken en predikanten de Republiek identificeren met het tweede-Israël. Kerk en natie zouden bijzonder nauw aan elkaar verbonden zijn.
Naar het me voorkomt berust Groenhuis’ visie op een lang niet altijd juiste interpretatie van de door hem gebruikte bronnen. R. Bisschop heeft in zijn proefschrift Sions Vorst en volk aangetoond dat onder het tweede Israël de gelovigen moeten worden verstaan die in Christus één zijn en dat niet moet worden gedacht aan een religieus geïnspireerd nationaal gevoel. Zijn proefschrift betekent eigenlijk weer een eerherstel van Smitskamps visie, neergelegd in Calvinistisch nationaal besef in Nederland voor het midden der 17de eeuw. Smitskamp en Bisschop onderstrepen terecht dat het Reformatie en Nadere Reformatie denken vanuit de Kerk van Christus.
Graag wil ik dit nog met een voorbeeld adstrueren. In een pamflet van Ewout Teellinck, getiteld Amos ofte de Siender Israëls uit 1625, waarin hij de toestand van de christenheid in de wereld en hier te lande bespreekt, komt duidelijk naar voren dat de algemene christelijke kerk het hart van zijn betoog vormt. De kerk van Frankrijk, "een doornbosch, brandende sonder versengen," de gemeenten van Aken en Wesel, "een schaduwe ende toevlucht, Heydelbergh, het lieve schoudal des Heeren" worden zwaar beproefd of zijn verwoest. "Ende souden wij vrijgaen ende ongestraft blijven," zo vraagt Teellinck? Ook gebruikt hij aanduidingen als "Gereformeerde weerelt, Gereformeerde christenheyt, de Heere heeft ons uit het geestelicke Egypten, in het landt Canaän overgebracht sonder verhuysen." In Teellincks betoog staat de Kerk van Christus centraal. Van daaruit moet het handelen van mensen, van overheden, ja, van wie dan ook worden beoordeeld.
Het ontstaan van het moderne nationalisme
In de achttiende eeuw treedt een fundamentele verschuiving op. Onder invloed van Verlichting en Romantiek neemt de natie de plaats van de kerk in; de volksgemeenschap verdringt de kerkgemeenschap. Hoewel de Verlichting het wereldburgerschap propageert, heeft zij, door het zwaartepunt van het gezag te verschuiven van vorst naar volk, de vereniging van vrije en gelijke burgers centraal gesteld. Het individu behoort niet in de eerste plaats de kerk, maar de natie toe. Teruggrijpend op de klassieken krijgen natie en vaderland een bijna sacrale betekenis in uitdrukkingen als "sterven voor het vaderland". Modern nationalisme hangt ten nauwste samen met verzwakking van het christelijk normbesef.
Onder invloed van de Romantiek wordt het begrip natie verder uitgebouwd. Herder meent dat elk volk een eigen identiteit bezit. Dit eigen karakter wordt volgens hem het beste weer gegeven door het begrip Volksgeist. Iedere cultuur heeft een doel in zichzelf. Herder verzette zich dan ook tegen de vernietiging van niet-Europese culturen door de zending.
Von Savigny, de grondlegger van de Historische Rechtsschool, ziet de natie als een organisme: een volk is een in de generaties voortlevende eenheid. Van dit zich ontwikkelend organisme maken individuen een wezenlijk deel uit. Het handelen van individuen in het heden wordt in voortdurende wisselwerking met het verleden bepaald. Van de persoonlijke verantwoordelijkheid en vrijheid van het individu blijven in een dergelijke visie weinig over. Individuen zijn hier exponenten van een cultuur, een volk, een natie. Zij dienen hun talenten daaraan dienstbaar te maken.
In de visie van Heinrich Heine hebben ook volkeren een bepaalde roeping. Zo is het Duitse volk voorbestemd om in Europa leiding te geven op het terrein van de geest. Heine propageert een Duits cultuurmessianisme. De Duitse taal speelt daarin een belangrijke rol, want zij is bij uitstek de taal van de wetenschap. Tauler en Luther hebben door gebruik van de Duitse taal de theologie eerst recht verdiept. Christian Wolf heeft het Duitse volk geleerd te filosoferen in de Duitse taal, de taal van de geest. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk roepingsbesef haaks staat op het christelijk begrip vocatio.
Conclusie
In dit artikel is geprobeerd duidelijk te maken dat alleen in het Evangelie van Jezus Christus de ware humaniteit gewaarborgd is en dat mensen, schepselen van God, hun leven, een gave van God, niet mogen uitleveren aan een aardse macht, dus ook niet aan een nationale staat, die slechts een betrekkelijke waarde heeft. Ons leven mag slechts Eén toebehoren: Soli Deo Gloria.
Literatuur
- W.C. van Unnik, ‘Christendom en nationalisme in de eerste eeuwen der kerkgeschiedenis’ in Christendom en nationalisme (’s-Gravenhage 1955) 38-53.
- H. Smitskamp, ‘Ontstaan en ontwikkeling van het moderne nationalisme’ in Christendom en nationalisme (’s-Gravenhage 1955) 111-124.
- J.N. Bakhuizen van den Brink, ‘Twee werelden’ in Geloof en revolutie (Amsterdam 1977) 1-20.
- J. Bohatec, Calvins lehre von Staat und Kirche (Breslau 1937).
- W. Nijenhuis, Calvinus Oecumenicus, Calvijn en de eenheid der kerk in het licht van zijn briefwisseling (’s-Gravenhage 1955).
- H. Smitskamp, Calvinistisch nationaal besef in Nederland voor het midden der 17de eeuw (’s-Gravenhage 1947).
- Ireneum Philalethium, Amos ofte de siender Israëls... (Amsterdam 1625).
- R. Bisschop, Sions Vorst en volk (Veenendaal 1993).
- H.A van Wessem, De Engelse Partij in het Koninkrijk Frankrijk gedurende de Honderdjarige Oorlog (zonder plaats 1966).
- G. Groenhuis, ‘Calvinism and national consciousness: the Dutch Republic as the new Israël’, in Britain and the Netherlands VII (’s-Gravenhage 1981) 118-133.
- H. Heine, Religie en filosofie in Duitsland (Amsterdam 1964).
- R. Jaspert, Die Deutsche Romantik. Zeugnisse in Originaldarstellungen (Berlin).
Jaargang 05 (1994) No 2
Trefwoorden: Vreemdelingschap, Christen, .
