Het Eerste Christelijk Sociaal Congres en daarna
Kouwenhoven, A.
Op 9, 10, 11 en 12 november 1891 – in hetzelfde jaar. waarin te Rome de pauselijke encycliek Rerum Novarum verscheen – werd in Amsterdam een Sociaal Congres gehouden. Dit Congres is de geschiedenis ingegaan onder de naam: Eerste Christelijk Sociaal Congres.
Aanleiding
De aanleiding tot het bijeenroepen ervan was de onzekerheid die bij velen bestond ten aanzien van de aanpak en de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Een gezamenlijke bezinning over de vraag welke houding christenen op grond van hun levens- en wereldbeschouwing behoren in te nemen ten opzichte van sociale vragen en noden, vormde het voornaamste doel ervan. Niet uit het oog mag worden verloren, dat in de vorige eeuw grote groepen der bevolking, waaronder ook vele meelevende christenen, terughoudend stonden tegenover mogelijke oplossingen van de toenmalige 'sociale quæstie'. Die kwamen toentertijd hoofdzakelijk uit linkse – Marxistische en anarchistische – hoek.
Weliswaar hadden in Engeland de 'Christian Socialists' Maurice, Kingsley en Ludlow de aandacht weten te vestigen op de ten hemel schreiende maatschappelijke toestanden, zoals de vrouwen- en de kinderarbeid, en hiertegenover de bijbelse boodschap van barmhartigheid, gerechtigheid en naastenliefde gepredikt. Voorts, in Duitsland had de Rooms-Katholieke bisschop van Mainz, Freiherr Wilhelm Emmanuel von Ketteler, en naderhand de Berlijnse hofprediker Adolph Stöcker, de opdracht die uitgaat van het Evangelie voor wat betreft het maatschappelijke leven hier op aarde duidelijk in het licht gesteld. Onder hun bezielende invloed wist het christelijk-sociaal denken in dat land zelfs tot in de nationale politiek door te dringen.
Maar in ons land was dat toen nog niet zover. Slechts een betrekkelijk kleine groep mannen en vrouwen, behorend tot de kring van het Reveil, onder meer de dichter Isaäc da Costa, de filantroop ds. O.G. Heldring en de politicus mr. G. Groen van Prinsterer, trokken zich het lot van de misdeelden in de samenleving aan en wezen op de betekenis van de navolging van Christus bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Maar tot de brede massa van het volk was die boodschap nog nauwelijks doorgedrongen.
Met het bijeenroepen van het Eerste Christelijk Sociaal Congres werd de gelegenheid geboden zich te bezinnen op de implicaties van christelijk-sociaal denken ten aanzien van deze vraagstukken. Niet vergeten mag worden. dat in de vorige eeuw de economieën van de meeste Westeuropese landen een industrialiseringsproces hadden ondergaan en nog ondergingen, wat in vele gevallen erbarmelijke sociale toestanden teweeg had gebracht. De ‘sociale quæstie’ was ontstaan: zeer lage lonen, zeer lange werktijden, zeer slechte arbeidsomstandigheden bij nagenoeg volledige afwezigheid van sociale voorzieningen, uiterst ongezonde huisvesting.
Waar het nu bij het Congres om ging was het zoeken naar de oorzaken van de maatschappelijke misstanden, naar de 'defecten' in de samenleving, teneinde hier fundamentele, 'architectonische critiek' op uit te oefenen. In zijn magistrale openingsrede van het Congres had dr. A. Kuyper op de hem eigen, welsprekende wijze die tekortkomingen geschetst. Daarbij concentreerde hij zich op de tegenstelling tussen de uitgangspunten van de christelijke religie en de grondslagen van de Franse Revolutie. Hij deed dit onder meer in de volgende bewoordingen:
"Had de christelijke religie de persoonlijke menselijke ere in de sociale samenbinding van een organisch samenhangend maatschappelijk leven gebracht, de Franse Revolutie verstoorde dat organisch weefsel, verbrak de sociale banden en hield tenslotte in haar atomistisch knutselwerk niets over dan het eenzelvig, zelfzuchtig en voor zijn zelfstandigheid opkomend individu. Hiermede was de teerling geworpen. Het kon toch niet anders of uit deze loswoeling van al wat ons menselijk leven in menselijke ere samenbond, moest met ijzeren noodwendigheid en een diepgaande sociale nood, en een wijdvertakte sociaal-democratische beweging, en tenslotte voor alle volk en natie een uiterst netelige sociale quaestie geboren worden. De gemeenschappelijke karaktertrek van alle vormen en studieën waarin de grote sociale beweging van de nieuwere tijd zich vertoonde is het opkomen voor het gemeenschapsgevoel, voor het gemeenschapsrecht en voor de organische natuur der maatschappij, tegenover het eenzijdig ontwikkeld individualistische type, dat de Franse Revolutie, op onze samenleving had gedrukt. De vraag wordt opgeworpen of onze menselijke samenleving een aggregaat van individuen dan wel een organisch lichaam is."
Gerechtigheid
Zonder overdrijving mag worden gesteld, dat het Eerste Christelijk Sociaal Congres van beslissende betekenis geweest is voor de ontplooiing van de christelijk-sociale beweging en voor de verdieping van het christelijk-sociaal denken. In de conclusies ervan werd benadrukt, dat de christelijke belijdenis niet alleen betekenis heeft voor de ziel, maar ook voor de stoffelijke, materiële dingen van de schepping, niet alleen voor de verhouding van de mens tot God, maar ook voor zijn relatie tot de naaste, voor de sociale verhoudingen.
De Heilige Schrift leert, dat de menselijke samenleving niet naar eigen goedvinden mag worden ingericht, maar gebonden is aan wetten, die daarvoor door God zelf in de schepping en in Zijn Woord zijn vastgesteld. Afwijking van de wetten en ordinantiën door God aan Zijn schepping gesteld, is in het algemeen oorzaak van alle sociale misstanden. Door haar toch hebben de ‘verscheidenheden’, die krachtens de schepping onder de schepselen bestonden, haar eenheid verloren, zijn zij in tegenstellingen veranderd en de schepselen zelf in een vijandige houding tegenover God en elkander gesteld.
Dienaangaande vertoonde het Congres een markante overeenstemming met het denken in de toenmalige katholieke wereld. Immers, Paus Leo XIII was er blijkens een passage uit Rerum Novarum van overtuigd, dat "wanneer men naar een geneesmiddel omziet voor de lijdende maatschappij, alleen het herstel van het openbaar en bijzonder leven naar de geest van het christendom dat middel wezen kan." Het Congres concludeerde dan ook, dat het grote algemene beginsel van de oplossing der sociale quaestie naar de Schrift dat der gerechtigheid behoort te zijn, dat is de aanwijzing voor ieder mens van die plaats, welke hij naar Gods ordinantiën tegenover God en alle andere schepselen heeft in te nemen.
Praktische oplossingen
Niet alleen werden de defecten die aan de maatschappij kleefden uit de doeken gedaan, ook werd getracht op de grondslag van de christelijke levens- en wereldbeschouwing praktische oplossingen aan te dragen. Het stakingsrecht werd in beginsel erkend, zij het uitsluitend voor niet-politieke doeleinden en als allerlaatste middel. Eveneens drong het Congres aan op instelling van zogenaamde Kamers van Arbeid, waarin de georganiseerde werkgevers en werknemers voor overleg bijeen zouden komen. Daarmee werd een basis gelegd voor de naderhand rijpende ideeën inzake de bedrijfsorganisatie. Kuyper beschouwde de onderneming als een ‘organische’ eenheid die naar ‘eigen levenswet’ haar regelingen zou moeten maken. In de regionale Kamers van Arbeid zouden ook arbeidersvertegenwoordigers zitting moeten hebben.
Tekenen wij hierbij aan, dat in het christelijk-sociaal denken, zoals dat naderhand in protestants-christelijke kring na Kuyper met name door ds. A.S. Talma en ds. J.C. Sikkel is ontwikkeld, steeds de volwaardige plaats van de arbeid naast het kapitaal centraal heeft gestaan. Ook werd altijd het gemeenschapskarakter van de onderneming onderstreept De klassenstrijd verdraagt zich daar niet mee. Steeds dient te worden gestreefd naar overleg tussen werkgevers en werknemers. De arbeid van de werknemers en die van de patroons dient zodanig georganiseerd te worden, dat een bedrijf een echte gemeenschap is.
In de lijn van Sikkel en Talma heeft P.S. Gerbrandy in de periode tussen de beide wereldoorlogen aan dat christelijk-sociale gedachtegoed in woord en geschrift verder gestalte gegeven. Volgens Gerbrandy is een onderneming een arbeidsgemeenschap van werkgevers en werknemers, waarin saamhorigheid, wederzijdse verantwoordelijkheid en derhalve medezeggenschap van werknemers behoren te bestaan. Die visie heeft hij eveneens doorgetrokken in zijn opvattingen inzake bedrijfsorganisatie.
Bedrijfsorganisatie verwerpt de individualistische gedachte dat in een onderneming de mensen alleen door middel van een contractuele band aan elkaar verbonden zouden zijn. Want een onderneming is een gemeenschap. Dit houdt in, dat zowel de patroon als de arbeiders zich voelen als organen van een eenheid, waarvan zij beiden deel uitmaken. En die verbondenheid vordert, aldus Gerbrandy, medeverantwoordelijkheid en mede-spreken van de werknemers, allereerst over de arbeidsvoorwaarden, maar ook over andere onderwerpen.
Veranderingen
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zich diepgaande veranderingen in de maatschappij voltrokken. De problemen zijn sindsdien niet van de lucht. Een gigantische economische groei kwam in de Westerse landen tot stand. Deze toegenomen groei ging helaas gepaard met het achterblijven van bepaalde groeperingen ('de nieuwe armoede'). Met name in de Derde Wereld manifesteerde zich dat achterblijven; vooral daar resulteerde een scherpere kloof tussen rijk en arm. Ook deed zich als parallel-verschijnsel van de economische groei het milieu-vraagstuk kennen. De toenemende individualisering en de hiermee gepaard gaande flexibilisering van de arbeid belemmeren in verschillende gevallen, naast verschillende andere oorzaken, de feitelijke doorvoering van de medezeggenschap in het beleid van de ondernemingen. Naast vooruitgang en stijging der materiële welvaart is er structurele werkloosheid. Er is een nieuwe ‘sociale kwestie’ ontstaan.
Die nieuwe sociale kwestie manifesteert zich in een tendens tot tweedeling in de samenleving. Enerzijds was er groei en toenemende welvaart, anderzijds is er ongelijkheid, machtsongelijkheid. Die ongelijkheid komt vooral tot uitdrukking in het achterblijven van zwakkere groeperingen, tussen werkenden en niet-werkenden, tussen het rijke Westen en de Derde Wereld, tussen inkomenstrekkers en uitkeringsgerechtigden.
Voorts is er sprake van een proces van ontideologisering en secularisatie. Ook van convergentie tussen rechts en links. Het liberalisme laat onder bepaalde voorwaarden (marktconform!) overheidsingrijpen toe; het socialisme wijst – vooral na het echec van de geleide economieën – de vrije markteconomie bepaald niet van de hand. Al met al is de huidige situatie in vergelijking met die in 1891 wezenlijk veranderd: er is nu een sociale zekerheidsstelsel, de welvaart is gigantisch gestegen, de techniek is met sprongen vooruit gegaan en wie weet wat ons nog te wachten staat.
Bezinning
Een hernieuwde bezinning op de uitgangspunten en doelstellingen van christelijk-sociaal denken wordt met het oog daarop thans dringend noodzakelijk geacht. En dat niet alleen vanwege de nieuwe problematiek waarmee we worden geconfronteerd, maar ook in verband met een veranderde visie op het christelijk-sociaal denken zelf.
Die veranderde visie sluit aan bij de verschuiving die na het Tweede Vaticaans Concilie in 1965 is ingetreden. Twijfel was gerezen over de mogelijkheid om, uitgaande van bepaalde, algemeen-geldige beginselen, een sociale leer te ontwerpen die op uiteenlopende situaties kon worden toegepast. Men vroeg zich af of niet veeleer de steeds wisselende omstandigheden de plaats zouden moeten worden van waaruit de bezinning op het maatschappelijk leven zou moeten starten, opdat de ‘tekenen van de tijd’, waarover het Evangelie (Mattheüs 16:3) spreekt, beter zouden kunnen worden verstaan.
Weliswaar komt de geschetste koerswijziging vooral neer op een accentverlegging; niettemin is de betekenis van algemeen-geldige noties en zeker die van afgeronde maatschappijvisies – van blauwdrukken! – niet onaanzienlijk afgenomen. Christelijk-sociaal denken is hoognodig aan een ‘herijking’ toe.
De Bijbel houdt ons voor wat het unieke is van de mens: het staan in relatie met God. Daarom is de mens ook verantwoording schuldig aan Hem. Maar die uitgangspunten en de uitwerking daarvan moeten in confrontatie met de actuele werkelijkheid, met ‘de tekenen van de tijd’, steeds bijgesteld en her-ijkt worden. In de Bijbel is geen sprake van een statisch hanteren van de ‘ordeningen Gods’. Men is het er over eens, dat de ‘menselijkheid’ in onze wereld dient te worden bewaard. Wat dat precies inhoudt is niet altijd duidelijk. Menselijkheid betekent enerzijds een ‘menswaardig bestaan’ en anderzijds het dragen van ‘verantwoordelijkheid’. De mens dreigt die in onze wereld te verliezen; zijn verantwoordelijkheid is bedreigd; hij dreigt een nummer te worden.
In het christelijk-sociaal denken heeft de persoonlijke verantwoordelijkheid en de zorg voor elkaar het ‘dragen van elkanders lasten’ altijd centraal gestaan, met name de zorg voor ontrechten en verdrukten in de samenleving. Aan het mens-zijn mag niet tekort worden gedaan. In het recente verleden is teveel van de persoonlijke verantwoordelijkheden afgenomen en overgedragen aan de overheid. De maatschappelijke organisaties uit het maatschappelijke middenveld moeten meer verantwoordelijkheid krijgen voor zaken die rechtstreeks verband houden met de belangen van werkgevers en werknemers. Ook zullen de internationale en mondiale dimensies van het christelijk-sociaal denken meer aandacht moeten krijgen. Verder zal hernieuwde aandacht geschonken moeten worden aan de vraag hoe christelijk-sociale organisaties hun identiteit expliciteren en op welke wijze zij vanuit hun eigen achtergrond vormgeven aan het maatschappelijk en sociaal beleid.
Organisaties van christelijke signatuur zien thans reële kansen voor verdere groei en versteviging van hun positie en inbreng. Hun identiteit staat hen daarbij niet in de weg, integendeel. Bij de bewering als zou de tendens tot afnemende betekenis van levens- en wereldbeschouwingen zich hebben voortgezet, plaatsen velen thans terecht een vraagteken. Het is immers een opvallend feit, dat mensen weer ontvankelijk worden voor waarden die vanuit het geloof worden aangedragen, zoals respect voor het leven, sociale gerechtigheid. De religieuze dimensie van het persoonlijke en gemeenschapsleven wordt als het ware opnieuw beseft.
Jaargang 02 (1991) No 3
Trefwoorden: Christen, Emancipatie, Congres.
